--Oeff! deed Bruin, toen de heeren 't atelier verlaten hadden.--Pff! wat
'n geleerdheid, 'k snap er geen steek van--hij wil er in zien, wat niet
gezien kan worden, niet zien wat ie voelen kan--daar mag Joost uit wijs
worden ... hij ging in den fauteuil zitten, nam opnieuw de photo en
vergeleek die nog eens nauwkeurig met het kleimodel.--'k Laat me villen,
als ik weet, wat er aan scheelt; die beroerde Versjesmaker _wil_ maar
niet lijken ... 'k weet toch zoo zeker, dat ik de photo conscientieus
heb gevolgd, maar toch hebben ze gelijk: dáár in den neus zit de
fout--wat blikslagers, kan 't toch wezen?
Nog eens en nog eens weer bekeek hij zijn werk, greep een
boetseerhoutje, toetste hier en daar wat aan den kop, nam distantie,
keek dan weer vlak bij van links en van rechts, en eindelijk, knorrig en
zenuwachtig geworden, smeet hij met een vloek portret en stokje vóór
zich uit, ver door de kamer.
Juist ging de deur open, een vlugge hand ving 't stokje op en een
vroolijke stem riep:--Heé heé! is dat 'n manier, ouwe jongen?
--O, Karel, ben jij 't? Kom binnen!
--Jawel, ik ben 't en je buurjongentje, Puckie, is vlak achter me.
--Zoo, wurm, kom jij ook 'ris kijken?
--Ja, sliert! En ik kom een beetje tabak halen, heb je nog, zei een
klein dik ventje, met een erg wijd, sopperighangend geruit broekje aan,
dat uit een fluweelen jacquet over een paar versleten gele fietsschoenen
hing.
--Kijk maar in den pot, misschien is er nog shag in.
--'k Schoot niet op vandaag en ik kreeg 't land, daarom loop ik eens
over en kom je Verzenpallurk nog 'ris kijken.
--Nou, d'r is geen moois an, hoor!
--'k Wou hier in, maar je ouwe mensch hield me tegen, omdat de OOMES er
waren. Puckie zat al bij d'r koffie te lebberen, niet waar, wurm?
--Ja, jouw koffie.--Zeg, sliert, ik heb ze gehad en hij had ze _willen_
hebben.... Wat is je ouwe vrouw mopperig--en hoe vonden de "heeren" je
kop?
--Nou, maar zóó--zóó; de eene vond 'm te dit, de ander te dàt.--Och! ze
hebben me een poos geamuseerd met d'r lui gewauwel, maar eindelijk
hebben ze me nijdig gemaakt--de duivel mag dan ook weten, wat er aan
dien neus scheelt--kijk jij nu 'ris, Karel--daar leit 't portret bij de
deur. Toe, Puckie, raap jij 't is op, jij bent 't dichtst bij den
vloer....
--Ja ... en jij 't laagst bij den grond,--grinnikte het ventje, maar
zocht meteen de photo op en gaf die aan Karel.
Met hun drieën bekeken zij nu aandachtig Muller's buste, een heele poos,
zwijgend, met kritische oogen. Eindelijk zei Karel:--ik snap d'r niks
van, 't ding zit toch best in mekaar en 't is goed gedaan naar 't
portret. Puck nam een stukje klei, rolde er handig een klein balletje
van, plakte dat op Muller's neus en streek er met zijn natgemaakten
vinger overheen, met schuins gehouden hoofd kijkend, hoe 't deed. Bruin,
die de photographie in handen had, riep eensklaps:--D'r af, Puckie! Gauw
d'r af! Zóó is 't heelemaal donderen--veel te dikke ponem. Neen, dàt is
't ware niet!
--Geef 'ris hier, Jules; de kleine nam de photo uit Bruin's handen, ging
er meê bij 't venster staan, keek met ingespannen aandacht en riep
eindelijk snerpend:--Wat sakkerloot! d'r is aan dien ponem (neus)
geretoucheerd.
--Hè! is 't waarachtig?
--Wat ik je brom, hoor! d'r is aan geknoeid--God weet, hoe 'n
kinderklomp die vrijer voor z'n kop heeft gehad--ze hebben 'm mooier
gemaakt, dan ie was--mijn kop af, als 't _niet_ zoo is!
--Maar Puck, wat zou ie dan wel voor 'n snuit gehad hebben? Geef 'ris
op! Karel nam 't portret uit Puckies vingers, keek ook met alle
oplettendheid en zei:--Jules, gooi eris links een moppie klei tegen z'n
gevel--en zet vóórop een klein korreltje met 'n deukie.
Bruin deed zooals Karel zei, maar vóór hij er mee klaar was, riep Puck
teleurgesteld:
--Mis, 't deugt niet, nou lijkt ie zelfs niet meer op 't photo'tje.
--Dan maar d'r af! Bruin bracht Muller's neus weer tot den primitieven
vorm terug en zei knorrig:--Dat beroerde ding verveelt me, 'k heb er al
acht dagen aan gewerkt en als ik geen "en face" heb, breng ik er nooit
wat van terecht.
--Hou nou eens even je gemak, ik geloof, dat ik er ben!
Karel riep Bruin bij zich, vlak voor 't venster.--Kijk! zie je daar die
retouche--geef je loup eris--nou, kijk nou zelf; ze hebben 'n eind van
z'n kajim afgenomen.
--Waarachtig dat lijkt wel.
Puck stond op zijn teenen bij de anderen en vroeg:--Laat me ook eris
kijken, ik kan d'r zóó niet bij.
--Kom hier, hobbelbroek, kijk!--Bruin pakte 't ventje eensklaps beet en
tilde hem op.
--D'r is van voren wat afgehaald en aan de eene zij bijgebracht. Die
neus is goed, om iemand gek te maken!... riep Puck.
Bruin zette hem weer op den grond; hij liep naar de buste; duwde den
neus wat in elkaar, rondde hem aan één kant af en vroeg: "Is ie zóó
beter?"
--Neen, schei maar uit; je bent ook al geen professor, blijf maar bij je
decoraties--die schilder je ten minste nogal dragelijk.
--Dankje wel! Puckie tikte met één vinger aan zijn slappen hoed,--ik zal
je groeten--God geve je sterkte met dien mooien jongen dáár--misschien
komt van nacht z'n geest en maakt zelf z'n facie in orde--Dà-ag!
--Dag hobbelbroek!
--Dà-ag!
Karel, meer serieus artiest, bleef nog een poosje met Bruin aan 't
zoeken, maar eindelijk gaven ze 't beiden op.
--Ik zou niet graag zoo'n koopie snappen, Bruin; als ik 'n dingetje
schilder, heb ik er lang niet zóóveel gehaspel mee.
--Och! schei uit, 'k ben misselijk van dien Muller--kijk die beroerde
kerel daar nou staan--Is 't niet of ie me uitlacht?--Goddorie, kerel! ik
wou, dat jij nooit beroemd was geworden, dan had je mij niet zoo
verveeld--wat is 't toch lam, als je voor zoo'n paar ellendige guldens
je tijd moet verknoeien aan zoo'n leelijke, vieze, ouwe mannenkop,
terwijl er zoo'n eeuwige boel mooie vrouwen zijn, die je
inspireeren.--Allo, vent, ga mee--'k heb er m'n buik van vol--neen, ik
moet er juist m'n buik dóór vol krijgen, anders gooide ik dien Muller
tegen die vervelende wijze kerels, dat de kluiten om der ooren stoven!
--Jules, je wordt landerig. Komaan, ouwe jongen, ga meê--dan pakken we
samen een borrel--ik heb vandaag een résédatje voor je over.
--Mooi, vooruit dan!--Ajuus, leelijke ouwe verzenpikker--dáár!--Bruin
trok zijn kiel uit en smeet die opgerold naar de buste.
--Pas op, je klei is nog week!
--Och, 't beroerde ding kan me niks meer schelen. Kom meê!