Eenige weken later, den dag nà zijn benefiet, 's morgens vóór elven
reeds, stond Holtsman weer voor mij op mijn bureau.
Hij zag bleek, vaalbleek; zijn artistieke haarlok plakte klam en
omgekruld tegen zijn tanig voorhoofd en zijn oogen lagen diep in hun
kassen. Zijn geheele voorkomen was dat van een oud, vermoeid man. Zijn
kleeding was niet anders, dan toen ik hem de eerste maal zag, alleen
miste ik de opzichtige blauwe das; zijn groezelige, lage boord was los.
Het scheen wel, alsof alles hem nu slordiger aan 't lijf zat, alsof hij
opeens magerder was geworden. De hooge grijze hoed, die hij anders min
of meer zwierig schuins droeg, zat nu achterover en hij vergat dien af
te zetten, door de zenuwachtige gejaagdheid, waarmede hij binnenkwam.
Met een nerveus-schorren klank in zijn stem zei hij, zoodra hij mij zag:
--Ik ben zoo vrij, om u te komen spreken. U moet me helpen. U zal dit
doen, want u is een mensch, dat weet ik. U ... pardon: Hij merkte
eensklaps, dat hij zijn hoed nog ophad en nam dien af.--Pardon! ik ben
akelig nerveus.... U voelt voor artisten, wou ik zeggen. U kan
begrijpen, wat het is, om zóó, inééns, de risée te worden van een
publiek, dat je vroeger op de handen droeg.
Holtsman sprak afgebroken en opgewonden en sloeg zich eenige malen, de
oogen theatraal ten hemel heffend, met de rechtervuist op de borst.
--Hier hebben ze me gewond. M'n hart is tot bloedens toe getroffen. Mijn
God, heb ik dát aan ons publiek verdiend? Zijn handen vielen slap langs
zijn dijen en 't hoofd zonk hem zóó diep op de borst, dat zijn bijna
geheel onthaarde kruin zichtbaar werd.
Eensklaps hief hij 't hoofd met een kort rukje weer op, achterover,
schudde het eenige malen als in heftige ontkenning en riep
melodramatisch:
--Neen! neen!--dat kán ik niet dragen, 't is te veel hoon op eens--te
veel smaad voor een denkend artist! 't is mijn ondergang! Ik, Holtsman!
eerste karakterrol, van de planken gelachen! Ja, ge-la-chen, meneer! Is
't geen gruwel? Schreit het niet ten hemel?
--Maar, m'n beste meneer, wat is er dan toch gebeurd?
--Weet u 't niet? Heeft u mijn débacle dan niet bijgewoond? Niet? O,
Goddank!--Hij hief de armen op met tragisch gebaar. Ik hoef me dus voor
u niet te schamen. U lacht dus nog niet om me?
--Ik begrijp u heusch niet goed.
--Ik meende, u toch te zien zitten gisteren avond.
--Zeker! maar ik ben even vóór de pauze heengegaan. Ik had hoofdpijn
gekregen door den rook, de hitte en de menschenlucht; 't théater is zoo
klein en 't was stikvol; mij dunkt, u had niet te klagen.
--Finantieel was ik tevreden, maar moreel, helaas! ben ik geruïneerd....
Somber keek hij voor zich uit.
--Maar vertel mij dan toch?
Hij kruiste langzaam de armen over de borst, en steunde met diep gebogen
hoofd naar den grond starend:--Vernietigd!... Ver-nie-tigd! herhaalde
hij met een traan in zijn stem. Daarna, alsof het een "ter zijde" op het
tooneel was, zei hij zacht in zich zelven:
--Komaan, moed! moed!... en luider:--Ja, aan u durf ik 't vertellen,
omdat u een mensch is!
--Wilt u niet gaan zitten? U ziet er zoo vermoeid uit.
--'k Ben óp, meneer, totaal óp!--Geen oog geloken van nacht. 'k Zal zoo
vrij zijn. Hij nam een stoel en ging zitten met de beenen over elkaar in
een tooneelachtige houding, één arm over de leuning van den stoel
geslagen, met den anderen gesticuleerend.
--Alles ging goed, dat heeft u gezien. Ik speelde met animo, dat heeft u
ook zelf gezien, niet waar? Ik gaf een Henri, zooals hij moet zijn, een
dweepend dichter, een naïf gevoelsmensch; ik was goed in mijn rol, dat
voel ik, en ofschoon ik heel slecht gesecondeerd werd--'k had ter elfder
ure moeten opgrabbelen, wat ik krijgen kon, omdat mijn collega's me voor
't meerendeel hadden gedupeerd! De één was hierdoor verhinderd, de ander
dáárdoor--toch heb ik het stuk weten te houden. Ik vul het tooneel,
nietwaar? En 't publiek was heel lief in het begin.
--Ja, me dunkt, er was na ieder bedrijf veel applaus!
--Te veel, meneer! te veel! Viermaal riepen ze me, toen de pauze kwam,
terug, maar ... ik werd beetgenomen, o God! dat heb ik smartelijk
ondervonden. Toen ik, nadat er al driemaal gehaald was, voor de vierde
maal voor 't voetlicht kwam, om te buigen, zag ik, achter in het
parterre, een krans opsteken. Hij bedekte een oogenblik zijn gelaat met
beide handen en scheen te snikken.
--Een krans, vader, een lauwerkrans!--riep mijn jongste dochter, die
rechts achter de coulissen stond, me zachtjes toe.
Ik boog, ik lei, zooals gebruikelijk is, m'n hand op m'n hart. Holtsman
stond op en speelde nu letterlijk het volgende:
--Daar vloog de krans over de hoofden der toeschouwers op het tooneel en
viel vlak voor mijn voeten neer, maar,--hij scheen bij de herinnering te
rillen--met een onnatuurlijk doffen slag.
--D'r zit een cadeau aan! hoorde ik m'n tweede dochter, van achter den
Mantemau d'Arlequin, links, zeggen.
't Arme kind werd misleid door den zwaren plof, dien de krans gaf.
Ik raapte hem op!... Groote God! meneer, toen ik haar in m'n handen had,
was 't alsof de bliksem voor mijn voeten neêrsloeg--ik dacht, dat ik
door den grond zonk. 't Was geen krans, meneer! 't Was--weer bedekte hij
een oogenblik het gelaat met de nu beverige handen,--'t was een
worst!... Zoo'n groote, gemeene, geldersche rookworst, waar ze
boerenkool, bladeren en bloemen om hadden gewonden.
Holtsman stond naast zijn stoel en maakte, naar den grond ziende, alsof
de worst daar nog lag, een breed gebaar van afschuw en schrik, deed een
pas terug met afwerend, gebogen handen en siste tusschen zijn tanden
door:--Ploerten! hadden hem gegooid, ploerten, die ik nu achter in de
zaal zag dubbelslaan van 't lachen.
--'k Sprong 'n oogenblik terug, meneer! 't Was me, alsof ik een adder
had aangepakt. Ik wist een paar seconden lang niet, wat ik doen moest,
maar plotseling ontwaakte in mij de artist, de gehoonde kunstenaar. Ik
greep de worst, rukte er 't groen, de bloemen af, strooide die uit over
mijn schedel en toen--toen slingerde ik het vette, vieze ding met één
krachtigen zet, "zóó!--hij greep als in extase zijn hoed en smeet dien
over mijn lessenaar--naar die ploerten ... en metéén donderde ik hun
toe: Ellendelingen! Lafaards! Ik heb als kunstenaar een krans, een
lauwerkrans, bloemen, verdiend, maar ... honger heb ik om den bliksem
nog niet!--Dat was misschien iets te kras gezegd, meneer, maar ad-rem
was 't wel! En in zoo'n oogenblik ben je jezelf niet heelemaal meester,
dát voelt u!
--Nu, en toen?--ik had werkelijk veel moeite, om ernstig te blijven;
Holtsman zag het en zei kalmer:
--O, geneer u niet! Ik begrijp, dat u mijn situatie ook belachelijk
vindt en u neem ik dit in 't minst niet kwalijk ... omdat u óók wel
voelt dat ik--hij bracht de uitgespreide rechterhand even aan zijn
voorhoofd--krankzinnig werd van woede op dat moment. U kan begrijpen,
hoe helsch ik was!
--Volkomen! 't Was een verschrikkelijke toestand.
--Een supplice, meneer! Maar 't ergste kwam nog. Dat brieschend gelach,
dat satanisch geschater neen! noem 't gerust gebrul, van alle rangen.
Bravo, bis, kranig! Mooi gezeid! riepen ze van alle kanten maar op een
toon, dat ik ze wel in d'r gezicht had willen vliegen. 't Werd een
ontzettende chaos!
Zakken!--Zakken!--schreeuwden ze achter me op 't tooneel, maar je zult
altijd zien, dat in zulke penible oogenblikken nog iets
extra-onaangenaams gebeurt, 't doek bleef halverwege schuins zitten, 't
wou niet op of neer.
Halen!--Zakken!--Halen! gilden ze achter me, en vóór me brulden ze
lachend: Da capo, Bravo! Bravo! En 't scherm bleef maar steken, ze
trokken het touw haast stuk; niets hielp, 't zat muurvast, fataal!
meneer, fataal!
Heengaan, als een druipstaartende hond wou ik niet. Dien triomf gunde ik
mijn belagers niet ... en daarvoor ben ik niet laf genoeg, ik voel me 'n
te hoogstaand artist voor zóó iets!
Daarom bleef ik zóó, in uitdagende houding, met de armen over de borst
en 't hoofd fier opgeheven, die ploerten zwijgend aanzien maar ... m'n
oogen spraken als dolken! Maar toen ze opnieuw: Bravo, Bis! riepen en de
worst in de hoogte staken op een parapluie, vloog 't bloed me in eens,
onstuimig, naar 't hoofd en met al de kracht van mijn orgaan smeet ik
een donderend:
--Ellendelingen, ik veracht je!... door de zaal.
Een oogenblik was het publiek gebluft, maar daar begonnen die gemeene
kwâjongens te zingen:--Dat's mooi gezeid, dat's mooi gezeid! en ...
weg, totaal weg! was de indruk van mijn woorden. 't Gelach begon
opnieuw; anderen sisten en floten er tusschen in.... 't Was
afgrijselijk, om razend van te worden! Gelukkig zakte toen het gordijn.
Als uitgeput door 't vertellen, liet Holtsman zich, met langzame
sleeppasjes achteruitgaande, op den stoel nedervallen, zijn hoofd, diep
gebogen, rustend op de uitgespreide vingers der linkerhand, den elleboog
op de knie. Een klein poosje bleef hij zóó zitten, nam met een diepen
melodramatischen zucht en langzame beweging een witten zakdoek uit zijn
borstzak en zachtjes zijn bepereld voorhoofd bettend, vroeg hij dof:--Is
't niet om te besterven?
--Ik heb erg medelijden met u, meneer Holtsman.
--O, dank! innigen dank!--hij breidde de armen naar mij uit.--Zoo'n
woord van u is een droppel balsem op mijn verscheurd gemoed!
Hij stond weer op, wrong even de handen, als in wanhoop, en sloeg toen
de linker voor de oogen, terwijl hij met de rechtervuist zachtjes op
zijn hart klopte:
--O, meneer! ik heb zoo geleden, gisterenavond, van nacht, want ...
zelfs m'n dochters hebben om me gelachen! Ze konden 't niet helpen,
zeiden ze, maar 't was zoo wreed!--Ik ben toch haar vader! Afschuwelijk,
niet waar, om door je eigen vleesch en bloed te worden doodgelachen.
Door deze strophe ben ik vermoord!
Met een veelzeggende handbeweging naar den grond en in mineur zuchtte
hij dof:--Zedelijk gesluipmoord, bedoel ik, want mijn prestige tegenover
mijn kinderen is dood, morsdood, sedert gisteren! Verbeeld u, de oudste,
die in de zaal was, is niet eens opgestaan, om met luider stem te
protesteeren tegen den smaad, die haar vader werd aangedaan. Ze verweet
me zelfs, dat ik me had "aangesteld" "màl-aangesteld", door dat groen,
die bloemen over m'n hoofd te strooien. Ze begrijpt de symboliek niet
van die daad!
--Ze had zich voor mij gegêneerd, zei ze, omdat sommige hartelooze
menschen, die haar kenden, haar zoo raar hadden aangekeken.... Maar,
mijn God! bestaan er dan geen banden des bloeds meer?
Droevig voor zich uitstarend, poosde hij even, diep ademhalend, toen
kwam hij vlak voor me staan en zei schier fluisterend:--Illusie, meneer!
Hersenschim! als je dankbaarheid van je kinderen verwacht; de moderne
ideeën maken ze los van alles, ze ontgroeien tegenwoordig te gauw de
ouderlijke tucht. Hoe grooter ze worden, hoe meer egoïst.
--We hebben van nacht een in-treurigen nacht gehad, want ik zei heel
duidelijk mijn opinie aan mijn meisjes.... Misschien heb ik nog al
krasse termen gebruikt, want 't gaf een huilpartij--daar kan ik in 't
geheel niet tegen; dat gegrien irriteert me geweldig, 't beleedigt mijn
aesthetisch gevoel. Toen ze kalmer waren, rekende ik het mijn plicht als
vader, om haar ernstig voor te houden, dat ik van mijn kinderen heel wat
anders had verwacht dan hilariteit. Ze lieten me gewoon praten en gingen
naar bed. In de achterkamer hoorde ik ze giegelen met mekaar;--dat deed
me zeer, maar toen ik m'n tweede dochter, Sophie, schamper hoorde
zeggen:--"Wat 'n zanik--had ie de worst maar liever meegebracht"--toen,
meneer! was m'n lijdensbeker te vol, toen heb ik geschreid, bitter en
lang!
--Niemand troostte me--alleen Karel, die stumperd, was hartelijk voor
z'n vader en die jongen noemen anderen nu: onwijs! De stakkerd was
alleen uit z'n bed gekomen,--#hoe#, mag de goeie hemel weten--en
streelde mijn wangen, zóó, heel zachtjes ... dat is zoo'n eigen manier
van hem, weet u?
--Als ik thuis ben, gebeurt het meer, dat ik zwaarmoedig ben. Dat ziet
de jongen dadelijk aan me, of hij merkt 't als bij intuïtie. Dan worden
zijn oogen zoo goedig, zoo groot en zacht en dan sukkelt ie naar me toe
en drukt zich tegen me aan, net als een trouwe hond, hè? 't Is precies,
alsof ie zeggen wil: Vader, #ik# hou van je, #ik# kom je
troosten--#ik# weet, dat je lijdt. Ach, als die arme jongen maar
spreken kon, was alles zooveel beter--dan zouen ze niet meer zeggen: hij
is suf! dan zouen z'n zusters 'm niet zoo verschoppen.
--Wij hooren nu eerst goed bij mekaar, want #ik# ben ook een
verschoppeling--een uitgelachen artist is niets beters.
--Kom, kom! meneer Holtsman, geen moed verliezen. Je zult deze
teleurstelling wel weer te boven komen.
--N--neen!----n--neen! Hij nam zijn hoed van den grond op en maakte er
een deuk uit.--Ik ben "fini",--de worstacteur--de artist van de
worst--zullen ze mij voortaan noemen. Bah, 't is al te walgelijk!
Een paar malen schudde hij zich als in hevigen afschuw; toen scheen de
crisis voorbij. Hij veranderde van houding en van toon en lei iets
nederigs in zijn stem, terwijl hij vroeg:
--Zou u niet in uw veelgelezen blad--dat was ook de reden van mijn
vroege komst hier--onder de rubriek "kunst" een entre-filet willen
plaatsen, waarin u een scherpe afkeuring uitspreekt over het gebeurde
van gisterenavond? En zou u dan meteen de beleefdheid willen hebben er
op te wijzen, hoe ik nu, totaal onschuldig, het slachtoffer ben
van--zijn gelaat teekende eensklaps afschuw, toorn en minachting--van
een vuile, ploertige studentengrap.
--Als u er dan bijvoegen kon, dat ik als acteur mijn sporen wel heb
verdiend en dat ... maar--hij boog even deemoedig het hoofd--misschien
is 't al te onbescheiden, wat ik vraag--dat ik voor menig
tooneelgezelschap door mijn veeljarige routine, door mijn beschaafd, met
verstand spelen en goed orgaan een aanwinst zou kunnen zijn.
--Ik heb Don César de Bazan, Paljas, Lazaro, IJzervreter, La
Gardére--enfin, u weet wel, alléén éérste rollen gespeeld, maar ik ben
nu niet ongenegen, om in een ander emplooi over te gaan. Als ik maar
eerst ergens voor vast ben, kom ik van zelf weer "au premier plan,"
omdat ze onmiddellijk zullen begrijpen, wat ze aan #mij# hebben.
Hij richtte zich in zijn volle lengte op, zette een hooge borst en trok
langzaam een paar erg oude glacé handschoenen aan. Zijn mimiek was
geheel in overeenstemming met zijn pose, want zijn wenkbrauwen waren
sterk gefronst en de hoekjes van zijn mond omlaag getrokken onder de
zacht bewegende neusvleugels.
--Ik zal probeeren, of ik iets voor u doen kan, maar u begrijpt wel, dat
#ik# niet bij machte ben, om u een engagement te bezorgen.
"Het pogen zelfs is grootsch in 't worstelperk der eer," citeerde hij
met een beminnelijken glimlach en geleidelijke stemverheffing, daarna
meer gewoon:--Ik ben u al vooruit innig dankbaar!
Met een fraaie, goedbestudeerde tooneelbuiging nam hij afscheid. Aan de
deur gekomen, keerde hij zich om, de rechterhand op den deurknop
leggend, één knie vooruit, het hoofd iets achterover.
--Vaarwel, mijnheer! Hij wuifde me toe met de slappe
linkerhand.--Vaarwel!