III.

Een paar jaren later, ik stond juist op 't punt van naar huis te gaan,

kwam de jongste bediende mijn privé-kantoor binnen met een visitekaartje

en de boodschap: of u een oogenblikje te spreken is?

--Zeker! Zeker! laat mijnheer dadelijk binnenkomen. Ik lei mijn hoed en

handschoenen naast mij neer en trok haastig mijn overjas weer uit, omdat

ik, naar ik meende, een Wethouder der gemeente, die mij de eer van zijn

bezoek gunde, niet in haast mocht ontvangen.

Terwijl de deur voor den bezoeker geopend werd, hoorde ik in het

voorkantoor een onderdrukt gelach, dat mij zeer ongepast scheen, maar

zoodra ik den binnentredende zag, begreep ik alles. Holtsman stond voor

me, even theatraal en gewichtig als vroeger, maar ouder geworden en nog

meer vervallen. Hij droeg een wijde manteljas en hield zijn #mij#

bekenden, hoogen grijzen hoed in de hand.

--O, is u 't?

--Om u te dienen. Een onberispelijke buiging volgde.

--Maar?... ik keek op 't visitekaartje ... ik dacht?

Vóór ik verder spreken kon, was hij mij genaderd en nam met een snelle,

maar zeer beleefde beweging, voorzichtig met duim en vingertop, het

kaartje uit mijn hând:

--Permitteer mij, dat ik mijn talisman weer tot me neem? Hij borg het

kaartje zorgvuldig weg. Ik zou 't voor geen geld ter wereld willen

missen, want het is mijn Sesam-open-u?

--Aha!--nu begrijp ik 't--uw gewone truc.

--Noem het, zooals u wil, mijnheer, maar 't is voor mij een

levenskwestie, dat ik persoonlijk toegang krijg tot menschen van positie

en stand. Och, ik ben wel genoodzaakt zoo'n handigheid te baat te nemen,

de meeste heeren zijn zoo ongenaakbaar; 't is, alsof men bang is voor

een artist.... Ik kom u een vriendelijk verzoek doen. Zijn glimlach werd

zoetelijk.

--Geeft u soms weer een benefiet?

Holstman keek mij min of meer verwijtend aan, strekte de handen,

artistiek gebogen, als afwerend uit, wendde zijn gelaat, waarover een

smartelijke trek gleed, een paar seconden af en zei:

--O, ik bid u, herinner mij niet aan dien vreeselijken avond. Ik ben dàt

leed nòg niet te boven; ik tràcht te vergeten, maar ... ik-kan-niét,

helaas! En na eene kleine kunstpauze:

--N-neen! ik speel niet veel meer, en toch leeft hier,--hij tikte

zachtjes met den rechter-middelvinger op zijn borst--hier, in 't

diepste van mijn binnenste, lièfde voor de kunst; de denkende artist

sluimert slechts een wijle, omdat--voorzichtig rondziende, alsof hij in

een verradersrol op de planken stond: ... Zijn wij hier alléén?

--U kan vrijuit spreken.

--Welaan dan!... omdat de lijfelijke mensch behoeften heeft. Ja, meneer!

't is treurig, maar ik ben weer in den handel moeten gaan. O! 't is met

een blos van schaamte, dat ik 't beken: mijn hart bloedt, mijn geheele

kunstenaarsziel komt in opstand maar ... ik heb een familie, die eten

moet.

Met een mooi tragisch gebaar één hand voor de oogen brengend en in zijn

stem een bitter droeve klank leggend herhaalde hij:--Een huisgezin, dat

fatsoenlijk wil blijven. Ik wil het niet voor iedereen weten, dat ik ...

God het is zoo hard om te zeggen ... een kleine negotie heb. Men kan

immers nooit weten of ik niet weer op het niveau kom, waar ik thuis

hoor. 't Publiek zal toch wel ééns genoeg krijgen van al dat moderne

gespeel, en van die kopjes-thee-stukken, maar "en attendant" moet men

leven--dat's logisch niet waar?

--Zeker!

--Daarom kom ik persoonlijk "en privé"--bij de chefs van groote firma's,

bij bekende kunstbeschermers en menschen van hoogere ontwikkeling. Hun

durf ik vrijmoedig naderen en vragen, ... zijn stem daalde tot

fluisteren:--Zou u van een miskend artist niet een doosje stalen pennen

en wat postpapier willen koopen?

Toen sloeg hij zijn wijde manteljas open en ik zag, dat hij er een

reistaschje onder droeg.

Haastig nam hij er een paar doosjes pennen en een pakje postpapier uit,

lei een en ander op mijn schrijftafel en zei met gebogen hoofd en

afgewend gelaat, zuchtend:

--Ze kosten me ingekocht één gulden ... ik laat met gerustheid aan u

over, wat u er voor betalen wil ... ik ben geen handelsman.

--Meneer Holtsman, u is een diplomaat!

Ik accepteerde de pennen en 't papier en gaf hem een klein bedrag. Met

weergalooze nonchalance liet hij 't zonder na te zien, hoeveel 't was,

in zijn zak glijden, boog eventjes en zei als ter loops:--Dank u zeer!

Toen langzaam:--Mag ik nog iets vragen?

--Welzeker!

--Heeft u ook soms copiëerwerk voor me--ik zou het 's avonds best kunnen

doen; ik schrijf een mooie, loopende hand en grammaticaal.

--'s Avonds? Is u dan heelemaal van 't tooneel af.

--Ja!--dat is te zeggen: Neen!... Ik ... zijn stem trilde iets en, naar

't mij toescheen, ditmaal echt. Zelf speel ik voorloopig niet meer. Er

is tegenwoordig geen plaats voor 'n denkend kunstenaar van rijpe

ervaring; ze hebben liever jonge, grasgroene schreeuwers, die in de

broeikas zijn gekweekt.

--In de broeikas?

--Scholieren van de Tooneelschool, meneer! Bah, wat zijn 't in den

regel? Papegaaien, die nabouwen wat 'r lui wordt voorgesnaterd--van

créatie geen spoor! Ik gevoel me ver boven zulke ... enfin! boven zulke

quasi-beschaafde kakatoes ... maar vooralsnog kun je tegen de strooming

der tijden, de opinies van Regies en Directiën niet op. Ze hebben me

hier en daar willen hebben voor figuratie en voor--hij haalde de

schouders verachtelijk op--voor sloome-duikelaars-werk.

--Duivelstoejager! Merci! Daarvoor is Holtsman te veel artist ... maar

je familie, hè? Ze voelen dat niet, ze houën d'r hand op, alle weken,

zonder te vragen, hoe je er aan komt. Enfin! 't is niet anders; ik heb

dus maar genomen, wat ik krijgen kon.... Och! u kan ik 't wel zeggen: ik

souffleer tegenwoordig!

--Wel zoo en waar!

--Nu eens hier, dan weer dáár--ook niet alle avonden geregeld. Onlangs

ben ik zes weken op Tournée geweest in de provincie; kermis te

Groningen--een série voorstellingen te Zwolle, Kampen, Assen etc. 't Is

niet gemakkelijk om de eindjes bij mekaar te houden, meneer! Vijf

dochters thuis, gezonde eters. Ja! en daarom copiëer ik al muziek,

schrijf rollen uit en van tijd tot tijd régisseer ik bij

liefhebberijgezelschappen. 't Zijn wel meest kantoorbedienden- of

werkliedenvereenigingen, maar die eenvoudige lui appréciëeren je,

hè!--Zulke avonden zijn de oasen in mijn levenswoestijn.

--Is er nog geen van uw dochters getrouwd?

Zijn gelaat betrok, toen hij antwoordde: Ja, helaas! en zuchtend:--De

oudste, maar zij is alweer van haar man af--'n gemeene dronken lap, die

'r met een kind van drie maanden gewoon heeft laten zitten,--Ja, ja! die

heb ik nu ook op m'n dak! 'k Heb nog een schoolgaand meisje en dan één

jongen, 'n stumperd.

--O, ja! dat 's waar, hoe gaat het met hem?

Holtsman's oogen kregen meer uitdrukking, zijn fletse wangen kleurden

even en een klein lachje omspeelde zijn vale lippen, toen hij, een pas

naderbij komend, bijna verheugd zei:--Ik geloof nu dat er eenige kans

is, dat Karel iets zal leeren zeggen. 'k Heb 'm in een inrichting,

meneer! al bijna 'n jaar! 't Is goed voor den stakker, maar ik mis hem

zóó,--alle dagen! Van de anderen nam hij geen notitie, maar voor mij was

ie een-en-al hartelijkheid.

--Zoo'n behandeling is duur. 'k Moet alle weken zes gulden vijftig voor

'm betalen--'t is een heele boel--en als je nu overal nog maar je

négotie kon aanbieden, maar al ben je nu ook nog zoo volkomen vader--je

kunt je als artist toch niet heelemaal vergooien. Zondags mag ik Karel

altijd zien. Ik vind wèl, dat hij iets vooruit gaat. Enfin, ik ben

eigenlijk niet heelemaal bevoegd tot oordeelen, want: ik verstond hem,

zoo gezegd, van z'n geboorte af, maar hij dient toch voor anderen ook

verstaanbaar te zijn ... als ik er eens niet meer ben.

Och, ja!--hij knoopte zijn manteljas langzaam over zijn taschje

dicht,--ik heb veel, heel veel bittere décepties in mijn leven

ondervonden ... als ik nu ten minste maar die ééne satisfactie mocht

hebben, dat mijn jongen 'n beetje spreken leert.

--Ik help 't u wenschen.

--Dank, innigen dank! Eensklaps verviel hij weer in een tooneeltoon, Met

een zekeren zwier nam hij zijn hoed, boog achteruitgaande, bereikte de

deur en zei vóór hij vertrok:

--Als de Hemel 't wil geheugen, zult u me wederzien, mijnheer!

Op reis en thuis: Novellen en schetsen · 第 40 / 50 题