EEN LAUWERKRANS.

--Mag ik zoo vrij zijn, om u mijn lijst aan te bieden? De lijst voor

mijn benefiet; ik speel "Henri" in Laurierboom en Bedelstaf--Balkon één

gulden vijftig, Loge één gulden vijfentwintig, parterre één gulden.

--O, is ú 't? Ik dacht niet, dat ik....

--U dacht niet, dat u mij zou zien. Ja, weet u, geachte heer, 't is

tegenwoordig uiterst moeilijk om accés te krijgen bij de heeren of

dames; ze dresseeren er hun dienstpersooneel op, om, zoodra zij iemand

zien, die een lijst of zoo iets wenscht aan te bieden, "niet thuis" te

zeggen, of een ander onjuistheid ... en eventjes glimlachend:--Ik ken

die loopjes en daarom pousseer ik eenvoudig mijn kaartje.

--Ah zoo! Maar, neem me niet kwalijk, op uw kaartje staat Mr.

Mansholt--en ik meen u vroeger toch te hebben zien optreden onder den

naam....

--Holtsman? Accoord! dat is mijn "nom de guerre", mijn familie was er

altijd violent tegen, dat ik op de planken ging. Wij behooren tot een

patricische familie en ... enfin! U begrijpt! je wilt geen onnoodige

bisbiljes maken, daarom heb ik destijds mijn naam omgezet.

--Ja, dat klopt! Maar dat Mr.?... Heeft u gestudeerd?

--N ... neen!--dat Mr. beteekent gewoon "Mijnheer." Och, 't is een heel

klein trucje, dat ik me veroorloof. 't Is zoo verbazend moeielijk, de

menschen te spreken te krijgen. Er is zoo bitter weinig animo voor de

kunst. Hij keek somber vóór zich en zei met een weinig gemaakte

tragiek:--Vroeger jaren was 't beter, toen apprécieerde men een acteur,

die conscientieus werkt, die #weet#, wat hij #doet#.

Tegenwoordig moet je potsen maken, om de lui te lokken, of 'n

reklame-man zijn! Daar ben ik niet voor geschikt. Ik ben een te sérieus

artist ... mag ik u noteeren, Balkon? Hoeveel?...

--Geef me liever drie Loges, mijnheer Holtsman.

--Uitstekend, dank u, ... ik zal u eerste rij geven.

Hij haalde uit zijn borstzak een in de lengte toegevouwen, reeds wat

smoezelig papier en terwijl hij één handschoen uittrok en naar een

potloodje grabbelde in zijn vestzakje, keek ik hem eens goed aan.

'k Had hem in vroeger jaren dikwijls zien spelen en hem wel wat

arrogant, maar toch 'n goed acteur gevonden; iemand, die werkelijk zijn

best deed, om door te dringen in de rol, die hij vervulde. Op 't tooneel

was hij steeds een kranige, jeugdige verschijning, een "gentleman", die

zijn uiterlijk verzorgde en goede manieren had. Nu zag ik hem niet op de

planken of voor 't voetlicht, en zooals hij daar voor me stond, in

gewoon, eerlijk daglicht, scheen hij me oud en vervallen. Zijn kleeding

was nog die van een heer, maar ze begon reeds dat zeker iets te krijgen,

dat men gewoonlijk "sjofel" noemt.

Een wijde, koffiebruine overjas met breeden, zwarten astrakankraag en

omslagen aan de op de naden glimmende mouwen, hing ietwat sopperig over

een valig-zwarte, gekleede jas en een geruite pantalon, waaruit zeer

lichtgrijze slobkousen kwamen, zijn lakschoenen halverwege bedekkend.

Zijn breedgeranden, hoogen, grijzen hoed had hij op een stoel gelegd.

Zijn magere hals leek nog dunner, geler en rimpeliger door den wijden,

omgeslagen boord en de lichtblauwe, geelgemoesde das, die met een

zwierigen, lossen strik een eindje over de lapellen van zijn jas hing.

Misschien kreeg door die opzichtige das zijn gelaat den zonderlingen

tint, die mij opviel, maar 't kon ook zijn, dat Mr. Mansholt, nu hij

zelf met zijn lijst rondging, zich, zooals men dat aan het tooneel

noemt--"'n beetje had opgemaakt"; immers het donkere streepje onder zijn

oogleden, en de onnatuurlijk zacht-rose kleur onder de oogen, de iets te

blanke neus, duidden met het donzige waas, dat over zijn geheele gelaat

lag, op "rouge de théatre," "poudre de riz" en O.-I. inkt.

Hij was zorgvuldig, glad geschoren en gefriseerd. De kapper had van het

beetje haar, dat hij nog bezat, kunstvaardig partij getrokken en op zijn

reeds hoogwordend voorhoofd een artistieke lok gelegd, waarin de "coup

de fer" zeer duidelijk zichtbaar was.

Op eenigen afstand gezien, kon hij nog voor een knap man doorgaan; zijn

gelaat was regelmatig gevormd; de neus met een kleine artistocratische

buiging, had zeer bewegelijke vleugels en om den mond lag een soms

bittere trek, die vooral zichtbaar werd, als hij het hoofd in den nek

wierp en met zijn groote donkergrijze oogen "#werkte#", iets, wat

hij voortdurend deed, terwijl hij sprak.

Zijn rijzige gestalte en slank figuur deden hem jonger schijnen, dan hij

werkelijk was, want de vijftig lagen reeds ver achter hem.

Hij had het potloodje gevonden en schreef mijn naam op zijn lijst met

ietwat onvaste hand.

--Heeft u soms ook kennissen of vrienden, liefhebbers van goede kunst,

die u me zou kunnen recommandeeren--en zou u me dan een visitekaartje

willen geven als introductie?... Dat zou me zeer veel goed doen, weet u?

't Is toch zoo moeielijk, om een goed benefiet te maken, als men niet 'n

beetje aanbeveling heeft.

--Kaartjes geef ik nooit, aan niemand, maar....

--O, neem me dan vooral niet kwalijk!--Hij boog even, zette een zeer

deêmoedig gezicht en lei de rechterhand tegen het roode roosje, dat hij

op de linker borst droeg.

--Volstrekt niet, ik zal u eenige namen opgeven.

--Gaarne!

--Ik heb u in langen tijd niet zien optreden, meneer Holtsman; 't laatst

meen ik in het Salon de Variétés--waar is u nu geëngageerd?

--Dat is juist het fatale van de zaak; ik ben sedert eenigen tijd--laat

ik maar zeggen, geruimen tijd--zonder emplooi, en 't is akelig moeilijk,

om 'n geschikte plaats te vinden. Iedere directie past mij niet, want ik

ben er de man niet naar, om me te vergooien. Goddank! daarvoor ben ik te

veel #artist#. 'k Heb aanbiedingen genoeg gehad van kleine

theaters. Dáár wil ik niet spelen en bij de betere, och! daar is 't ook

al misère tegenwoordig; ze geven stukken, waar ik niet in pas en

bovendien, ik kan me toch niet laten terugdringen naar het tweede plan,

door jonge spring-in-'t-veld's die zoogenaamd modern spelen. Ze hebben

heusch geen notie van serieuze kunst, ze draaien, God beter 't, soms

familjaar hun rug naar 't publiek en ze spreken, meneer! alsof ze in hun

huiskamer zitten, Bah!

--Ja, ik herinner me, dat ik u altijd in eerste rollen heb gezien.

--Juist; ik was jaren lang "jeune premier". Hij poseerde, een hand op de

borst leggend, de andere bevallig op de heup houdend, den rechtervoet

een weinig vooruit, het hoofd ietwat achterover. Met een kleine,

schuddende beweging, zoodat de gefriseerde lok op zijn voorhoofd even

schommelde, zei hij:--Ik heb later karakterrollen gespeeld--'k heb ook

gezongen, 'k had een goeden ténorléger; misschien heeft u me wel eens

gehoord in "de scheepsjongen" als Julien. Na een paar lichte kuchjes en

ahem's zong hij:

Ondanks den wind, ondanks de baren!

Ondanks het woeden van de zee,

Zal God den braven zeeman sparen! enz.

O! daarmee had ik altijd succes!

't Viel mij op, dat zijn stem min of meer heesch en beverig was

geworden; hij merkte 't zelf wel en zei pijnlijk glimlachend:

--Ahem! 'k ben nu wat verkouden, maar ik heb nòg een goed geluid, dat

durf ik zeggen. Ik ben nu 'n beetje in 't achterspit, franchementdit. 't

Lot was mij niet gunstig, 'k heb veel pech gehad. 'k Ben laat aan 't

tooneel gekomen, 'k was al bij de dertig. Mijn familie hield me altijd

tegen.--'k Was in een goeie betrekking, maar,--hij tikte even op zijn

borst--hier brandde 't feu-sacré! Ik rederijkte langen tijd, totdat de

drang naar de kunst me te machtig werd. 'k Heb 'n heele poos veel succes

gehad als artist, heel veel!--maar toen heb ik een dwaasheid begaan: 'k

ben gaan trouwen.... Hum! 'n sérieus artist moest eigenlijk nooit

trouwen.... Veel kinderen gekregen, 'n lijdende vrouw, altijd in

finantieele zorgen gezeten. Je wil gentleman blijven, niet waar? Ieder

't zijne geven ... dat knauwt je, meneer--dat ruïneert je énergie! Hij

zuchtte een paar malen.--En dan die moderne richting ... daar kan ik me

niet toe schikken. Ik heb altijd mijn eigen opvatting gehad van spelen

en die hoop ik te blijven behouden, zoolang ik ademhaal. Is dat spelen,

wat ze tegenwoordig doen? Geen zweem van plastiek meer, geen nobele

gestes, geen intonatiën, die van inzicht en studie getuigen. Ze rabbelen

hun rol af als gewone menschen.

Laat een van die jongere grootheden eens verzen zeggen. Je loopt gewoon

de komedie uit, als je 't hoort! Ah, meneer! dat was in mijn tijd

anders, toen wist men wat verzen zeggen was. Je hield rekening met 't

metrum, met den rhythmus, de scandeering. Enfin!--toen was 't kunst, wat

men gaf. Daar heb je bij voorbeeld in Ines de Castro, den Don Pero, die

rol heb ik gespeeld, meneer! gespeeld, dat het publiek letterlijk wég

was--wég, meneer! van schrik en ontzetting!

Hij deed een stap terug, strekte langzaam zijn rechterhand uit, hief die

plechtig omhoog en de twee voorste vingers trillend opstekend, de oogen

ten hemel slaande, reciteerde hij met een stem, die nog hier en daar een

forschen metaalklank had:

Ik zweer op u, mijn voet zal hier geen rust genieten,

Vóór ik het eerloos bloed uws moordenaars zie vlieten,

Zijn pezen knarsen en zijn beenderen kraken hooren,

Zijn lillend ingewand zie in het bloed versmoren.

Hoort u, hoe ik die claus zeg? Ieder woord slaat in het publiek in; je

krijgt zóódoende voeling met je publiek, meneer! Och, dat zoûen ze

tegenwoordig zeggen precies als iemand, die z'n knecht roept om een

kopje thee. Ik kan me niet anders geven dan ik bén en dat 's mijn

ongeluk; bovendien spelen ze die degelijke stukken ook niet meer. 't Is

allemaal licht werk ... comédies, grollen, flauwe blijspelletjes! En dan

't proza, van die nieuwbakken acteurs, och! dat is zoo ellendig, geen

kwestie van gesoigneerde kunst meer. Iedereen meent maar dadelijk

tooneelspeler te zijn. 't Mocht wat!--Ze weten een waarachtig artist

niet meer te waardeeren, meneer! Daarom ben ik ook een heele poos uit de

kunst geweest; ik verchagrineerde me te veel; de directeuren trappen je;

ze willen je voorschrijven, hoe je spelen moet. Dat kan een zelfbewust

artist, zooals ik meen te zijn, niet verdragen--ik opponeerde nu en dan

misschien iets te heftig, maar dat ligt zoo in mijn temperament en ...

't gevolg is, dat je zonder emplooi raakt.

--U zei, dat u een poos van 't tooneel af was!

--Juist, 'k heb een affaire gehad, maar daar deugde ik hoegenaamd niet

voor ... een sigarenwinkel is een heel eerlijke broodwinning, maar voor

een artist--'n gruwel! Ik kon er niet tegen, 't stuitte me tegen de

borst.

Zijn gezicht in een heel andere plooi trekkend en met veranderde stem

begon hij:

--Een dubbeltje zware, van de vijf!

--Asjeblief, lief weertje, meneer--opsteken? Hij glimlachte zoetelijk en

maakte de beweging van 't overreiken eener lucifer.

--Een kwartje van de vier!

--Asjeblief! lief weertje, meneer--opsteken? O, goeie God, meneer, ik

dacht soms uit m'n vel te springen, als ik zoo'n dialoog moest voeren,

en dan al dat gezanik van de klanten:--te zwaar, te licht, niet trekken,

geen witte asch, ruilen, enfin!--ik werd er wee van. Eigenlijk was 't

jammer, want 't zaakje was nog zoo slecht niet, we hadden er brood in.

Mijn vrouw, ze is een jaar geleden gestorven--hier pinkte hij "een

denkbeeldigen traan" weg--kon den winkel waarnemen, als ik hier of daar

offertes maakte. Bah! als ik er nog aan denk, dat ik destijds met zoo'n

paar kistjes onder m'n arm bij mijn kennissen en vroegere collegas

kwam--dan bloosde ik. Waarachtig! ik deed het toen, omdat ik moest....

#Zóó perst de nood zóó dwingt het lot tot buigen!#--reciteerde hij,

eensklaps weer in den tooneeltoon vervallend. Later ben ik nog een poos

geëngageerd geweest in Rotterdam, maar ze zett'en me ook daar den voet

dwars en nu probeer ik het eens met een benefiet; de collega's helpen

me. Als u soms door uw relatiën met het tooneel een emplooi voor me

wist?--Ik zou nu wel in de pére-nobles willen overgaan, desnoods. Mijn

familie is nog bijna geheel en al ten mijnen laste. Ik heb vijf

kinderen.

--Is er nog geen van in betrekking?

--De oudste is kinderjuffrouw, externe. Twee werken er op een

corsettenfabriek, maar ze verdienen een schijntje en de andere twee gaan

nog op school.

--En heeft u geen zoons?

--Eén zoon, meneer! Hij keek een oogenblik zwijgend, met bedroefde oogen

als in de verte, zuchtte diep en zei met zachte stem: 't Is een

stakkerd, meneer, een stumperd!

--Och, in welk opzicht?

--Geen gehemelte, moeilijk loopend, en ze zeggen, dat ie niet heelemaal

wijs is--maar dát is positief niet waar! De doctoren mogen zoo knap

zijn, als ze willen, maar daarin dwalen ze heelemaal. De stakkerd weet

best wat hij doet, maar hij kan zich niet uiten, ten minste niet goed

uiten ... en niemand thuis geeft zich de moeite, om hem te verstaan. Ze

hebben een hekel aan 't kind--kan u je dat nu begrijpen van meisjes?

Zelfs mijn vrouw mocht hem niet en zei altijd:--Charles, doe hem toch in

een gesticht!

--Misschien had ze geen ongelijk; wat kan men voor zoo'n stumpertje

doen? Hoe oud is hij?

--Ruim vijftien jaar! maar hij ziet er uit als twaalf.... 't Is m'n

eenigste jongen. M'n vrouw kreeg drie meisjes achter elkaar--ja, dat was

een bittere déceptie voor me.... 'k Heb aan dat kind heel wat

verdokterd, maar d'r schijnt niets afdoende aan gedaan te kunnen

worden--en nu ben ik de eenige, die hem begrijpt. Hij heeft zulke mooie

donkere oogen, hé! Zoodra hij me ziet, beginnen ze te glimmen ... en de

geluiden, die hij maakt, versta ik heel goed. Waarachtig, hij is niet

onwijs, meneer, ik kan best met 'm redeneeren, maar dat komt, omdat ik

er moeite voor doe. Hij zuchtte diep: wat moet er van hem worden, als ik

er niet meer ben.... Enfin! ik sta hier te praten en ik beroof u van uw

kostbaren tijd.

Plotseling ging hij weer over in den min of meer gezwollen toon, dien

hij aansloeg, zoolang hij niet over zijn jongen sprak. Zijn hoed

opnemend, vroeg hij:--U komt me toch zeker zelf zien--'t is één van

mijn beste rollen. Misschien vindt u aanleiding om een gunstig woordje

over me in de krant te zetten. 'k Zou nu zelfs een zéér bescheiden

appointement aannemen. Adieu, meneer, mijn besten dank voor uw

vriendelijkheid!

Op reis en thuis: Novellen en schetsen · 第 38 / 50 题