IV.

Meneer Capelli gaf de zaak echter zoo spoedig nog niet op; hij was te

veel koopman, om niet alle moeite te doen, goede waar voor zijn geld te

krijgen en daarom zond hij reeds 's anderen daags en nog een paar dagen

daarna, verschillende menschen, die beweerden den grooten Dichter van

aangezicht tot aangezicht te hebben gekend, naar Bruins' atelier.

De modelleur kreeg hoe langer hoe meer het land, door de zoo wijd

uiteenloopende meeningen en kritieken, die hij moest aanhooren; hij werd

gejaagd en zenuwachtig, zoodra de schel van het bovenhuis driemaal

tingelde, maar toen er eindelijk twee belletristische dames kwamen, die

elkander haast bij de haren kregen, omdat de oudste beweerde, dat

Muller-zaliger een schippersbaardje en een kaal hoofd had gehad, terwijl

de jongste snikkend volhield, dat "_de lieve man lange, artistieke

lokken droeg_," werd het hem tè benauwd en liep hij in wanhoop de deur

uit, met de woorden:--Moeder, als d'r nu weer iemand komt met 'n

visitekaartje van Capelli, gooi 'm dan vierkant de trappen af!

--Och, Puckie, zei juffrouw Bruin op dien middag tegen den kleinen

décoratieschilder, die zijn dagelijksch kopje koffie bij haar kwam

halen--Sjuul is heelemaal in de war, d'r is geen land met 'm te

bezeilen--'t wordt een mooie boel hier; die akelige dooie

versjesmaker--zij wenkte met haar hoofd in de richting van het atelier,

waarvan de deur openstond--bederft z'n heele humeur. Hij voert geen

steek uit, en als die Fransche mesjeu dat nakende vrouwtje en die rug

van Roosje niet van 'm had gekocht, zoüen we d'r nou heel akelig voór

zitten; dat's ten minste nog een meevallertje geweest. Zij schudde

bedenkelijk 't hoofd:--'t Is bedroevend dat ik 't zeg, maar ik geloof

nou toch ook, dat Sjuul maar in blootigheid moet blijven werken; daar

zit 'n broodje an, want 't is de mode, maar onchristelijk en goddeloos

is 't toch. Heere, Heere, wat leven we in een verdorven tijd!

--Ja, juffrouw, zei Puck, terwijl hij langzaam zijn koffie dronk,--de

wereld is boos en vol zondige wulpschheid en als ik je zoon was zou ik

er m'n voordeel mee doen.

--Hoe zoo dan?

--Wel, ik zou dien dichter ook in de blootigheid, ten voeten uit,

modelleeren, misschien vinden ze dan dat ie lijkt, want zooals 't nu is

gegaan kan ik me best begrijpen, dat Jules half dol wordt. Hij haalde

een papier voor den dag:--Luister eris, ik heb uit aardigheid

opgeschreven, wat al die lui hebben gezegd, en als je nu alles bij

mekaar neemt, weet je precies hoe die zalige verzensmid er bij zijn

leven heeft uitgezien.

Met een leuk gezicht las het ventje: "Volgens het oordeel van vrienden

en vereerders, die den overledene van zeer nabij hebben gekend, had de

begaafde dichter een smal, langwerpig, breed gelaat met vooruitstekende,

wegzinkende jukbeenderen; _kleinen_ mond, die _groot_ was door de

_dikke_, vooruitstekende, saamgeknepen _dunne_ lippen een stompen, spits

opwippenden, rechten arendsneus en een laag voorhoofd, dat hoog, gewelfd

en geniaal was. Zijne uitpuilende oogen zonken weg in de kassen en zijn

ooren waren klein van grootheid. Zijn rond, spits voorhoofd rustte op

een inééngedrongen hals, mager van dikte. Lang artistiek krullend haar

versierde zijn kalen schedel en een schippersbaard en knevel orneerden

zijn gladgeschoren gezicht."--Zie je, juffrouw Bruin, dat is nu 't

résumé van al de opinies.

--'s Jongés, 's jonges! wat 'n raar model, en zou ie d'r nou warentig

zóó hebben uitgezien, Puckie?

--Als je al die lui gelooven wilt, ja--maar misschien was ie nog anders,

dat hangt nou maar af van degene, die hem gekend heeft en.... Stil! wat

is dat? Is Jules in 't atelier?

--Neen! maar ik hoor toch ook iets--d'r valt wat, d'r is toch iemand

bezig ... 'k zal 'ris even gaan kijken.... Zij slofte naar voren.

De kleine decoratieschilder bleef rustig zijn pijpje zitten rooken en

schonk zich nog eens in, terwijl de oude vrouw de kamer had verlaten,

maar met één sprong was hij, een oogenblik daarna, bij haar toen hij

haar met verschrikte bevende stem hoorde roepen:

--O, mens! O, Heere! Tommy,--ommy, wat begin je me nou. O, Puckie! kom

eris gauw hier, dat's me een geschiedenis!!

--Wat is er an de hand, juffrouw?

--O, genade! wat 'n ding!

In 't atelier stond de oude vrouw en keek met groote angstige oogen naar

de buste; de kat namelijk had een sprong gedaan en in haar vaart een

langen stok omgesmeten, die tegen Muller's kop was terecht gekomen en in

de nog weeke klei een deuk had gemaakt.

--Zoo'n stinkende kat! Allo, ketsch! Vort! schreeuwde Puck en schopte

met zijn korte beentjes een bankje voort, maar Tom, met dikken, hoogen

rug wreef zich tegen een stoel.

--Neen, doe 'm niks! 't Stomme dier kan 't toch niet helpen; kom hier

m'n poessie! 't Is zoo'n goeie lobbes--zij nam de kat op--'k zal 'm zoo

lang in 't keukentje opsluiten, want als Sjuul thuis komt en 't merkt,

krijgt ie d'r van langs. Sjuul heit toch al zoo 't land aan Tom,

nietwaar lievert? Met de poes in haar armen bekeek ze de buste:--'t Is

nogal goed afgeloopen, hij had heelemaal kapot kunne weze.

--'t Is wat moois, bromde de kleine en drukte zooveel hij kon de klei

weer in haar fatsoen;--dat moet er nou nog bij komen!

--Gauw! naar achteren, gauw! daar hoor ik Sjuul op de trap. Laat maar

staan, Puck! kom mee, laat 't 'm in Godsnaam niet dadelijk merken; hij

is toch al zoo uit z'n humeur. Hier! pak an, gooi dien doek d'r maar

zoolang over, gauw dan! O, heere, heere! Wat 'n gedoe met dat miserabele

ding!

In een oogwenk zaten beiden, alsof er niets gebeurd was weer bij de

koffie en de kat in de keuken.

Angstig luisterden ze, want Bruin was niet alleen, ze hoorden hem met

iemand spreken.

--Wie zou ie bij 'm hebben? vroeg fluisterend de juffrouw.

--Misschien weer een kijker, een criticus.

O goeie genade, dan merkt ie 't direkt, dan hebben we de poppen aan 't

dansen.

Juffrouw Bruin stond op en luisterde, voorzichtig de kamerdeur op een

kiertje houdend. Puck rookte en zweeg, afwachtend en vragend naar haar

ziende.

--O! zei ze eindelijk,--'t is onze huisheer maar....

--Stil! sjuut...!

Bruin stond in 't atelier en sprak tamelijk luid.

--M'n goeie meneer Apels, ik geef u volkomen gelijk--'t is heel beroerd

als je zoo telkens teleurgesteld wordt, maar ik kan 't waarachtig niet

helpen--'t is slap tegenwoordig met 't werk. Gelukkig kan ik u ten

minste iets geven vandaag,--'k heb een Venusje verkocht en over een dag

of wat hoop ik weer wat te krijgen, ten minste als dat ding--hij keek

naar de buste ... wat duivel, wie heeft daar dien doek over gegooid?

Hij nam den doek er af en bleef een oogenblik verbluft staan, toen hij

Muller's buste zag.

Voor hij evenwel iets verder zeggen kon, nam de huisheer het woord en

zei, met minachtend gebaar op de klei-pop wijzend:

--Dat's ook een mooie jongen geweest, die Muller.

--Hè, wat?--U zegt Muller, hoor ik goed?

--Ja natuurlijk, is 't 'm dan niet? 'k Bedoel de dichter, die is 't

immers?

--Ja zeker! zeker! maar....

Hij lijkt sprekend:

--Zoo-o! Ei!

--Frappant!

Bruin bleef met groote, verwonderde oogen èn buste, èn huisheer

aankijken en zei niemendal, omdat hij een sensatie had, alsof iemand hem

balsem in de ooren goot. Hij luisterde, terwijl zijn gelaat meer en meer

opklaarde.

--Je hebt 'm goed getroffen, die lamme vent! 'k Moet nog een half jaar

huur van 'm hebben--'t zat er nooit bij 'm an, maar praatjes had die

scheefneus genoeg.

--Hè, wat! O, hum! Ja, zoo! Scheefneus zeit u?

--Ja, zeker! Z'n neus stond scheef voor z'n kop, precies zooals je 'm

daar gemaakt hebt--verduiveld goed, 't is alsof ie leeft.--Mooi!

O, zoo! Jawel, dank U! Bruin kreeg een gevoel, alsof hij ineens vliegen

kon.

-------------------------------------------------------------------------

Toen de heer Apels vertrokken was, stoof de modelleur de achterkamer

binnen en vroeg lachend: Zeg eris, wat is er met m'n klei-pop gebeurd

terwijl ik weg was? En zijn moeder, die alles had gehoord en zich ook

veel lichter voelde dan een oogenblik te voren, zei haperend--ze was

toch nog eenigszins bang voor de veiligheid van haar Tom:--'t Stomme

dier kon 't heusch niet helpen, Sjuul; hij zat zeker een muissie na ...

en zij vertelde hoe alles zich had toegedragen; maar toen ze eindigde

met te zeggen:--Wat 'n toeval, hè nou lijkt ie ineens? zei Puck hoog

ernstig:

--Neen, m'n beste juffrouw! 't Is hier geen bloot toeval; 't is de

inwerking van Muller's geest, die niet velen kon, dat z'n aardsche

tabernakel zoo verkeerd werd afgebeeld. U gelooft toch immers ook aan de

metempsychosis?

--Aan de wat, Puckie?

Aan de zielsverhuizing. Heeft u niet gehoord, hoe vreemd Tom sedert een

paar dagen heeft gemiauwd--en vooral van morgen?

--Ja, 't beessie deê wel raar, maar ik dacht, dat 't door de warmte was,

of....

--Neen, dat waren de zoetvloeiende zangen van den poëet, die niet goed

door die kat heen wouen, maar voor den sprong had Muller's geest kracht

genoeg!

--"Flauw wurm, hou je nou je mond, 't is welletjes", lachte de modelleur

en even teruggaande in 't atelier haalde hij de photo en zei:

--Dáár! kijk nou zelf, 't is niet te zien hierop; dat beroerde

Rembrandtieke licht liegt altijd, daar kan geen kat uit wijs worden!

--Niet? En mijn Tommie dan? riep triomfantelijk de oude juffrouw. Ze

haalde de poes, die angstig mauwde achter de keukendeur, hield hem in

haar armen voor haar zoon en zei:--Sjuul! jij mag 't stomme dier wel

bedanken.--Ja, lekkere Torn, kom jij maar hier, lieveling! Jij alléén

heb meer verstand, dan al die snuggere bolle samen!

Op reis en thuis: Novellen en schetsen · 第 37 / 50 题