III.

--Oeff! deed Bruin, toen de heeren 't atelier verlaten hadden.--Pff! wat

'n geleerdheid, 'k snap er geen steek van--hij wil er in zien, wat niet

gezien kan worden, niet zien wat ie voelen kan--daar mag Joost uit wijs

worden ... hij ging in den fauteuil zitten, nam opnieuw de photo en

vergeleek die nog eens nauwkeurig met het kleimodel.--'k Laat me villen,

als ik weet, wat er aan scheelt; die beroerde Versjesmaker _wil_ maar

niet lijken ... 'k weet toch zoo zeker, dat ik de photo conscientieus

heb gevolgd, maar toch hebben ze gelijk: dáár in den neus zit de

fout--wat blikslagers, kan 't toch wezen?

Nog eens en nog eens weer bekeek hij zijn werk, greep een

boetseerhoutje, toetste hier en daar wat aan den kop, nam distantie,

keek dan weer vlak bij van links en van rechts, en eindelijk, knorrig en

zenuwachtig geworden, smeet hij met een vloek portret en stokje vóór

zich uit, ver door de kamer.

Juist ging de deur open, een vlugge hand ving 't stokje op en een

vroolijke stem riep:--Heé heé! is dat 'n manier, ouwe jongen?

--O, Karel, ben jij 't? Kom binnen!

--Jawel, ik ben 't en je buurjongentje, Puckie, is vlak achter me.

--Zoo, wurm, kom jij ook 'ris kijken?

--Ja, sliert! En ik kom een beetje tabak halen, heb je nog, zei een

klein dik ventje, met een erg wijd, sopperighangend geruit broekje aan,

dat uit een fluweelen jacquet over een paar versleten gele fietsschoenen

hing.

--Kijk maar in den pot, misschien is er nog shag in.

--'k Schoot niet op vandaag en ik kreeg 't land, daarom loop ik eens

over en kom je Verzenpallurk nog 'ris kijken.

--Nou, d'r is geen moois an, hoor!

--'k Wou hier in, maar je ouwe mensch hield me tegen, omdat de OOMES er

waren. Puckie zat al bij d'r koffie te lebberen, niet waar, wurm?

--Ja, jouw koffie.--Zeg, sliert, ik heb ze gehad en hij had ze _willen_

hebben.... Wat is je ouwe vrouw mopperig--en hoe vonden de "heeren" je

kop?

--Nou, maar zóó--zóó; de eene vond 'm te dit, de ander te dàt.--Och! ze

hebben me een poos geamuseerd met d'r lui gewauwel, maar eindelijk

hebben ze me nijdig gemaakt--de duivel mag dan ook weten, wat er aan

dien neus scheelt--kijk jij nu 'ris, Karel--daar leit 't portret bij de

deur. Toe, Puckie, raap jij 't is op, jij bent 't dichtst bij den

vloer....

--Ja ... en jij 't laagst bij den grond,--grinnikte het ventje, maar

zocht meteen de photo op en gaf die aan Karel.

Met hun drieën bekeken zij nu aandachtig Muller's buste, een heele poos,

zwijgend, met kritische oogen. Eindelijk zei Karel:--ik snap d'r niks

van, 't ding zit toch best in mekaar en 't is goed gedaan naar 't

portret. Puck nam een stukje klei, rolde er handig een klein balletje

van, plakte dat op Muller's neus en streek er met zijn natgemaakten

vinger overheen, met schuins gehouden hoofd kijkend, hoe 't deed. Bruin,

die de photographie in handen had, riep eensklaps:--D'r af, Puckie! Gauw

d'r af! Zóó is 't heelemaal donderen--veel te dikke ponem. Neen, dàt is

't ware niet!

--Geef 'ris hier, Jules; de kleine nam de photo uit Bruin's handen, ging

er meê bij 't venster staan, keek met ingespannen aandacht en riep

eindelijk snerpend:--Wat sakkerloot! d'r is aan dien ponem (neus)

geretoucheerd.

--Hè! is 't waarachtig?

--Wat ik je brom, hoor! d'r is aan geknoeid--God weet, hoe 'n

kinderklomp die vrijer voor z'n kop heeft gehad--ze hebben 'm mooier

gemaakt, dan ie was--mijn kop af, als 't _niet_ zoo is!

--Maar Puck, wat zou ie dan wel voor 'n snuit gehad hebben? Geef 'ris

op! Karel nam 't portret uit Puckies vingers, keek ook met alle

oplettendheid en zei:--Jules, gooi eris links een moppie klei tegen z'n

gevel--en zet vóórop een klein korreltje met 'n deukie.

Bruin deed zooals Karel zei, maar vóór hij er mee klaar was, riep Puck

teleurgesteld:

--Mis, 't deugt niet, nou lijkt ie zelfs niet meer op 't photo'tje.

--Dan maar d'r af! Bruin bracht Muller's neus weer tot den primitieven

vorm terug en zei knorrig:--Dat beroerde ding verveelt me, 'k heb er al

acht dagen aan gewerkt en als ik geen "en face" heb, breng ik er nooit

wat van terecht.

--Hou nou eens even je gemak, ik geloof, dat ik er ben!

Karel riep Bruin bij zich, vlak voor 't venster.--Kijk! zie je daar die

retouche--geef je loup eris--nou, kijk nou zelf; ze hebben 'n eind van

z'n kajim afgenomen.

--Waarachtig dat lijkt wel.

Puck stond op zijn teenen bij de anderen en vroeg:--Laat me ook eris

kijken, ik kan d'r zóó niet bij.

--Kom hier, hobbelbroek, kijk!--Bruin pakte 't ventje eensklaps beet en

tilde hem op.

--D'r is van voren wat afgehaald en aan de eene zij bijgebracht. Die

neus is goed, om iemand gek te maken!... riep Puck.

Bruin zette hem weer op den grond; hij liep naar de buste; duwde den

neus wat in elkaar, rondde hem aan één kant af en vroeg: "Is ie zóó

beter?"

--Neen, schei maar uit; je bent ook al geen professor, blijf maar bij je

decoraties--die schilder je ten minste nogal dragelijk.

--Dankje wel! Puckie tikte met één vinger aan zijn slappen hoed,--ik zal

je groeten--God geve je sterkte met dien mooien jongen dáár--misschien

komt van nacht z'n geest en maakt zelf z'n facie in orde--Dà-ag!

--Dag hobbelbroek!

--Dà-ag!

Karel, meer serieus artiest, bleef nog een poosje met Bruin aan 't

zoeken, maar eindelijk gaven ze 't beiden op.

--Ik zou niet graag zoo'n koopie snappen, Bruin; als ik 'n dingetje

schilder, heb ik er lang niet zóóveel gehaspel mee.

--Och! schei uit, 'k ben misselijk van dien Muller--kijk die beroerde

kerel daar nou staan--Is 't niet of ie me uitlacht?--Goddorie, kerel! ik

wou, dat jij nooit beroemd was geworden, dan had je mij niet zoo

verveeld--wat is 't toch lam, als je voor zoo'n paar ellendige guldens

je tijd moet verknoeien aan zoo'n leelijke, vieze, ouwe mannenkop,

terwijl er zoo'n eeuwige boel mooie vrouwen zijn, die je

inspireeren.--Allo, vent, ga mee--'k heb er m'n buik van vol--neen, ik

moet er juist m'n buik dóór vol krijgen, anders gooide ik dien Muller

tegen die vervelende wijze kerels, dat de kluiten om der ooren stoven!

--Jules, je wordt landerig. Komaan, ouwe jongen, ga meê--dan pakken we

samen een borrel--ik heb vandaag een résédatje voor je over.

--Mooi, vooruit dan!--Ajuus, leelijke ouwe verzenpikker--dáár!--Bruin

trok zijn kiel uit en smeet die opgerold naar de buste.

--Pas op, je klei is nog week!

--Och, 't beroerde ding kan me niks meer schelen. Kom meê!

Op reis en thuis: Novellen en schetsen · 第 36 / 50 题