Muller was niet meer; de dichter, de hoog begaafde had eensklaps het
aardsche tranendal verlaten.
De dagbladen hadden, met een zwart randje omlijst, vermeld, dat Johan
Friedrich Adalbert Muller overleden was. Duitschland en Nederland
betwisten elkander de eer hem te hebben zien geboren worden, maar
Nederland triomfeerde, omdat Muller geen twee titteltjes op zijn U had
en het bewezen werd, dat er vóór dezen Muller nog een andere leefde, die
ergens in Holland kadetjes bakte, en bij den burgelijken stand als zijn
vader stond ingeschreven. Eén rouwkreet klonk door 't gansche land en
vond zijn echo in de harten van allen, die hem en zijn werken gekend
hadden.
Toen hij nog leefde, waren velen zijn bewonderaars en aanhangers
geweest, anderen hadden hun schouders opgehaald, om aan te duiden dat ze
hèm niet heel veel en zijn werken zoo zoo vonden, en nog anderen hadden
eenvoudig met hoog opgetrokken wenkbrauwen en een smadelijken glimlach
_gezwegen_, om daardoor te _zeggen_, dat hij _niets_ en wat hij dichtte
nog minder was.
Na zijn dood echter waren alle partijen het plotseling met roerende
smart er over eens, dat er in Nederland nooit eerder zoo'n Muller
geboren was, en dat er ook waarschijnlijk nooit weer zóó een zou
sterven. Niemand durfde meer iets ten nadeele van den afgestorvene
zeggen, want _de critikus_ van het _grootste litteraire blad_ had Muller
_de eenige_ ware poëet van Nederland genoemd en de critikus was
buitengewoon knap, die wist het, zei men--en _men_ heeft altijd gelijk!
De uitgevers van Muller's gedichten maakten buitengewoon goede zaken,
door op de nog onverkochte exemplaren de woorden _tweeden druk_ te doen
aanbrengen en 't publiek eerde den doode, door de uitgevers er af te
helpen.
In alle winkels hingen photographie-portretten van den overledene.
Immortellenkransen dienden als lijsten en de winkeliers verhoogden den
prijs van 't visiteformaat met tien en van de cabinetsportretten met
vijf en twintig cents.
Een comité vormde zich, om op Mullers graf een zijner waardig
gedenkteeken--de circulaire vermeldde: "eenvoudig als de man zelf"--te
stichten, terwijl eenige meer intieme vrienden bijeenkwamen, om de
nagedachtenis van hun voortreffelijken vriend te eeren, door zijn
loopende schulden zooveel mogelijk te vereffenen, want Muller was in
alle opzichten een wáár poëet geweest en had ruim zooveel onbetaalde
rekeningen als verzen nagelaten.
Nooit was er zooveel notitie van den Dichter genomen dan toen de koude
aarde zijn eens zoo warm hart omsloot.
Lijkzangen en grafdichten verschenen bij de vleet en vonden plaats in
dag- en weekbladen. Zelfs de Reizende Trompetter, het blaadje van den
Boerenstand, gaf een nécrologie van den gestorven poëet, en aan het stot
daarvan vier treffende regels:
"Treur, Neêrland, treur om Uwen Muller,
Nooit zong een Dichter blijer, guller,
Tot Godes en der menschen eer.
Nu is hij dood en zingt niet meer!"
't Was mode geworden, om over Muller rouw te bedrijven, zijn werken
waren eensklaps meesterstukken geworden en zij, die ze vroeger niet
begrepen, dweepten er nu mede. 't Scheen wel alsof 't publiek zich
verheugde, dat Muller dood was, alleen om in de gelegenheid te zijn, de
assche des beroemden te huldigen.
Kort na elkander verschenen bij een muziekuitgever: "Souvenir à Muller,"
élégie pour piano-forte à 4 mains, en "Sonnette posthume Mullerienne,"
fantaisie pour contrebasse avec accompagnement de piccolo.
In de modewinkels werden strikjes, en fichu'tjes à la Muller
verkrijgbaar gesteld. De dames, begeerig naar een haute nouveauté,
tooiden zich met die zaken, als hulde aan den te vroeg ontslapene. 't
Stond wel niet altijd mooi bij haar toilet, die sapgroene kleur met geel
achtigen weerschijn, maar 't was de geliefkoosde kleur des Dichters
geweest; al zijn dichtwerken waren in omslagen van die kleur
verschenen--en wat doet een vrouw al niet om naar de mode te zijn en
tegelijkertijd gemakkelijk te bewijzen, dat zij ontwikkeld in haar
smaak, de Muzen en haar zonen genegen is.
't Was dus niet te verwonderen dat de Heer Giovanni Capelli, de
Italiaansche fabrikaat van gipsen-beelden en statuetten, op de gedachte
kwam, om van den algemeen betreurden dichter een buste te doen
vervaardigen en in den handel te brengen.
't Moest een sprekend gelijkend afbeeldsel zijn en tegelijk goedkoop
opdat een ieder zich er van zou kunnen voorzien en voortaan in geen huis
Muller's buste behoefde te ontbreken.
Giovanni Capelli was een ondernemende geest een man van genie, zooals
hij 't zelf uitdrukte. Eigenlijk heete hij _Jan Haar_, maar toen hij
zijn zaak in gipsfiguren van een echten Piemontees overnam, was hij op
't geniale denkbeeld gekomen om zijn naam in 't Italiaans te vertalen.
_Giovanni Capelli_ klonk toch veel beter dan _Jan Haar_, 't scheelde
minstens dertig percent op de verkoopprijzen.
Dat zijn limineus denkbeeld met goed gevolg was bekroond, bewees het
groote magazijn, dat hij in een der hoofdstraten hield. 't Was een waar
Pantheon, zooals Giovanni het met welgevallen noemde, want zijn winkel
was altijd ruim voorzien van beroemde gipsen personen van beiderlei
kunne, en gros en détail verkrijgbaar.
--Was er maar geen portret van dien snuiter, zei hij in zichzelf, dan
maakte ik een brillante affaire--'k heb nog een paar gros staan van dien
onverkoopbaren Duitschen philosoof; hm! een mislukte speculatie geweest,
geen mensch lustte 'm hier; daar was best 'n Hollandsche van te maken;
'n beetje afnemen van den neus, 't haar wat afvijlen en ... maar enfin,
dat gaat nu eenmaal niet, ze kennen den kerel hier te goed, jammer,
jammer...!
Hij besloot dus een buste te laten maken door een jong modelleur, die
eenmaal zijn adreskaartje had bezorgd. Giovanni was logisch en
overlegde:--zoo'n jong artist wil graag naam maken door een bekend
persoon te modelleeren--hm! dan moet hij voor mij voor een schuifje
werken, dan helpen we mekaar ... d'r zit wel een masseltje aan. Eerst
verkoop ik ze voor _een daalder_, dan voor een gulden, en eindelijk, als
de loop er zoowat uitgaat, frisch ik de 30-cents-bazars er mee op....
Met die gedachten was Giovanni op weg getogen naar de nieuwe buurt, waar
de beeldhouwer woonde en repte zich zoo snel zijn zwaarlijvigheid het
toeliet. 't Was warm weêr en op zijn voorhoofd parelden de druppels van
inspanning en haast.
Eindelijk had hij het huis bereikt en stond stil voor de deur; een klein
bordje met de woorden: J. Bruin, Beeldhouwer, 3 × schellen, toonde hem,
dat hij terecht was.
Hij schelde driemaal met duidelijke tusschenpoozen.... Knip! deed de
deur en sprong een eindje open. Giovanni trad in 't portaal en ... zag
niemand!
--Wie da-a-ar! klonk een schelle, oude vrouwenstem van boven.
--Woont hier Bruin de beeldhouwer?
--Jawel! kom u maar boven!
Is ie t'huis?
Kom u maar boven, drie hoog op de voorkamer!
Even fronste Capelli zijn borstelige wenkbrouwen en mat met één blik de
hoogte der eerste verdieping--een oogenblik stond hij besluiteloos en
streek over zijn embonpoint, maar in het volgende begon hij, zuchtend,
de opstijging.
Toen hij twee hoog was, bleef hij even staan, om adem te scheppen en te
pruttelen: "Dat artistenvolk woont ook altijd zoo eeuwig hoog--enfin! in
's hemels naam," en hij klauterde de laatste trap op.
Een kleine, magere oude juffrouw met een bont boezelaar voor en
opgestroopte mouwen, keek hem met een dom-vinnig gezicht aan en vroeg,
de mouwen over de nog van zeepsop dampende stokkerige armen
neerslaande:--Most uwe bij Bruin wezen?
--Pff, Poeh! Pff. Jà, hè-hè! Jawel-juffrouw,
sakkerloot-wat-woon-jelui-hoog!
--De trap is 'n beetje stijl; vooral voor dikkige menschen zooals uwe is
't een heele klim....
--Pff, ja, geweldig steil, pff-Poeh!, maar goed licht hier. Capelli zag
met zaakkundigen blik, dat 't atelier in de voorkamer was en uitmuntend
licht had.
--Ga d'r maar in, meneer!
--O, dank u.... Giovanni trad binnen.
--Ja, ziet u--m'n zoon is op 't moment niet t'huis.
--Hê? pfft!
--Hij is de deur uit!
--Dat-had-je-me-wel eerder kunnen zeggen--Poeh! pfft! dan was ik
waarachtig al die trappen niet opgeklommen.
--Dat dacht ik ook al, grinnikte de juffrouw en met een vluggen greep
deed zij het bonten boezelaar van haar lichaam verdwijnen;--maar, ziet
u, d'r is tegenwoordig al niet veel te doen in 't vak ... en als d'r nou
iemand om 'm komt, dan denk je al, die brengt misschien wat te doen en
daarom ... ziet uwé?
--Jawel, jawel, ik snap je, moedertje--hum! is dàt werk van je zoon?
Capelli was het atelier eens rond gegaan en bekeek aandachtig een
basrelief afgietsel.... Hm! dat ben je zelf, oudje.
--Hè, hè, há, ja--dat heit ie zoo ereis gemaakt uit tijdpasseering.
--'t Lijkt goed; heb je er bepaald voor geposeerd?
--N-neen--hij heit 't zoo maar gemaakt uit z'n hoofd.
--'t Is realistisch opgevat; 't doet 't best.... Capelli keek
beurtelings de oude vrouw en 't afgietsel aan.
--Ja, d'r is nieks an vergeten, ziet u wel dat m'n wratje d'r ook op
zit--'k heb er een op mijn linker wang, kijk maar O, Sjuul werkt heel
netjes en sicuur, Heb u soms wat voor 'm te doen?
--Misschien wel; jammer dat ie niet t'huis is.... En dat? Hum! Giovanni
bleef met de handen op den rug vol aandacht een vrouwentorso
bekijken,--is dat ook werk van uw zoon? Zeker naar 't leven gedaan?
Het oude menschje aarzelde een oogenblik en wreef verlegen haar
knokkelige handen over elkander, terwijl zij knorrig antwoordde:--Ja,
naar 't bloote model.
--Zoo, zoo! Nu, 't is flink gedaan--hij zag eens rond, en omdat hij veel
naaktstudies aantrof, zei hij zonder erg:
--Je zoon schijnt veel van 't naakt te houden.
Juffrouw Bruin kleurde een beetje, en meenend dat die meneer haar
misschien minder netjes zou vinden, viel ze plotseling vrij heftig uit:
--Nou meneer, zóó erg is 't Goddank niet. Sjuul is een heel net,
fatsoenlijk persoon, maar 't is tegenwoordig de mode; al die blootigheid
is mijn anders altijd 'n doorn in m'n vleesch geweest en ik potersteer
d'r nog alle dagen tegen....
--Zoo! De kunstkooper keek glimlachend om naar de oude juffrouw, die met
opgetrokken neus vervolgde:
--'t Is de rug van Roosie, een jodenmeissie, maar dat's ook ál mooi wat
ze an d'r lijf heit; een mond als een hooischuur en een neus commesi,
zoo'n bom! Ik heb iedere keer al gezeid: Sjuul, 't komt niet te pas, dat
je zoo'n messie in d'r nakendheid afmoderleerd; wat jullie an die
akademie doen, kan ik niet beletten, die schandaligheid gaat me niet
an, maar hier in huis wil ik 't niet zien gebeuren. Als je dan absoluut
een bloote rug noodig heb, kan je de mijne krijge, dat's ten minste nog
eigen onder mekaar, maar om zoo'n vreemd mensch ampart bij je te laten
komen en priemelnakend voor je te zetten is ergerlijk en onchristelijk,
en--zei ik--ik blijf d'r bij, hoor, anders ben ik als ouwer niet
verantwoord--heb ik nou gelijk of niet meneer?
--Zeker, moeder, zeker! antwoordde Capelli zich eensklaps omkeerend: hij
scheen opnieuw Roosie's rug met alle aandacht te beschouwen, terwijl
juffrouw Bruin voortklaagde:
--'t Is een ramp tegenwoordig, je durft als ouwer niks meer tegen je
kinderen zeggen, want ze slaan je, zoo gezeid, in eens dood door d'rlui
meerdere geleerdheid. Verbeeld u, Sjuul zei: Och, moeder! je weet'r niks
van; 't is immers alleen maar studeeren. Nou, m'n lieve mensch, nou
vraag ik je? in mijn tijd was studeeren heel wat anders ... dat deën
alleen dominees en dokters.
--'t Is blikslagers mooi gedaan! zei de kunstkooper halfluid.
--O, zoo!--Ja, uwe heit zeker ook zoo iets noodig; 't is treurig, alles
wat ze komen bestellen is in de nakendigheid; wat zie jelui toch aan die
bloote menschen?
--Wees maar gerust, juffrouw--ik heb nu juist een heel deftige
bestelling voor je zoon, een ouweheerenkop.
--O, dat's goed, neem me dan niet kwalijk. Ja, als ik u goed bekijk,
ziet u er ook veels te suffisant en te degelijk uit, om je met zulke
goddelositeiten op te houwen. Stil! wacht even, daar is Sjuul, ik hoor
'm fluiten op de trap. Dat zal uwe net treffen, meneer! Zeit u maar
assieblieft niks tegen Sjuul, assieblief, hij is zoo driftig. Ik ben nog
van 'n ouwerwetsche burgerfamilie; men vader was stovenzetter in de
Groote Kerk en ik zou d'r niks tegen hebben, dat m'n zoon in de kunst
zat, als d'r maar fatsoenlijk brood in stak--maar 't is huilen
tegenwoordig--hij kon genoeg werk krijgen, als ie maar niet zoo
eigenwijs was--hij wil de onmogelijkheid, weet u--O, daar is ie!--Zij
brak eensklaps haar woordenvloed af, deed de deur open en liet haar zoon
binnen.
--Sjuul, daar is 'n meneer voor je, ik heb 'm zoolang gezelschap
gehouwen ... dag meneer, dienaresse! en toen zachtjes, maar toch zóó dat
Giovanni het hooren kon:--'t Eten staat klaar, jongen!
--Goed, moeder, goed! ga u asjieblieft maar heen, zei de jonge modelleur
een beetje knorrig....--Meneer, gaat u niet zitten--laat moeder u staan!
--Neen, Sjuul, meneer liep uit z'n eigen rond.
--Jawel, 't is goed, moeder ... hij duwde haar zachtkens op 't
portaaltje en toen tot Capelli:
--Waarmede kan ik u dienen?
--Ik heb een buste noodig--ik ben Giovanni Capelli. U kent mijn magazijn
zeker wel.
--O ja, natuurlijk!
--'k Wou eens hooren wat u rekent voor een buste, naar een photo?
--Levensgrootte?
--Neen! half....
--Marmer?
--Waarachtig niet! gips--maar in veel exemplaren.
--Dat 's moeilijk zóó te zeggen--U moet 't model in klei betalen en dan
later zus of zooveel voor elk afgietsel--heb u de photo bij u?
Capelli nam een zorgvuldig in vloeipapier gevouwen cabinetportret uit
den zak en toonde het aan Bruin:
--'n Mooie duidelijke photografie, hé?
--Schikt wel--is dat niet Muller de dichter, die pas overleden is?--de
winkels hangen vol van die dingen.
--Juist, de groote Muller.
Bruin ging naar 't venster, hield de photo goed in 't licht, bezag haar
aandachtig, nam een loep en keek nog eens met alle oplettendheid naar de
details.
--Heeft u geen "en-face" portret?
--Neen, dit is het eenige wat bestaat.
--'t Is lastig, om alleen op zoo'n profiel af te gaan,--hij hield
Capelli het portret en de loep voor--ziet u, daar zit iets in dien neus,
dat ik niet heelemaal verklaren kan--'t is een min of meer gebogen neus,
maar ... hm! er is iets vreemds aan ... kan u nergens een "en-face"
krijgen? Dit is bovendien Rembrandtiek verlicht en dat liegt zoo--hebt u
geen gewoon portretje, al is 't kleiner?
--Neen, ik heb er nog moeite voor gedaan, maar--Capelli gaf de loep en
de photo terug--'t is toch een vrij gewone kop.
--Schrikkelijk gewoon, je zou niet zeggen, dat die vent zoo'n kraan is
geweest; hij ziet er niets schrander uit; 'n vrij laag voorhoofd,
uitstekende jukbeenderen, de mond en kin wat achteruit, geen baard,
gewoon glad haar--'t Zal een lastig ding wezen om de gelijkenis goed te
treffen.
--Ja, maar lijken moet ie en goed, heel goed ook. Dat is 'n conditio
sine qua non, dat begrijp je wel, Meneer Bruin.
--Heeft _u_ 'm persoonlijk gekend?
--Ik? Volstrekt niet, ik hou niks van verzen--maar er zijn genoeg lui,
die hem goed hebben gekend. Weet u wat, maak een schets in klei en zie
dan, dat je het oordeel inwint van menschen die hem dikwijls zagen, dan
kom je er wel--ik zal je wel wat lui sturen....
--Was hij niet getrouwd?
--Neen!
--Geen broers of zuster?
--Ik geloof het niet--enfin! ik zal wel een paar menschen vinden; begin
maar vast, want ik heb er haast meê. U begrijpt: 't is een speculatie op
de _Mode_--als ik niet heel gauw kom met m'n buste, is er misschien al
weer een andere dooie knul in trek en dan zit ik later met die prullen.
Het gelaat van den moddelleur betrok bij dat woord en min of meer kortaf
zei hij:
--In allen gevalle lever _ik_ artistiek werk en als u mij de afgietsels
laat maken, is de eene zoo goed als de andere--maar u moet me geen
hoop-werk laten maken, ik leen mijn naam voor zoo iets niet.
--Kalm, jongmensch! bedaard aan, we zijn nog zoo ver niet, laat maar
eens eerst 't model zien; over de rest spreken we nader.
Na een poosje loven en bieden, waarin de heer Giovanni Capelli een
schitterend bewijs gaf, dat de natuur in zijn hersens het centrum van
den handel tot een buitengewone afmeting had gebracht, werden zij het
eens, vooral ook, omdat de kunsthandelaar den jongen artist had weten te
overtuigen, dat ieder beginner, hoe knap hij ook was, protectie noodig
had en dat één aasje geluk meer waard was dan een kilo verstand.
--Luister eens, jongmensch--zoo besloot Capelli zijn betoog: ik heb
hier, terwijl je weg was, je werk eens bekeken; je bent een kraan, hoor,
maar je hebt geen connectie en die kun je door mij krijgen. Ik weet niet
hoe 't komt, beste jongen, maar zoodra ik je zag, voelde ik iets voor
je--ik wil je voorthelpen--maar je begrijpt, ik ben zelf geen
gefortuneerd man--het walletje moet bij het schuurtje blijven--als je me
te duur bent, haal ik het zaakje niet aan. Doe jij nu je best op de
buste van dien verzensmid, dan zal ik je naam bekend maken--dat is nu
eigenlijk geen werk voor je, dat weet ik wel, maar ik heb wat in petto.
Hm! daar hebben al heel wat artisten duim en vinger naar gelikt! en dat
zul jij hebben, want nu ik dat ruggetje van dat model....
--Van Roosje?
--Juist! nu ik dat gezien heb, weet ik, dat jij de man bent dien ik
hebben moet. Adieu! groet je Mama!
Bruin keek den vertrekkenden man na en dacht:--Wat 'n nobele
vent!--Jonge artisten zijn gewoonlijk goed van vertrouwen. En Capelli
keek, op straat gekomen, even omhoog naar 't atelier en grinnikte in
zich zelf:
--'n Knap ventje, die lapt 't me voor een koopje!