Een paar jaren later, ik stond juist op 't punt van naar huis te gaan,
kwam de jongste bediende mijn privé-kantoor binnen met een visitekaartje
en de boodschap: of u een oogenblikje te spreken is?
--Zeker! Zeker! laat mijnheer dadelijk binnenkomen. Ik lei mijn hoed en
handschoenen naast mij neer en trok haastig mijn overjas weer uit, omdat
ik, naar ik meende, een Wethouder der gemeente, die mij de eer van zijn
bezoek gunde, niet in haast mocht ontvangen.
Terwijl de deur voor den bezoeker geopend werd, hoorde ik in het
voorkantoor een onderdrukt gelach, dat mij zeer ongepast scheen, maar
zoodra ik den binnentredende zag, begreep ik alles. Holtsman stond voor
me, even theatraal en gewichtig als vroeger, maar ouder geworden en nog
meer vervallen. Hij droeg een wijde manteljas en hield zijn #mij#
bekenden, hoogen grijzen hoed in de hand.
--O, is u 't?
--Om u te dienen. Een onberispelijke buiging volgde.
--Maar?... ik keek op 't visitekaartje ... ik dacht?
Vóór ik verder spreken kon, was hij mij genaderd en nam met een snelle,
maar zeer beleefde beweging, voorzichtig met duim en vingertop, het
kaartje uit mijn hând:
--Permitteer mij, dat ik mijn talisman weer tot me neem? Hij borg het
kaartje zorgvuldig weg. Ik zou 't voor geen geld ter wereld willen
missen, want het is mijn Sesam-open-u?
--Aha!--nu begrijp ik 't--uw gewone truc.
--Noem het, zooals u wil, mijnheer, maar 't is voor mij een
levenskwestie, dat ik persoonlijk toegang krijg tot menschen van positie
en stand. Och, ik ben wel genoodzaakt zoo'n handigheid te baat te nemen,
de meeste heeren zijn zoo ongenaakbaar; 't is, alsof men bang is voor
een artist.... Ik kom u een vriendelijk verzoek doen. Zijn glimlach werd
zoetelijk.
--Geeft u soms weer een benefiet?
Holstman keek mij min of meer verwijtend aan, strekte de handen,
artistiek gebogen, als afwerend uit, wendde zijn gelaat, waarover een
smartelijke trek gleed, een paar seconden af en zei:
--O, ik bid u, herinner mij niet aan dien vreeselijken avond. Ik ben dàt
leed nòg niet te boven; ik tràcht te vergeten, maar ... ik-kan-niét,
helaas! En na eene kleine kunstpauze:
--N-neen! ik speel niet veel meer, en toch leeft hier,--hij tikte
zachtjes met den rechter-middelvinger op zijn borst--hier, in 't
diepste van mijn binnenste, lièfde voor de kunst; de denkende artist
sluimert slechts een wijle, omdat--voorzichtig rondziende, alsof hij in
een verradersrol op de planken stond: ... Zijn wij hier alléén?
--U kan vrijuit spreken.
--Welaan dan!... omdat de lijfelijke mensch behoeften heeft. Ja, meneer!
't is treurig, maar ik ben weer in den handel moeten gaan. O! 't is met
een blos van schaamte, dat ik 't beken: mijn hart bloedt, mijn geheele
kunstenaarsziel komt in opstand maar ... ik heb een familie, die eten
moet.
Met een mooi tragisch gebaar één hand voor de oogen brengend en in zijn
stem een bitter droeve klank leggend herhaalde hij:--Een huisgezin, dat
fatsoenlijk wil blijven. Ik wil het niet voor iedereen weten, dat ik ...
God het is zoo hard om te zeggen ... een kleine negotie heb. Men kan
immers nooit weten of ik niet weer op het niveau kom, waar ik thuis
hoor. 't Publiek zal toch wel ééns genoeg krijgen van al dat moderne
gespeel, en van die kopjes-thee-stukken, maar "en attendant" moet men
leven--dat's logisch niet waar?
--Zeker!
--Daarom kom ik persoonlijk "en privé"--bij de chefs van groote firma's,
bij bekende kunstbeschermers en menschen van hoogere ontwikkeling. Hun
durf ik vrijmoedig naderen en vragen, ... zijn stem daalde tot
fluisteren:--Zou u van een miskend artist niet een doosje stalen pennen
en wat postpapier willen koopen?
Toen sloeg hij zijn wijde manteljas open en ik zag, dat hij er een
reistaschje onder droeg.
Haastig nam hij er een paar doosjes pennen en een pakje postpapier uit,
lei een en ander op mijn schrijftafel en zei met gebogen hoofd en
afgewend gelaat, zuchtend:
--Ze kosten me ingekocht één gulden ... ik laat met gerustheid aan u
over, wat u er voor betalen wil ... ik ben geen handelsman.
--Meneer Holtsman, u is een diplomaat!
Ik accepteerde de pennen en 't papier en gaf hem een klein bedrag. Met
weergalooze nonchalance liet hij 't zonder na te zien, hoeveel 't was,
in zijn zak glijden, boog eventjes en zei als ter loops:--Dank u zeer!
Toen langzaam:--Mag ik nog iets vragen?
--Welzeker!
--Heeft u ook soms copiëerwerk voor me--ik zou het 's avonds best kunnen
doen; ik schrijf een mooie, loopende hand en grammaticaal.
--'s Avonds? Is u dan heelemaal van 't tooneel af.
--Ja!--dat is te zeggen: Neen!... Ik ... zijn stem trilde iets en, naar
't mij toescheen, ditmaal echt. Zelf speel ik voorloopig niet meer. Er
is tegenwoordig geen plaats voor 'n denkend kunstenaar van rijpe
ervaring; ze hebben liever jonge, grasgroene schreeuwers, die in de
broeikas zijn gekweekt.
--In de broeikas?
--Scholieren van de Tooneelschool, meneer! Bah, wat zijn 't in den
regel? Papegaaien, die nabouwen wat 'r lui wordt voorgesnaterd--van
créatie geen spoor! Ik gevoel me ver boven zulke ... enfin! boven zulke
quasi-beschaafde kakatoes ... maar vooralsnog kun je tegen de strooming
der tijden, de opinies van Regies en Directiën niet op. Ze hebben me
hier en daar willen hebben voor figuratie en voor--hij haalde de
schouders verachtelijk op--voor sloome-duikelaars-werk.
--Duivelstoejager! Merci! Daarvoor is Holtsman te veel artist ... maar
je familie, hè? Ze voelen dat niet, ze houën d'r hand op, alle weken,
zonder te vragen, hoe je er aan komt. Enfin! 't is niet anders; ik heb
dus maar genomen, wat ik krijgen kon.... Och! u kan ik 't wel zeggen: ik
souffleer tegenwoordig!
--Wel zoo en waar!
--Nu eens hier, dan weer dáár--ook niet alle avonden geregeld. Onlangs
ben ik zes weken op Tournée geweest in de provincie; kermis te
Groningen--een série voorstellingen te Zwolle, Kampen, Assen etc. 't Is
niet gemakkelijk om de eindjes bij mekaar te houden, meneer! Vijf
dochters thuis, gezonde eters. Ja! en daarom copiëer ik al muziek,
schrijf rollen uit en van tijd tot tijd régisseer ik bij
liefhebberijgezelschappen. 't Zijn wel meest kantoorbedienden- of
werkliedenvereenigingen, maar die eenvoudige lui appréciëeren je,
hè!--Zulke avonden zijn de oasen in mijn levenswoestijn.
--Is er nog geen van uw dochters getrouwd?
Zijn gelaat betrok, toen hij antwoordde: Ja, helaas! en zuchtend:--De
oudste, maar zij is alweer van haar man af--'n gemeene dronken lap, die
'r met een kind van drie maanden gewoon heeft laten zitten,--Ja, ja! die
heb ik nu ook op m'n dak! 'k Heb nog een schoolgaand meisje en dan één
jongen, 'n stumperd.
--O, ja! dat 's waar, hoe gaat het met hem?
Holtsman's oogen kregen meer uitdrukking, zijn fletse wangen kleurden
even en een klein lachje omspeelde zijn vale lippen, toen hij, een pas
naderbij komend, bijna verheugd zei:--Ik geloof nu dat er eenige kans
is, dat Karel iets zal leeren zeggen. 'k Heb 'm in een inrichting,
meneer! al bijna 'n jaar! 't Is goed voor den stakker, maar ik mis hem
zóó,--alle dagen! Van de anderen nam hij geen notitie, maar voor mij was
ie een-en-al hartelijkheid.
--Zoo'n behandeling is duur. 'k Moet alle weken zes gulden vijftig voor
'm betalen--'t is een heele boel--en als je nu overal nog maar je
négotie kon aanbieden, maar al ben je nu ook nog zoo volkomen vader--je
kunt je als artist toch niet heelemaal vergooien. Zondags mag ik Karel
altijd zien. Ik vind wèl, dat hij iets vooruit gaat. Enfin, ik ben
eigenlijk niet heelemaal bevoegd tot oordeelen, want: ik verstond hem,
zoo gezegd, van z'n geboorte af, maar hij dient toch voor anderen ook
verstaanbaar te zijn ... als ik er eens niet meer ben.
Och, ja!--hij knoopte zijn manteljas langzaam over zijn taschje
dicht,--ik heb veel, heel veel bittere décepties in mijn leven
ondervonden ... als ik nu ten minste maar die ééne satisfactie mocht
hebben, dat mijn jongen 'n beetje spreken leert.
--Ik help 't u wenschen.
--Dank, innigen dank! Eensklaps verviel hij weer in een tooneeltoon, Met
een zekeren zwier nam hij zijn hoed, boog achteruitgaande, bereikte de
deur en zei vóór hij vertrok:
--Als de Hemel 't wil geheugen, zult u me wederzien, mijnheer!