II.

De buste stond op 't atelier in schets, 't was eigenlijk meer dan een

schets, zoo mooi was ze uitgevallen.

Capelli zou dien dag met een paar vrienden van den overledene komen, om

te zien hoe de gelijkenis was.

Bruin had den natten doek er af genomen en bekeek aandachtig, met het

portret in de hand, zijn werk, nu en dan hier of daar even iets aan de

klei veranderend of afnemend met een klein boetseerstokje.

Hij was er zelf nog al voldaan over, al kon hij niet weten of de

gelijkenis volkomen goed was. Zijn moeder stond naast hem met de kat in

haar armen en bromde--'t mensch bromde altijd:

--'t Is toch eeuwig zonde zoo als jij je tijd verleutert. Nou werk je al

een week lang aan dat lamme ding en wat verdien je er an? 't Is de peine

niet waard. Sjuul, Sjuul! als jij zoo doet, komen we nooit uit de

armzaligheid. Is dat ding nou nog niet goed voor die "dikke."

Zij kon den naam Capelli niet goed onthouden.

--'t Is toch precies, zooals ie op 't portret staat.... Stil poessie,

we gaan zoo naar de keuken--nou, stil dan liefie, je weet wel, hier op

't atelier mag je niet rond loope, dat wil Sjuul niet hebbe--nou stil

dan Tommie!

--Och, moeder, doe toch die nare kat naar achteren, dat beest is zoo

wild; verleden week heeft ie 'n beeldje omgesprongen, dat me 'n hoop

moeite kostte; 't was totaal weg!

--Nou ja, 'k hou 'm immers vast ... zeurde de oude vrouw.--Tommie, de

baas kan je niet lijen, stom dier, maar de vrouw wel. Zeg, Sjuul, heb je

nou geld voor den huisheer, de belasting moet ook betaald worden en de

kruidenier moet ook al elf gulden hebben; dan bennen ze d'r geweest van

de....

--Och, moeder hou op!--'k heb nog 'n paar kwartjes in m'n zak, dat 's

alles, maar zoodra ik dit ding heb afgeleverd, zal ik je geld geven.

--Sjuul! je doet veels te veel moeite voor die dikke, je had in dien

tijd, dat je aan die kop werkte meer kunnen verdienen, want 't was

casueel, hé? Nou kwam d'r juistement werk ... zeg nou maar: 't is af en

knoei d'r niet langer an.

--Zeur toch niet ouwe, je begrijpt er geen steek van--je weet niet wat

een artist is ... ik kan 't niet zóó afleveren, 't ding bevalt me nog

niet heelemaal!

--Nou ja, zóó fijn zullen ze toch ook niet kijken, 't is immers mooi

genoeg voor 't geld. Stil Tommie! Jij leit veel te lang aan zoo'n ding

te hannessen ... blijf d'r nou dan toch af met je vingers, wat je er aan

de ééne kant opplakt, krab je d'r aan de andere kant weer af ... dat is

monnikenwerk....

--Daar wordt gescheld, moeder! Ga nou asjeblieft heen en zorg dat er

niemand anders boven komt, dan die heeren.

Een gestommel op de trap, een stuk of wat zuchten en kuchende geluiden,

en aangevoerd door den blazenden en hijgenden Giovanni Capelli, betrad

een viertal heeren Bruins' atelier.

--Pff! Poeh! Wat 'n toren! Ga binnen heeren!

--Verbazend hoog!

--Hé, hé!

--Een opstijging in optima forma!

--Mag ik u voorstellen, heeren! Mijn speciale vriend Jules Bruin, 'n

veelbelovend talent, modelleur, beeldhouwer,--Mijnheer Drogers,

letterkundige, Mijnheer Coquenard, particulier, Mijnheer Assman,

criticus van De Morgenster en de Kunstbode.--Dr. Operling--recensent van

de Dichtwarande--zelf ook beroemd door zijn verzen.

--Aangenaam! zei Bruin.

--Engeném! Meneer Drogers boog stijfjes het hoofd.

--Charmé! Een hartelijke handschudding van den heer Coquenard.

--Aangenaam kennis te maken! Twee vingers van den criticus raakten even

Bruins hand aan.

Dr. Operling zei niets, maar hij liet zijn hoofd als een geknakte bloem

op zijn gesteven overhemd vallen, even steunend.

--Daar zijn we nu,--zei Capelli, zijn hoed en stok op een stoel

leggend:--Je hebt toch mijn briefkaart ontvangen, niet waar?

--Zeker!

--We stonden juist op 't punt hierheen te gaan, toen mijn vriend

Coquenard 't magazijn kwam inloopen. Zoodra hij hoorde, wat we bij je

gingen doen, zei hij: dan ga ik mee, want Muller was een intieme, goeie

vriend van me, niet waar Coquenard?

--Zeker 's--Oui certainement, 'k 'ebbe monsieur Mullere so dikwijlse

keziee. O! 'ij was 'n éminente poéte--un homme charmant. Isse dat

y?--Hij wees op de buste.

--Ja! vindt u dat hij lijkt--wacht! ik zal 't gordijn dáár 'n beetje

laten zakken, de zon is wat fel--dat doet niet goed; de reflex van die

witte huizen aan den overkant hindert.

--O, ne faites pas de façons--ikke kan eele koete sien, hm! hm!

Giovanni draaide als een kat om een stuk spek een paar malen rondom de

buste, bekeek haar oplettend, voelde even, heel voorzichtig, met den

vinger langs de nog vochtige klei en zei in zichzelven: 't Is goed

gedaan, 't zit flink in mekaar;--toen, luid:--Nu, wat zeggen de heeren

er van;--is 't Muller?

Monsieur Coquenard, die intusschen 't atelier rondwandelde, scheen hem

niet te hooren, omdat hij zich in Roosje's rug verlustigde en zijn oogen

niet kon afhouden van een kleine Venus-callipigos, die hem verleidelijk

scheen toe te lonken.

Capelli nam intusschen Bruin even apart en zei:--ik breng je daar drie

eminente lui--Mr. Drogers is één kluit geleerdheid--een man die je als

artist heel nuttig kan zijn--en Assman en Dr. Operling, hm!--hij kuste

zijn vingertoppen--zijn critici, zooals er maar weinig zijn. Zij

behandelen alles wat kunst is. Sculptuur, muziek, tooneel-,

schilderkunst, enfin alles en ... zie je, niet ouderwetsch, om den dood

niet! Modern vat je? Kranig; Assman vóóral zet niet één, maar twee

puntjes op de i.... Je moet je voordeel doen, vriend, met deze

gelegenheid. Assman kan je onwaardeerbare wenken geven waarvan je als

jong artist ontzaggelijk kunt profiteeren; 't is heusch waar, zoo'n

kennismaking is wel een buste waard.

--Wèl, wèl! zei Bruin en keek met een benauwd wantrouwen naar den

kunstcriticus, die, na met een diepzinnig gelaat het atelier te hebben

rondgekeken, zonder plichtplegingen in den grooten lederen fauteuil was

gaan zitten, die tegenover de piedestal met Muller's buste stond; hij

zonk er in weg als 't ware.

Met de beenen over elkander, achterover geleund, drukte hij zijn hals en

kin vóór in zijn hoogen staanden boord, zoodat zijn wangen over den

boord kwabden, zette langzaam een gouden pince-nez op, trok nadenkend

een paar malen aan het puntige bakkebaardje, dat zijn kin versierde en

zei, gewichtig de wenkbrauwen fronsend, met neergetrokken

mondhoeken:--Hum, hum! hum!

Dr. Operling stond achter den stoel met gekruiste armen, somber voor

zich uit te staren en zei niets.

Capelli keek de critici vragend aan, zei ook: hum! hum, hum! en de heer

Drogers, die op een afstand stond en de rechterhand boven de oogen

hield, alsof hij in de verte een zonnig landschap of een schilderij

wilde beschouwen, liet na een geleerd hum, hum, hum! een beschroomd

lachje hooren, waarin iets blatends klonk. De Franschman was inmiddels

alweer bij Roosje's torso en de Venus; 't was alsof hij aan die twee

naaktstudies smulde.

--Maar Coquenard, kijk nu toch eerst eens naar de buste? vroeg Capelli

verwijtend.--Jij als leek kunt misschien nog het objectiefst oordeelen,

jij bent hier de Vox populi!

--Ah, oui! certainement--ik ebbe dadelijk kezien datte monsieur Muller

wasse, zei hij als terloops en keerde zich weer om, magnetisch

aangetrokken door de kleine Venus-figuur, die op een tafeltje

stond:--Admirable, mooie meid! zei hij in zichzelf en toen luid:

Monsieur Bruin, isse dat naare levend model?

--Natuurlijk!

--'Eele mooie vrouw, superbe forme--wone dat meissie 'iere in die

stadte?

--'t Is 'n beetje geïdealiseerd natuurlijk, glimlachte de artist.

--O, maar toch en réalité bepaald 'eele skoon meissie.

--Kom, Coquenard! ouwe snoeper, kijk nu liever naar Muller--lijkt ie?

--Décidément--maare als ij een 'oed oppe 'adde, zou ik beter kan

zekke--ik 'ebbe 'm nooit tête nue kezien, altijd met zijnen chapeau--zoo

kroote 'ooge 'oed!

--Och kerel, je zeurt! Capelli werd knorrig, maar vroeg niet meer, omdat

mijnheer Drogers, die een paar malen eenige stappen voor- en achteruit

gedaan had, steeds met door de hand beschaduwde oogen, de buste

beziende, eensklaps zijn min of meer geaffecteerde stem verhief en

verklaarde:

--Ik ben misschien geen bevoegd beoordeelaer, wèt de èrtistieke

uitvoering betreft, wènt ik ben niet meer den een kèmergeleerde, maer ik

heb de waerdige men toch goed gekend--hij wès 'n collègae ven me--jèren

lèng....

--Dus u zou hem dadelijk herkennen? vroeg Giovanni.

--Dèt is te zeggen--jae en neen--èls _U_ me niet gezegd hèd, we gaen

Muller's buste zien, zon ik niet zeggen, dèt dit Muller wes.

--C'est ça! zei Coquenard, even omziende; hij streek juist met zijn

vleezige hand als liefkozend over Roosje's torso;--ç'est ça! alse

Capelli niette 'adde kezekd--wij kaane Mullere zien, zou ikke mete wete

dat het le brave homme was.

--Pèrdon! viel Drogers in,--de suggestie speelt hier wel een kleine rol,

maer.... 't oordeel ken toch individueel en objectief zijn.... Els ik

mijn meening ronduit zeggen mèg...?

--Zeker, asjeblieft! zei Bruin, die in zijn linnen kiel, met over

elkander geslagen armen tegen den muur leunde. Fijntjes glimlachend keek

hij met afwachtende oogen naar de drie heeren.

--Nu, den permitteer ik me deze opmerking: Ik heb hem in mijn

herinnering veur me, toen we sèmen in de littéraire club: "_De honingbij

vèn den Hélikon_" lid wèren. Daar zegen we mekaèr elken Woensdègèvend.

Nu is het buiten kijf, dèt lèmplicht heel ènders is dèn dèglicht, mèr

... de mensen, "dés denkende Wesen èn sich," zooèls Kènt zegt, 't

individu, blijft toch 't zelfde, niet waer?

--Jawel, natuurlijk! antwoordde Bruin, omdat meneer Drogers hem met

zijn kleine grijze oogjes scherp aankeek.

--Begrijpt u? Drogers wees op de buste,--dit is geen levend wezen--dit

is geen soort vèn fèntoon in soliden vorm gebrècht en èls zoodènig heeft

't groote verdienste zonder twijfel, mèr....

--Lijkt ie nu, of lijkt ie niet? vroeg Capelli kortaf.

--Jè, dèt is uiterst moeilijk te bepèlen--èls ik 'm goed bekijk--de

littèrator deed een stapje nader met vooruitgestoken hoofd--dèn is 't

Muller _wèl_ en toch is 't Muller _niet_....

--Dat snap ik niet goed, waarde heer!

--Meneer Capelli, permitteer me? U laet me niet uitspreken ... ik

bedoel, ik herken in sommige opzichten den ontslèpene wèl, bijv. zijn

dèsje 's frèppènt juist geobserveerd; hij droeg, zoo lèng ik hem kende,

èltijd vèn die kleine vierkènte zijden strikjes onder een omgeslègen

boord met overvêllende puntjes--juist zooèls de mijne--we kochten in één

winkel.... Dèn zie ik--U neemt me tech niet kwèlijk, meneer Bruin?...

--O! in 't minst niet! De artist kwam wat dichterbij, met een

uitdrukking op zijn gezicht, alsof hij in meneer Drogers een clown zag,

die hem amuseerde.

--Dèn zie ik iets in de oogen daerentegen, dèt me _niet_ bevèlt. Muller

hèd heel licht blauwe oogen, die herken ik hier volstrekt niet, 't lijkt

net een blindemèn. En dèn, om je de waerheid te zeggen, z'n neus, die

wès énders.--De philoloog bewoog zijn hoofd naar links en rechts, bekeek

den neus van den zaligen dichter aan alle kanten en zei:--Wonderlijk! 't

is Muller's neus wèl en toch is 't z'n neus niet! Wèt er èn schort, zou

ik niet kunnen zeggen, wènt ik ben geen modelleur-èrtist of beeldhouwer;

'k ben mèr 'n gewoon sterveling ... hè, hè ... mèr ... Muller hèd 'n

kèrèkteristieke neus en dit is 'n bènéle neus. De mond is best, hij had

die min of meer dunne lippen ... en toch ... Ik ben immers niet

onbescheiden--u neemt toch niet kwélijk èls ik soms iets zeg, dèt u niet

toegeven kèn?...

--Neen! neen! Waarachtig niet; ik luister met allebei m'n ooren--u

spreekt zoo verstandig--ik leer van u--ik ben u dankbaar!

--O, meneer Bruin! De letterkundige trok een pruimenmondje en hief zijn

rechterhand met een afwijzend, bescheiden gebaar op.--U is een

welwillend mèn ... ik wou dèn maer zeggen, dat ik zijn mond wèl groot

vind, en dèn heb ik dèt kuiltje op zijn bovenlip, onder zijn neus, nooit

opgemerkt--misschien kwèm dèt wel, omdèt Muller destijds een knevel

droeg en daerdoor zèl waerschijnlijk z'n mond niet normaal hebben

geschenen--ook z'n kin vind ik niet weerom, hèd hij zijn kin wel zoo

leelijk èchteruit?

--De photografie geeft die juist zóó aan.

--Jè, maer hij hèd er destijds zoo'n dingetje òp--hoe noemen ze 't ook

weer, zoo'n sikje!

--Een jeune-France?

--Dèt is 't--jèwel, juist. Ziet u, meneer Bruin, dèt zèl 't verschil

zijn; veur 't overige zit er mèchtig veel in die buste in! summæ

summærum kèn ik toch niet ènders zeggen dan: 't Is Muller! Bovendien,

--hier lachte de geleerde heer allerminzaamst tegen den artist--u heeft

de photo en die kèn niet jokken--ik maek u wel m'n compliment--'k ben

blij, dèt 'k uw chef-d'oeuvre gezien heb en kennis met u maekte....

Dank u! Bruin drukte, met meer vuur dan natuurlijk was, de hem

toegestoken hand en op zijn gelaat stoeide even een lach, die in zijn

donkerbruine oogen weggleed en daar bleef lichten, terwijl hij kalm en

bescheiden vroeg:

--En wat is uw opinie, meneer Assman?

De critikus was in de houding, die hij had aangenomen, blijven zitten,

schijnbaar geheel verdiept in de beschouwing der buste. Hij had geen

enkel teeken van goed- of afkeuring gegeven, terwijl de heer Drogers

sprak; nu draaide hij langzaam zijn hoofd naar Bruin, en met een zucht,

als ontwakend uit diep gepeins, sprak hij, op ieder woord de noodige

klem leggend:

--Laat me u eerst zeggen, dat ik de uitvoering van 't model, "l'oeuvre,"

_het werk_, begrijpt u, zeer verdienstelijk vind--u ziet, ik begin niet,

zooals veel collega's van me doen, met _af te breken_, ik prijs uw

habiliteit--Assman stak zijn gekromden rechterduim vooruit.--Ziet u, er

zit _dát_ wel in, dát weet u--dàt zeker iets, dat hm!--dat lekkere, dat

smeuïge als 't ware, waardoor je, als u 't er nog meer in kon brengen,

zou kunnen vergeten dat 't ding een bonk klei was, maar ... wat nu de

gelijkenis betreft zeg ik, die den overledene herhaaldelijk zag: _'t is

'm niet!_

Dr. Operling schudde, langzaam somber voor zich uit starend, het

hoofd--en zei niets!

Ah! kwam Giovanni.

--'t Is 'm in 't geheel niet!

--Dat 's ronduit gesproken, meneer Assman.

--Juist, meneer Bruin, dat is zoo mijn gewoonte; ik wind om mijn opinie

geen doekjes--ik geef mijn oordeel niet af, vóór ik in mijn innerste

overtuigd ben, dat ik _objectief, zonder eenig aanzien des persoons,

zonder eenige consideratie van welken aard ook_, oordeelen kan, en

daarom zeg ik u nu:--'t Is Muller niet!

--Wat mankeert er dan aan, meneer Assman?

--Voelt u niet als artist, wat ik bedoel?

--Neen, nòg niet!

--Laat me u dan zeggen, wat ik in dit beeld mis.

--Asjeblieft!

--Ik zie daar voor me een beeld; misschien lijkt het goed, wat neus,

ooren, mond, voorhoofd, enfin! wat den uiterlijken vorm betreft; die

laat ik er op 't oogenblik geheel buiten....

--Maar permitteer me, 't is juist de vorm, die....

--Neen, laat me uitspreken, meneer Bruin, u moet me goed begrijpen--ik

ga dieper dan een ander--ik zoek de psyche--en die vind ik in die buste

niet--ik mis de ziel!

--De ziel?

--Juist! ik heb den hoogbegaafden man gekend, zooals misschien weinig

anderen; ik heb zijn gedichten gesavoureerd, mijnheer Bruin--ik heb

hem, waar anderen hem verguisden, altijd de hand boven 't hoofd

gehouden--omdat ik zijn mooie ziel kende en waardeerde. Hij was z'n tijd

vooruit, hij was een moedig dichter, die radikaal met 't metruim, met 't

rhythmus brak; hij rijmde niet met woorden, neen! hij sprak denkbeelden;

hij zei z'n ziel uit in zijn sonnetten, in zijn balladen en oden, in

zijn ... enfin in alles, wat hij schreef ... en als je hem zag, was zijn

gelaat _bezield_: de vorm was voor hem echter heelemaal bijzaak, de

inhoud, daar lachte hij meê--hij zei spontaan z'n intens mooie gedachten

zóó, als ze opwelden in zijn geweldig brein. En dat vind ik heelemaal

niet terug in die klomp grijze klei, die daar voor me staat ... zooals

ik hem daar voor me zie, is 't die independente groote ziel niet; hij

lijkt op iedereen, op een gewoon mensch!

--Maar z'n gezicht is ook heel banaal!

--Pardon!--zooals _u_ of den ander hem misschien ziet, is hij gewoon,

dat wil ik wel toegeven, maar jelui kijkt ook gewoon--Enfin, als u niet

begrijpt, niet _voelt_, wat ik bedoel, kan _ik_ het u niet zeggen, maar

_'t is Muller niet_--Kan u niet wat meer ziel in dat ding leggen?

--Ik kan hem niet anders maken, dan hij was.

--Maar zóó was hij niet, meneer Bruin; ziet u geen kans den hevigen

dichter meer te doen zien?

--Bezwaarlijk! Ik kan alleen den vorm teruggeven.

--Aha I daar heb ik u!--Juist, daar zit 'm de knoop, de vorm! de vorm!

maar ik heb niets met dien vorm te maken, wanneer ik zoo'n buste als

herinnering aan den Dichter wil koopen--en dát is toch het doel, waarmeê

je ze in den handel brengt, nietwaar Capelli?--dan wil ik niet den

stoffelijken mensch zien, maar den poëet--en een poëet bij de gratie

Gods was Muller--een groot genie.

Dr. Operling keek met gekruiste armen, somber starend, smadelijk

glimlachend naar de buste en zei niets.

--Oh! sans doute, un genie! viel monsieur Coquenard, die zijn

ontdekkingstocht door 't atelier gestaakt had, eensklaps in.--IJ wasse

een kroot genie, un homme admirable, altijdde aan die prak kiseer, veele

distrait. Alsse 'y kwam dans mon mahasin, zek ikke tout de suite:

Bonjour, monsieur Mullere--alweere parapluie verkete--verlore, éh!

--Wat bedoelt u?

--Eh, monsieur Bruine! eel simplement, dat 'y toujours kwam om een nieuw

paraplue te koope--Monsieur le poète Mullere altijd verlieze son

parapluie--ikke 'ebbe le pauvre homme verkokt wel 'onderd parapluie....

--Já, dan zal u hem zeker wel goed hebben gekend.

--Maar meneer Coquenard, viel de heer Assman eenigszins scherp in:--Hoe

kan u een parapluie in verband brengen met zijn genialiteit?

--Hommes de gènie 'ebbe tokke nooite koeie mémoire--altijdde verkete dan

ditte, dan datte....

--Maar dat doet toch aan de gelijkenis van deze buste niets af of toe;

dat 's nonsens!

--En die siele dan, waarvan u spreeke? Alsse ik jugeere wil, of de man

kelijkke op deze buste offe niete--'eb ik te kijk niete naare zijn

siele, maare naare zijnen neuse, zijn oore en ook', (oog) "en un mot":

ikke moete inspecteer la matiére, niette die impondérabilité, die

qualité psychique; pardonnez moi, maare watte u zek van die _siel_ isse

meere nonsens dan mijn parapluie!

--Wat blieft u? Assmans oogen werden boos.

--Ikke blief niemendalle--u 'ebbe miskien meer keleerdheid dan ikke,

maar ikke 'ebbe meer bon sens!--Alsse meneer Bruine zou opzetten willen

un chapeau aan die buste, zal ikke u zek of la ressemblance, die

kelijkenisse koet is.

--Een slappe hoed? vroeg Bruin lachend.

--Pardon! chapeau haute forme.

--Een hooge dop? Dien bezit ik niet.

--Neem den mijne, zei meneer Drogers, zijn hoed aanbiedend--'t kan best

zijn dat meneer gelijk heeft.

--Te groot! lachte Bruin; hij verdrinkt er in ... maar wacht! ik zal hem

er boven houden.--Zoo! wat dunkt u nu, meneer Coquenard?

--Sal wel luk! Oui, isse al beter, maar die neuse daar mankeere nok wat

aan--ikke 'ebbe monsieur Mullere nooite zonder chapeau kezien ... maar

tiens nu lijkke 'ij! Oui, oui, la ressemblance y est. Weet u watte:

makke u 'm een 'oed van klei op die kop--en dan een andere neuse, tiens!

--Wat 'n laffe onzin! bromde Assman.

Dr. Operling bleef somber voor zich uitstaren en--zei niets. En Drogers

vroeg zacht aan Capelli:--Zouden we niet maer liever heengaen--ik geloof

dét we geen pés veurwaerts komen--de meeningen loopen te veel uiteen ...

en met een blik op Assman, die er hoe langer hoe strijdlustiger begon

uit te zien:--De gemoederen worden wèrm--ik geloof dét u beter zou doen,

éndere opinies dén de onze in te winnen.

--'k Geloof dat je gelijk hebt, meneer Drogers;--Meneer Bruin, we zijn u

dankbaar voor je ontvangst. 't Spijt me dat 't resultaat van ons bezoek

niet beter is. U moet nog maar eens kijken, of u aan Muller's neus nog

wat veranderen kan, want hoezeer de heeren ook van opinie verschillen,

op één punt zijn ze 't eens: de neus van den Dichter deugt niet; daarin

ligt de kardinale fout!

--Oui, ikke keloof 'ij 'adde meer zóó neuse.... Meneer Coquenard duwde

met zijn wijsvinger zijn reukorgaan iets omhoog.

--Een wipneus? Geen kwestie van! zei Bruin, oplettend photo en buste

vergelijkend.

--Neen, neen! dén eerder 'n dikkere, meer volumineuse. Dét réppeleer ik

me ten minste wel. Muller héd iets pérticuliers aén z'n neus--maer wét

't wés...? De geleerde heer Drogers haalde de schouders op en trok zijn

handschoenen aan. Dr. Operling ontvouwde zijn gekruiste armen,

ontrimpelde zijn voorhoofd, keek nog eenmaal met een zucht naar Mullers

buste, lachte toen smadelijk in zich zelf en drukte Bruins de hand ten

afscheid.

--Pardon, meneer, zei Bruin, U heeft uw opinie nog niet gezegd: Vind u

dat Muller lijkt?

Toen opende Dr. Operling zijn mond en sprak:--ik heb den man nooit

gekend, wel van 'm gelezen--en als ik naar zijn gedichten oordeel, kan

hij er wel zoo banaal hebben uitgezien. Bonjour!

Meneer Assman keek met souvereine minachting Dr. Operling na, en toen

naar den parapluienkoopman, die hem met een spottend: á l'avantage;

monsieur Assmanne, in den deurpost salueerde. Hij groette met een

nuffige handbeweging Capelli, en zei, toen beiden vertrokken waren, op

beschermenden toon:--Jonge vriend, je zult later wel leeren begrijpen

wat ik bedoel; je bent nog wat te veel onder den indruk van 't genoten

akademisch onderricht--je moet vrij, indépendent worden. Tegenwoordig is

de vorm geheel bijzaak--'t komt er volstrekt niet meer op aan, of een

portret of buste lijkt, zooals men dat vroeger noemde; al geef je, zoo

gezegd, iemand, die rood is zwart haar, al zou je een man met een

wipneus een arendsneus maken, 't doet er allemaal niet toe--als je maar

zorgt, dat het _onzienlijke_ er in zit. Begrijp me goed: al had je nu

b.v. deze buste--hij tikte met zijn wandelstok tegen 't piédestal--op

Muller's gelaat afgegoten, dan zou hij voor mij toch niet lijken,

zoolang ik dat onbeschrijfelijke er in mis, dat psychische, dat niet

gezien, maar alleen _gevoeld_ kan worden.--Adieu!

Op reis en thuis: Novellen en schetsen · 第 35 / 50 题