OP DE VOGELJACHT IN HOLLEIA.

Op een' der eerste dagen van Mei, lang voor de jachtwet werd ingevoerd,

togen wij van Tyristrand 't gebergte in, om den volgenden morgen

boschhoenders te schieten op den Skjaersjöheuvel, waar deze jacht

't voordeeligst beloofde te zijn. We waren met ons vieren, mijn

vriend, de kapitein, ik, een oude jager, met name Per Sandaker uit

het Sognedal, en een vlugge knaap, die twee koppels honden met zich

voerde; na de vogeljacht wilden we op de hazenjacht gaan. Beneden in

't vlek was 't reeds lente; maar toen we de berghellingen beklommen,

vonden we overal dikke sneeuw in de spleten en kloven. Toch hadden

we een' milden avond en de vogels zongen hun voorjaarslied in het

bosch. In de nabijheid van Ask-saeter, waar wij den nacht meenden

door te brengen, beklommen wij den heuvel, bij alle jagers, die

in deze bosschen rondzwerven, welbekend, om te hooren, waar de

vogels dien nacht hunne slaapsteê hadden opgeslagen. Toen wij den

top bereikt en een ruim verschiet gewonnen hadden, neeg de zon ter

kim, maar schoot nog hare gulden stralen in vollen luister langs den

helderen westelijken hemel. Geen vroolijk en vriendelijk landschap

echter bescheen ze: donkere, eindelooze bosschen en bergvlakten,

slechts afgebroken door bevrozen meertjes en groote moerasvelden,

breidden zich naar alle kanten tot den horizon uit.

Nog slechts eene korte poos was de zon ondergegaan of we hoorden een

sterk gesuis door de lucht en de zware vleugelslagen van een' vogel,

die zijne rustplaats opzocht.

"Dat was geen oude vogel," zei de kapitein, toen het dier zich,

zonder eenig geluid te geven, op een' tak nederzette.

Weldra kwamen nog twee vogels suizend aangevlogen; ook deze zwegen

stil. Maar nu hoorden we nog zwaarder vleugelslag, en nauwelijks had de

vogel zijn' tak opgezocht, of we hoorden hem met den snavel klepperen.

"Die kerel is niet van gisteren. Die speelt de tweede viool," zei Per

Sandaker, "zoo 't de oude zelf niet is; en dat zou ik haast meenen."

Daar kwamen nog drie vogels, en voor elk, die den boom opzocht,

klepperde de oude met den snavel. Twee van de drie gaven geen geluid,

maar de derde antwoordde op dezelfde wijs.

"Dat was een vreempje," merkte Per op; "hij kende den oude niet, anders

had hij den snavel wel toegehouden. Morgen ochtend zal 't hem rouwen,

want, geloof me, de oude weet hem wel te vinden, en hij is niet malsch,

als hij recht op zijn dreef is. Ik heb eens gezien, hoe hij een'

stumper toetakelde, die 't gewaagd had hem tegen te klepperen."

Terwijl hij dit zeide, schoot er over het open, verweerd gelaat van den

jager een zeer eigenaardige glimlach, die scheen te zinspelen op eene

of andere geheimzinnige historie. Want volgens de korte mededeeling,

die de kapitein mij omtrent hem had gedaan, toen Per Sandaker op onzen

tocht een ommezien achtergebleven was, moest hij zeer sterk zijn in

vertellingen van heksevogels en aardgeesten, en mocht hij graag tot

in de minste bijzonderheden vertellen van de achttien beren, die hij

van zijn leven had geveld. Daarentegen zweeg hij liefst van 't even

groote aantal, dat hij, naar booze tongen zeiden, had laten ontkomen.

"Maar, wat is dat voor een' oude, daar ge van spreekt?" vroeg ik.

"Dat zal ik u zeggen," viel de kapitein haastig in, terwijl wij

den weg naar den saeter insloegen. Klaarblijkelijk vreesde hij,

dat mijne overijlde en ontijdige vraag, na zoo korte kennismaking,

Per wantrouwend zou maken en hem een slot op den mond leggen. "Dat

zal ik u zeggen," herhaalde hij. "Daar is een oude boschhaan in deze

buurt, die bij alle jagers uit den omtrek als een toovervogel bekend

staat. Ze noemen hem den "blater"; want in plaats van zich rustig

op een' tak neer te zetten, vliegt hij dikwijls rond tusschen

de boomtoppen, blatende als eene geit. Eerst wanneer hij deze

manoeuvre heeft uitgevoerd, zet hij zich neder om te klepperen en

te slijpen. Maar daardoor ook mist elk het rechte oogenblik om hem

onder schot te krijgen. Hij gebruikt intusschen nog een' tweeden

kunstgreep, die veel erger is. Soms zit hij vreedzaam te klepperen,

maar als men denkt dat hij zal gaan slijpen, vliegt hij op eens naar

een' anderen boom. En brandt men eindelijk los, dan wil 't schot nooit

treffen. De oude Per heeft met zout en zilver op hem geschoten, maar,

stoven hem ook de veeren, hij sloeg er even weinig acht op, als op een

saluutschot. Den volgenden morgen zong hij even snel en even valsch."

"Ge zoudt even goed op een' steen kunnen mikken," zeide Per op den

toon der volste overtuiging. "Eens trof ik hem aan in den paartijd,

op de vlakten ginds bij Kloppen, midden op den weg, die naar Skoug

leidt; daar zat hij met eene gansche schaar hennen om zich: ik telde

er wel zeven, en nog veel meer zaten er in het bosch; achter iederen

struik hoorde men ze kakelen. En de zeven vlogen om hem heen en rekten

den hals naar hem uit en deden alle moeite om hem te lokken; maar hij

bleef statig zitten, zoo trotsch als een spaansche graaf. Eensklaps

steekt hij den staart op, keert zich om, laat de vleugels om de pooten

sleepen, en springt wel drie voet van den grond. Ik wist toen nog niet,

dat het de oude was, anders had ik hem dadelijk zijn deel gegeven; nu

had ik er plezier in naar hem te kijken. Nauwelijks heeft hij zijne

hen uitgekozen, of daar komt een andere boschhaan--niet half zoo

groot--neerstrijken en werpt zich op hem. Toen ving de grap aan! De

oude stak den staart in de lucht, zijne kam stond rechtop als eene

torenspits, en hij klepperde met den snavel, dat het overal weerklonk,

en de ander antwoordde hem niet minder krachtig--die was ook voor

geen kleintje vervaard! De oude vloog hem in de veeren, en snavels

en vleugels sloegen tegen elkaar, dat het een' aard had. Plotseling

sprongen ze beide op en tegen elkander in, en staken met den snavel

en scheurden met de pooten en sloegen met de vleugels en maakten

't zoo bont, dat geen van tweeën meer wist, waar hem de kop zat;

makkelijk had ik ze met de handen kunnen grijpen. Maar ten slotte

kreeg de oude de overhand; hij sloeg en havende zijn' vijand, tot

deze het uitgierde van pijn. 't Was zonde van 't wakkere hoen; de

oude wist het onder te krijgen en drukte het tegen den grond, tot het

beest half dood vlak voor mijne voeten kwam rollen. Ik legde aan en

't hoen lag geveld; maar de oude bleef bedaard zitten en verroerde

zelfs de vleugels niet. Ja, zoo, dacht ik, ben-je zoo zeker van je

zaak, dan zal ik je gauw anders leeren. Ik laadde op nieuw, legde aan,

maar op eens vloog hij op en was verdwenen--maar 'k zal nooit een'

enkelen vogel meer schieten, als hij verder dan tien schreden van

mij af was geweest! Een andermaal was ik weer hier op den berg en

hoorde hem 's avonds zijne slaapsteê opzoeken. Op een' tak van eene

oude spar zette hij zich neder. Ik ging er in 't holste van den nacht

heen, lang vóór een enkele vogel in het bosch ontwaakt was. En toen

hij nu begon te balderen, ontbrak er geklepper noch geslijp aan, en

rustig bleef hij zitten. Toen hij voor de vierde maal zich deed hooren,

naderde ik--hij zat een eindweegs in het bosch. Nu zul-je mijn worden,

dacht ik, want ik had een zilveren tweeschellingstuk half doorgesneden

en daarmee mijn geweer geladen. Maar ja wel, toch was 't mis. Toen

ik losgebrand had, zag ik hem nog even snel wegvliegen, schoon de

veeren er afvlogen. Daar is niets, dat vat heeft op dien kerel!"

"Toch zullen we hem morgen zoeken beet te nemen, Per; we weten nu,

waar hij zit," zei de kapitein met een spottend lachje.

"Ja, als er niet één vogel meer in 't bosch was," antwoordde Per,

half boos. "Wil de kapitein hem naloopen, best--maar ik verspil

geen korrel kruit meer aan hem. Want één ding staat vast," ging hij

trouwhartig voort, "zulk balderen heeft nooit iemand meer gehoord. En

dan zoo'n vogel! Kijk, 't is het wonderlijkste dier, dat ik ooit

zag. Hij is niet eens geschapen als een ordentelijke boschhaan,

want hij is stellig anderhalf maal zoo groot, ja, dat is hij zeker."

"Ge hebt gelijk, Per, 't is een oude bedrieger, die geen schot

kruit waard is," zei de kapitein. "En zijn vleesch is wis zoo taai

en droog als de dennetak waarop hij zit te balderen. Intusschen zou

'k hem toch met plezier zien neertuimelen; dan kwam er een eind aan

dat wonderlijk geklepper, waardoor hij ons zoo vaak bij den neus heeft

gehad. Ik ben hem dikwijls achtervolgd, zonder dat ik iets van zijne

manoeuvres begreep. En een paar malen heb ik zelfs op hem geschoten,

maar op zoo grooten afstand, dat ik hem onmogelijk kon treffen. 't

Is inderdaad, zooals Per zegt, een wonderbare vogel," voer hij voort;

"maar," voegde hij er bij, met een' wenk, dien ik alleen kon opvangen

en die zijn streven verried om Per aan 't vertellen te krijgen,

"als we op den saeter zijn, zal ik een geval vertellen, dat ik gehad

heb met een betooverd haas, dat nog veel krommer sprongen maakte dan

onze boschhaan."

Weldra hadden wij de eenzame saeterhut bereikt, waar de knaap,

die ons vergezelde, reeds vroeger was aangekomen. Op last van den

kapitein had hij voor luchtverversching gezorgd en een flink vuur

op den haard aangelegd. Toen we onze geweren hadden neergezet, de

weitasschen afgelegd, en ons te goed gedaan aan de voortreffelijke

proviand van den kapitein, begon deze met zooveel ernst in uiterlijk

en toon als hem mogelijk was te vertellen van het betooverde haas.

"Toen ik nog luitenant was, had ik in zekeren zomer exercitie op

Toten. Ik had honden bij mij om op de jacht te kunnen gaan. Eens

op een' achtermiddag stond ik in de keuken gereed om te gaan jagen,

toen een der knechts binnentrad."

"Zijn er veel hazen hier in den omtrek?" vroeg ik.

"Dat gaat wel," antwoordde de knecht. "Maar op de vlakte van Sukkestad

loopt een oude schelm; al heel wat honden en jagers hebben hem

nagezeten, maar 't baat niet, want hij is niet te vangen!"

En bedenkelijk schudde hij het hoofd.

"Is hij niet te vangen? Wat is dat voor geleuter? Er zal hier wis

niet één ordentelijke hond zijn. Als mijne hazewinden maar de lucht

van hem krijgen, dan zullen we eens zien," zei ik en klopte mijne

beesten op den rug, die vol jachtlust aan het zeel trokken.

"Ja wel! We zullen zien," zei de knecht met een' ongeloovigen

grijnslach.

Onmiddellijk toog ik naar de vlakte van Sukkestad, en nauwelijks

had ik de honden losgelaten, of het haas kwam voor den dag. Nu ging

't er op los; maar elk oogenblik was het verdwenen, en de honden

noch ik konden er vat op krijgen. Een tijd lang duurde dit spel;

eindelijk verschool het zich in het kreupelhout. Ik zocht overal--daar

verscheen 't weer; ik schoot en schoot, maar 't baatte niets. Nu zette

't zich bij eene jonge spar neder, tachtig schreden van mij af. Weer

brandde ik los, ik trof en liep heen om het op te rapen; maar toen ik

bij de spar kwam, was er geen haas te zien: ik vond niets dan een'

stok en eene huid. Toen ik den volgenden dag mijn geweer reinigde,

kwam de knecht op mij toe.

"Hoe is het gegaan met het haas, luitenant?" vroeg hij, terwijl hij

een' spottenden glimlach niet kon weerhouden.

Ik vertelde hem het geval.

"Al heel wat honden en jagers hebben hem nageloopen; maar hij is niet

te vangen, geloof mij," zei hij op nieuw op geheimzinnigen toon. "Gij

maakt uw geweer schoon, maar 't zal u niet baten, zou ik meenen;

hij weet zijn lijf wel te bergen."

"Maar voor den drommel, wat steekt er dan achter met dat haas; heeft

kruit noch lood er dan vat op?" vroeg ik.

"Wel mogelijk," antwoordde hij; "laat me u zeggen, dat het een

betooverd haas is; maar wat gij gisteren gezien hebt, was slechts zijn

dubbelganger; want zelf verschuilt het zich nooit. Wil ik u een' goeden

raad geven? Neem een' worm--ik zal er wel een voor u zoeken--doe dien

in den loop van uw geweer en schiet het af, dan kunnen we probeeren,

of kruit en lood vat op het haas kunnen krijgen."

Ik volgde zijn' raad; hij bezorgde mij een' levenden worm, dien ik

in den loop wierp; ik legde aan op den wand, en--daar was niets te

zien dan eene vochtige plek.

Eenige dagen daarna zwierf ik over de vlakte van Sukkestad. 't Was

vroeg in den morgen. Pas had ik mijne hazewinden losgelaten, of daar

verscheen weer het haas. Ditmaal gaven de honden niet het minste

geluid; in volle vaart vlogen ze het haas na, en nog geen half uur

was er verloopen, of daar kwam 't over de vlakte huppelend recht op

mij af. Ik lei aan en schoot. 't Viel dood op de plek neer en bleek

een groote oude rammelaar, vol litteekens en schrammen; de helft van

't eene oor was het kwijt."--

"Van zulk een haas heb ik ook eens hooren vertellen," zeide Per,

die met de grootste opmerkzaamheid het verhaal van den kapitein

had gevolgd. "Het hield zich hier in Holleia op, naar den kant van

Granbo; men vertelde mij, dat het bijna pikzwart zag. Menigeen had het

nagezeten en er op geschoten, maar niemand wist er raad voor, behalve

Sara-Anders. Hij velde het; maar--hij is ook een kerel uit duizend!"

"Dat geloof ik wel," zei de kapitein, terwijl hij den knevel

opstreek. "Hij staat overal voor een stout jager te boek. Maar, zeg

eens, Per, was hij 't ook, die dat betooverde haas bij Christiania

schoot, waarvan ge vroeger verteld hebt?"

"O, ja, dat 's waar ook! Neen, dat was een jager, daar uit den omtrek;

Brandte-Lars, heette hij. Gij zult hem wel kennen," voegde hij er bij,

zich tot mij wendende.

Neen, ik kende hem niet.

"Hé, kent gij hem niet? Hij woont toch in een hutje aan den voet van

den berg, vlak bij Greffen. Ik heb hem eens aangetroffen in Halland,

terwijl hij met een stuk of wat groote heeren uit de stad op de jacht

was. 't Was een rare sijs, maar een kerel van een' jager. Op een haas

miste hij zelden of nooit, en een' vogel schoot hij in de vlucht,

zoo goed als de kapitein. Maar we praatten daar over een haas. Dat

geval heeft hij me verteld, en nog veel meer.

"Eens moest ik, zoo verhaalde hij, met de honden van den ouden

Simensen, op de Kleine Markt, uit, om wild te bezorgen. Hij

had drie honden; de eene heette Rapp; dat was er een, waar de

aardgeesten hoegenaamd geene macht over hebben, want zijn haar was

rood; nu, de andere twee waren ook brave honden, waarachtig! 't

Was op een' Hemelvaartsdag, 's morgens; ik sloeg den weg in naar

Linderud-saeter. Eensklaps stoof Rapp heen; hij maakte een leven,

dat iemand hooren en zien verging. Ik vatte post op eene hoogte. 't

Duurde niet lang, of daar vluchtte een haas vlak langs mij heen. Ik

schoot, maar 't was mis, en Rapp stoof het weer na. Na eene korte poos

vloog het me weer voorbij; ik zag dat het over den rug pikzwart was,

en op nieuw schoot ik mis.

"Maar, voor den duivel, wat beduidt dat, waarom doen de andere honden

niet mee?" zeide ik; "want Rapp alleen vervolgde het haas. 't Zit

niet richtig hier. Maar nog eens geprobeerd. En voor de derde maal

schoot ik, en voor de derde maal was 't mis, en de beide andere honden

stonden er bij, maar ze verroerden geen' poot. Maar toen heb ik den

haan en het lood gezegend," zeide hij.

"Hoe deed hij dat?" vroeg ik.

"Vertel het maar, Per," zei de kapitein.

"Ja, hij wou er eerst niet voor uitkomen," antwoordde Per, "maar

toen ik hem een paar borrels en eene rol tabak had gegeven, vertelde

hij het."

"Dan neemt ge een stuk bast van een' sorbeboom," zeide hij, "dat

legt ge tegen den haan, en dan schraapt ge drie spaantjes zilver van

een' schelling; maar 't moet een erfstuk zijn, een van de echte oude

munten, die mee geweest zijn in den oorlog; dan schraapt ge driemaal

den nagel van uw linker pink af, neemt daarna drie gerstekorrels, of,

hebt ge die niet, drie broodkruimels, en stopt dat alles in uw geweer,

dan moet alles dood, wat ge onder schot krijgt, al ware 't de duivel

zelf," zeide hij. "Dat deed ik ook dien keer bij Linderud-saeter,"

zei hij, "en toen het haas voor de vierde maal verscheen, schoot

ik en--daar tuimelde het waarachtig neer," zei hij. "En wat was

het? Een klein, mager beestje, zwart van ouderdom. Ik nam het op

en hing het bij de achterpooten aan een' berk en begon het villen,

maar de Heere bewaar' me," zeide hij, "het bloedde als een jonge os,

en mijne hazewinden lekten het bloed van den grond. Ik nam het mee,

maar hoe ik liep, telkens liep ik verkeerd, en altijd bloedde het

beest; tweemaal kwam ik weer bij denzelfden berk te land. 't Is of

daar de drommel mee speelt, dacht ik"--zei hij--"ben ik hier dan

niet zoo goed bekend als thuis? Maar, als 't eenmaal tegenloopt,

dan loopt alles tegen. Ik dacht bij mezelven: ik zal de honden den

weg laten vinden, en dat deed ik; maar, zooals ik een' hoek omsla,

daar zie ik bestemoer staan! Waarachtig, daar stond ze bij een'

kleinen berk, bovenop een' heuvel, met eene huif op het hoofd, een

jak en een' zwarten rok aan 't lijf; ze leunde op een' stok en zag

er precies uit als elke andere vrouw."

"Lars," sprak ze, "ge hebt heel wat hazen van me gekregen, want ik

mocht je wel lijden. Maar mijn saeterhaas had-je nu moeten laten

loopen. Had-je rooden Rapp niet gehad, je zoudt het ook niet hebben

gevangen."

"Ik gaf taal noch teeken weerom," zei Lars, "maar toog over het

marschland van Maerre naar Bamsebraaten. Daar liet ik de honden

los. Blaffend vloog Rapp heen en de andere hem na; ik luisterde

een oogenblik, of ook zij zouden blaffen, want 't ging weer naar

Linderud-saeter en ik was niet op mijn gemak. En ja wel, daar hoorde ik

ze alle drie; nu wist ik, dat ze een echt haas nazaten. 't Duurde eene

heele poos, maar eindelijk kwam het haas toch aanzetten. 't Stampte

over den heuvel als een jong veulen, en toen ik 't in het oog kreeg,

leek het wel zoo groot als een geitebok. Ik schoot en trof. Nu ging

ik zuidwaarts naar 't Alunmeer. Daar vlogen mijne beesten weer heen,

en in dollen ren ging het op nieuw naar Linderud-saeter. Want daar

moesten ze nu eenmaal wezen. Eindelijk--'t duurde lang--kwamen ze

terug. Weer trof ik. Nu had ik er drie en dacht: beste Lars, zoo is 't

genoeg voor vandaag, en ik ging naar huis en hing ze op in den kelder

van Simensen. Maar 'k mag zelf zwart worden, als dat kleine zwarte ding

geen drie dagen lang bloedde, zoodat de kelder half vol bloed stond."

"Ge zeidet straks, dat hier in Holleia een tooverhaas moet zijn

geweest,--'t gerucht wil ook, dat er een groote schat aan edel metaal

hier in de bergen steekt. 't Zou niet kwaad zijn, daar wat van machtig

te worden, wel, Per?" zei de kapitein, die nog meer vertellingen los

wou krijgen.

"Kom, wat zou de kapitein daarmee doen?" antwoordde Per

hoofdschuddend. "Ge hebt geld genoeg. Een' armen stakker zou 't goed

komen; maar geloof me, men mag er gerust afblijven."

"Ik vind 't toch vreemd, dat ge er nooit naar gezocht hebt," ging de

kapitein voort.

"Och, wat zou dat gebaat hebben?" vroeg Per. "Om in de bergen te

wroeten en te spitten, zooals oude Jon Haugen door heel Holleia deed,

daar houd ik niet van."

"Daar zijn andere middelen om rijk te worden," sprak de kapitein met

een' geheimzinnigen wenk. "Als ge eens goede vrinden werdt met de

bergwijven? Je waart in je jonge jaren waarachtig geen onknap kerel,

Per Sandaker! Wie weet, waar je geluk had gelegen."

"Ha, ha, ha!" lachte Per, kennelijk ingenomen met den lof, schertsend

door den kapitein aan zijn uiterlijk gegeven. "'k Heb er nooit wat

van geloofd, want ik heb nooit berggeesten of Huldren gezien."

"Maar er heeft toch in den ouden tijd een bergwijf in Holleia gehuisd,"

zei de kapitein.

"Bah, niets dan kinderpraat. Men heeft 't mij ook meermalen verteld,

maar een zot, die 't gelooft," antwoordde Per.

"Ja, maar gij kunt ons dan toch wel op de hoogte daarvan brengen;

ge hebt hier toch zoolang rondgezworven. Vertel ons eens, wat ge

daarvan weet; deze stadsman is verzot op zulke histories."

"Zoo? Nu, ik kan 't wel vertellen, maar gelooven doe ik het niet,"

verzekerde Per nogmaals en begon:

"Ten zuiden van den Hollei-top--ze noemen 't tegenwoordig Holleia,

tusschen Tyristrand en het Sognedal," merkte hij op tot onderricht voor

mij--"zijn er twee bergspitsen, de Groote Spits en de Kleine Spits;

hier, waar ge zit, kunt ge nog even den hoogsten top om het bosch

heen zien. En daar zit zooveel goud en zilver in die bergen, dat er

geen eind aan komt, zooals men zegt. Maar niemand durft er aankomen,

want er huist een oud bergwijf in. Alle schatten zijn haar eigendom

en zij bewaakt ze als een draak, zeggen de lui. Nog veel rijker is

zij dan de koning van den Kongsberg; want eens, toen er heel veel

zilver uit den Kongsberg was gehaald, kwam de koning naar buiten en

zei tegen de gravers:

"Neen, nu kan ik jelui niet langer beneden dulden, want als je zoo

voortgaat, houd ik niets over. Je plundert me geheel uit. Gaat nu

maar naar mijne zuster, Guri Knutan in Holleia, die is tienmaal rijker

dan ik."

"Dus is Guri Knutan ook de zuster van den Egeberg-koning," merkte

ik op.

"Den Egeberg-koning? Wat is dat voor een? Is die misschien uit

Christiania?" vroeg Per.

Ik vertelde hem nu de sage omtrent den koning van den Egeberg en zijn'

uittocht in 1814.

"Ja, zoo; ja, die was dan een broer van 't wijf, daar ik van sprak,"

zei Per trouwhartig.

"Ik heb ook wel hooren vertellen van een'," ging hij voort, "die

zijne bergwoning verliet, omdat hij het schieten en geraas niet

kon uitstaan. Maar die hoorde in dezen omtrek thuis. Of dat nu de

man van deze Guri was of een ander, dat weet ik niet, maar 't moet

ook een van de lui zijn geweest, die in de bergen huizen en daar

hunne schatten hebben opgestapeld. Dat ging zóó toe. In den tijd,

toen men de eerste groeven ontgon in Skoug-marken, woonde er eene

vrouw bij de Langesjö-beek, die tusschen 't Sognedal en Tyristrand

stroomt. Die vrouw heette Rönnau en daarom noemde men haar Rönnau

Skougen. Omstreeks St. Jan, 's morgens in de vroegte, wiesch ze kleeren

in de beek en zag op eens een verbazenden hoop zilveren voorwerpen,

borden en schotels, lepels en vorken en allerlei keukengeraad; al

die dingen lagen op den bodem der beek en blonken en schitterden

in de zon onder het water. Op 't gezicht van al dien rijkdom werd

ze als betooverd; ze ijlde naar huis, om eene mand te halen, ten

einde daar alles in te bergen. Maar toen ze terugkwam, was alle

pracht en pronk verdwenen. Zelfs geen blanke zilverschelling was

overgebleven; ze bespeurde niets dan het heldere water, dat met

zilveren weerschijn over de steenen huppelde. Eene poos later begon

men daar in Skoug-marken de kopergroeven te ontginnen; toen was er

voortdurend zulk een verschrikkelijk geklop en gehamer, zulk een

vervaarlijk leven, dat iemand hooren en zien verging. Op zekeren

avond, laat, ging Rönnau van de beek naar huis. Daar ontmoette ze een'

stevig man op een groot, zwart paard. Voor hem uit gingen karren met

allerlei goederen en kudden zwijnen en ander vee.

"Goeden avond, Rönnau," zeide de man, "ik ga weg."

"Dat zie ik, vader, maar waarom?" vroeg Rönnau.

"Och, ze houden zoo vreeselijk huis in de groeven, dat mij 't hoofd

er schier van berst. Ik kan 't niet langer uitstaan; daarom trek ik

naar mijn' broeder in Thelemarken. Maar hoor eens, Rönnau," zeide hij,

"waarom woudt ge juist al mijn keukengeraad hebben, toen ge zooveel

zilver op den bodem der beek zaagt liggen? Hadt ge u tevreden gesteld

met zooveel als ge in uw' schoot kondt bergen, dan ware 't u niet

ontgaan!"

"Sinds dien tijd," zeide Per, "heb ik, noch iemand, iets dergelijks

gehoord of gezien, 't zij ze inderdaad zijn gevlucht of zich schuil

houden. Want ze durven zich niet meer vertoonen, nu de menschen niet

meer aan hunne duivelskunsten gelooven."

"Daar zegt ge eene grooter waarheid, dan gij zelf vermoedt, beste

Per," viel de kapitein uit. "Menschen, die voor wijzer doorgaan dan

gij of ik, zeggen precies 't zelfde. Intusschen moogt ge er wel wat

van vertellen."

Op herhaald aandringen van den kapitein kortte Per ons den ganschen

nacht den tijd met sagen, sprookjes en jachtvertellingen. Af en toe

gaf ook de kapitein een jachtavontuur ten beste, waarin meestal eene

vrij duidelijke zinspeling voorkwam op Per's ongelukkige berenjachten;

deze zette dan zijn gezicht in de onnoozelste plooi en krabde zich

achter het oor. Soms ook kneep hij schalks het eene oog toe en zeide:

"Die was voor jou, Per Sandaker, steek hem in den zak."

Tegen middernacht legden we ons op een paar banken aan den haard ter

rust en genoten een' korten sluimer. Toen wij ontwaakten, zeide Per,

dat het tijd was te vertrekken. 't Was tamelijk koud; de sneeuw was

door de vorst hard geworden en kraakte onder onze voeten. De lucht

was donkerblauw en zoo helder, als men op een' voorjaarsdag slechts

verlangen kon; eenige witgekleurde wolken, die zachtkens uit het zuiden

kwamen aandrijven, spelden de kilheid des nachts een spoedig einde.

De maan stond dicht aan de kim. In stede van ons pad te verlichten op

den nachtelijken tocht, wierp zij slechts haar' vriendelijk schijnsel

op de toppen der bergen en boomen in 't verschiet; tusschen de sparren

heerschte een geheimzinnig half-donker, dat de schaduwen tot in 't

oneindige verlengde, allerlei fantastische vormen schiep tusschen de

stammen, en het bosch dubbel verlaten, eenzaam en huiveringwekkend

deed zijn.

Alleen het roodborstje brak met zijne zachte tonen de doodsche stilte

des wouds.

"Daar zingt de vogel, die 's morgens 't eerst ontwaakt," zeide Per. "Nu

zal 't niet lang meer duren, of er komt leven in het bosch; we mogen

ons wel wat haasten."

"We hebben nog tijds genoeg, beste Per," sprak de kapitein;

"het bosschhoen paart het liefst op de hoogten tusschen ons en het

Löndal-moeras, en ik denk, dat er niet veel van 't minnespel zal komen;

het is te koud."

"Straks wordt het zachter," antwoordde Per op stelligen toon. "De

wind loopt zuidelijk en 't paren zal te drokker gaan, naarmate de

vorige nachten kouder zijn geweest. We krijgen nog een' heerlijken

zonneschijn. Hoor maar, hoe vroolijk de houtsnip kweelt! Zij verwacht

mooi weer. En daar hoor ik de watersnip. Ja, wis wordt het goed weer,"

besloot hij op den toon der overtuiging.

Wij vernamen nu het eigenaardig geluid der houtsnip, niet ongelijk

aan 't herhaald gekwaak van een' kikvorsch, gevolgd door een scherp,

snijdend gefluit, en zagen bij de zwakke stralen der ondergaande

maan de eene schaduw na de andere over de boomtoppen glijden. Wij

hoorden het onaangenaam geblaat van de watersnip of het bokje, nu

eens nabij, dan weer ver weg, nu eens hoog in de lucht, dan weder

vlak boven ons, nu plotseling, naar 't scheen, aan ons oor, dan van

allen kant, zonder dat we den vogel zelf echter in 't oog konden

krijgen. Op eens overstemde de wilde, doordringende kreet van den

reiger alle andere vogelen. 't Was of een schrik allen beving, want

eensklaps zwegen ze en de plotselinge stilte deed ons zijn geschreeuw

nog onaangenamer in de ooren klinken. Daar hief de leeuwerik zijn

helder, vroolijk morgenlied aan, dat in den nachtelijken schemer aan

't rijzende daglicht deed denken en een blij contrast vormde met de

spookachtige vlucht en 't krijschend geluid der nachtvogels.

"Daar luidt reeds de klok voor de boschhoenders," sprak de kapitein;

"als de leeuwerik zijn lied aanheft, begint de boschhaan zijn'

morgenpsalm te zingen op den tak. Laat ons hier nu een weinig toeven;

we zijn niet ver meer van de vogels, die gisteren 't laatst zijn

aangekomen. Als we dichterbij kwamen, zouden wij ze licht verjagen."

Nadat er luttel minuten waren verloopen, hoorden wij een' vogel op

een paar honderd schreden van ons af.

"'t Zou me verwonderen, als dat niet de kerel was, waar 'k van sprak,"

zeide Per. "Stellig zal hij boeten; de oude pleegt niet kort van

memorie te zijn."

De kapitein liet mij de keus, of ik naar den kant wilde gaan vanwaar

wij 't geluid hoorden, of meer noordop, waar hij onderstelde, dat

jonge vogels genesteld waren. Ik koos het eerste. De kapitein trok

noordwaarts. Per en ik slopen zachtkens in de richting, waar wij 't

geluid hadden vernomen, en zochten met de uiterste behoedzaamheid de

sneeuw en de krakende takken te vermijden. Toen wij voor 't eerst weer

het eigenaardig geslijp hoorden, hielden we ons een ommezien stil,

maar onder elk volgend slijpen, onmiddellijk na het geratel, kwamen

wij twee, drie schreden nader. Onder het ratelen zelf stonden we

natuurlijk onbewegelijk. Nadat we zoo den boom, waarin de boschhaan

zat, tot op veertig of vijftig schreden waren genaderd, hoorden

wij, dat een vogel met veel geraas daarheen vloog en zich op een'

tak neerzette. 't Klepperen der snavels en 't slaan met de vleugels

verkondigde, dat de oude het voorspelde vijandelijk bezoek bij zijn'

vreemden medeminnaar aflegde. Onder den strijd sprongen wij eenige

passen vooruit; krachtige vleugelslagen bewezen ons spoedig, dat de

oude eene gemakkelijke zege behaald en den vreemden indringer op de

vlucht had gejaagd. Een ommezien was 't stil; daar kakelde een wijfje

en dadelijk begon de boschhaan te balderen; hij klepperde en gorgelde,

maar nauwelijks hadden we den voet opgelicht om naderbij te springen,

of hij sloeg de vleugels uit en vloog naar een' anderen boom, waar

zijn hernieuwd gebalder ons scheen uit te lachen.

"Ik wist het wel," zeide Per wrevelig. "De oude is weer bezig. 't

Baat niets ter wereld, hem te vervolgen; men zou even goed jacht

kunnen maken op eene wolk bij stormweer. Laat ons verder noordop

gaan, daar zitten verscheiden vogels; licht is er één onder, die

den bek durft opendoen, schoon ze alle bang zijn voor dat ondier,

dat de duivel hale!"

"Weet ge, waar de oude pleegt te paren?" vroeg ik.

"Ja, dat weet ik wel," antwoordde Per. "Hij paart altijd in eene

spar op een' kleinen heuvel, hier beneden ons; maar ge krijgt hem

daar toch niet onder schot, want de spar is veel te hoog."

"Daar moeten we heen," zeide ik; "maar we kunnen eerst wel wat

noordwaarts gaan."

We trokken een eindweegs in de voorgenomen richting, voorbij een'

reusachtigen steen, dien Per Mjölne-Ragnhild noemde, langs den

zuidelijken zoom van 't Löndal-moeras. Doch we hoorden geen' enkelen

vogel. Per Sandaker begreep volstrekt niet, waar ze mochten gestoven

zijn, maar kwam eindelijk op het vermoeden, dat het gevecht van den

oude met het vreemde hoen ze alle had verjaagd. Reeds begon 't te

dagen, toen wij een schot hoorden in het noorden op den Sandtjaernberg,

waar Per vertelde, dat de kapitein en hij hun aas plachten neer te

leggen, wanneer ze op de berenjacht waren en vanwaar men spoedig

's mans saeter en zijne woonplaats in 't Sognedal kon bereiken. Een

oogenblik later hoorden wij een tweede schot, dat, naar Per verzekerde,

evenals het vorige uit de buks van den kapitein kwam. Terwijl wij

over 't moerasland naar de aangewezen spar gingen, waarheen Per

mij met tegenzin volgde, kon hij niet langer zijne ergernis over

onze ongelukkige jacht verkroppen, maar mompelde bij zich zelven:

"Alles kruit verspillen--neen, neen--de kapitein--dat 's eerst een

kerel--hij heeft er al een--twee misschien--Sara-Anders was het

niet--neen, stellig kwam 't van den kapitein."

"Troost je, Per," sprak ik. "Als 't ons eens lukte, den oude te

schieten? Die is meer waard dan alle andere te zamen."

"Dan moest ge een duizendkunstenaar zijn," antwoordde Per. "Maar hij

is te slim en geen kruit kan hem deren, geloof mij."

Toen wij, het bevroren moeras over, den heuvel hadden beklommen,

deed ik, met 't oog op de moeite, die 't kon inhebben, den vogel te

treffen, wanneer hij naar alle waarschijnlijkheid zich in den top der

spar nederzette, de hagelkorrels uit mijne buks en laadde op nieuw

met een hagelpatroon, van ijzerdraad omwoeld. Per ontging dit niet,

maar hij schudde het hoofd en merkte twijfelend op:

"Ge meent zeker, dat dit helpen zal!"

"We zullen zien," antwoordde ik even kortaf.

De heuvel, waarop wij ons bevonden, lag als een eilandje midden in het

uitgestrekte moeras. Op den top verhief zich de spar, een ontzettend

hooge mastboom, vol knoesten van afgehouwen takken. Aan den oostkant

stond eene andere, die wis even reusachtig was geweest, maar zich thans

over 't moerasland heen kromde; de stormen hadden zijn' top vernield,

slechts de onderste, bijna naakte takken waren overgebleven en strekten

zich als forsch gespierde reuzenarmen naar den helderen hemel uit. De

zon was opgekomen; zij verguldde de bergruggen en wierp haar' glans

op de donkere pijnbosschen. Maar nog lag 't Skjaersjö-moeras, dat

zich naar 't zuiden uitstrekte, zoover het oog kon reiken, in donkere

schaduwen gehuld. De houtsnip, het bokje en alle nachtvogels waren

ter rust gegaan; de vroolijke boschzangers daarentegen deden in den

klaren morgenstond hunne jubeltonen weerklinken, de sparrevink liet

zijn' eentonigen slag hooren, beukvinken en winterkoninkjes kweelden

boven ons hoofd, de boschhanen balderden lustig, de lijster zong

uit volle borst spotliedjes op al zijne makkers, doch viel soms ook

plotseling in 't sentimenteele en kweelde zacht en zoetelijk eenige

weemoedige strofen. Aan gene zijde van 't moeras zat een boschhaan

uit alle macht in een' boomtop te balderen. Eenige hennen trachtten

hem al kakelend tot zich te lokken en deden een heesch neusgeluid

hooren, dat den woudgangers even liefelijk in 't oor moest klinken,

alsof bestemoer ons de jonge liefde en de teedere aandoeningen harer

kleindochter wilde vertolken.

Wij stonden in 't dichte kreupelhout op den kleinen heuvel verborgen

en verwachtten elk oogenblik den vermaarden boschhaan. Maar de oude

verliet noode zijn' harem. Eindelijk, toen de zonnestralen den top der

spar beschenen, kondigde het gesuis van zware vleugelslagen zijne komst

aan, doch hij zette zich niet, zooals we hadden vermoed, in den hoogen

boom boven ons hoofd, maar in de toplooze spar, die over 't moerasland

helde. 't Was inderdaad een prachtige vogel, een stout kampioen, zooals

hij daar op den naakten tak zat, met zijne glinsterende, lichtgroene

borst, schitterend in den zonneschijn. Eene hen vloog hem na en zette

zich in den top boven ons. Op 'tzelfde oogenblik maakte de oude zich

tot het spel gereed, hief de keelvederen omhoog, liet de vleugels

over de pooten vallen, deed onder golvende bewegingen met den hals

statig eenige schreden voorwaarts op den tak en begon te balderen,

waarbij hij den breeden staart uitsloeg als een rad. Ik stond met den

vinger tegen den haan en wachtte gespannen het beslissend oogenblik,

dat hij zijne vleugels ter vlucht zou uitspreiden; de groote vlakte,

die zich voor ons uitstrekte, schonk mij voortreffelijk gelegenheid

tot een zeker schot. Maar onder 't gekakel der hen balderde de oude

lustig door en was reeds op nieuw met zijn geratel begonnen, toen er

een tak kraakte onder mijn' voet. De hen stiet een scherp, waarschuwend

geluid uit; maar de oude was thans zoozeer in vervoering, dat hij den

welmeenenden raad in den wind sloeg en voortging met slijpen, tot zijne

trouwe minnares hare rustplaats verliet, hem te gemoet vloog en hem

van den tak naar beneden scheen te willen stooten. Opmerkzaam geworden

op hare waarschuwing, bereidde nu ook hij zich ter vlucht. Maar mijne

buks was gericht en, met den kop omlaag, stortte de trotsche vogel

neder op 't moerasland. Zijn doodstrijd was licht; slechts een paar

malen bewoog hij de vleugels.

Per sprong heen en nam den vogel op; over zijn gelaat vloog eene

schaduw van ontzetting, die echter spoedig plaats maakte voor een'

blijden glimlach van bewondering. Hij schudde met het hoofd en zeide:

"Neen, dat zou 'k niet geloofd hebben, al had de kapitein zelf

't gezeid, want 't is wel de rechte. Ik ken hem aan den bek: zoo'n

gelen, krommen, mooien snavel heeft geen enkele vogel in den ganschen

omtrek. Zie eens, hoe groen zijne borst is; hoe ze glinstert en

glanst! En wat is hij stevig en zwaar!" voer hij voort, terwijl hij

onder bijna kinderachtige uitbarstingen van blijdschap den vogel op

de handen woog. "Ik lieg niet, als ik zeg, dat hij dertig marken

weegt. Drommels, dat was een schot! Wat zal de kapitein in zijn

schik zijn! Ho! ho, hierheen!" schreeuwde hij, dat 't overal tusschen

de bergen weerklonk. Weldra verscheen de kapitein op 't marschland,

gevolgd door den knaap, die zich met de honden bij hem had gevoegd. Zij

droegen elk een boschhoen. Zegepralend hief Per onzen buit omhoog en

riep reeds van verre:

"Daar hebben we den ouden schelm, kapitein!"

"Wat zeg-je, kerel?" riep deze en kwam vol drift naar ons toe. "Is

dat de oude? Dat is een prachtig schot geweest; daar kan een hartige

dronk op staan."

"Vivant alle vogel-republieken, pereant de tirannen!" riep hij uit,

toen hij de veldflesch en een' zilveren beker uit zijne weitasch had

gehaald en ons eene teug bood.

"Nu, heb ik niet gezegd, dat de kapitein schik zou hebben?" zeide

Per lachend en grijnzend, terwijl hij, met de oogen knippend, eene

stevige teug nam uit den beker, die hem werd gereikt. "Nu kan de

jacht eerst goed worden, nu we dat duivelskind kwijt zijn."

Nadat wij van weerszijden onze ontmoetingen hadden verhaald, werden de

honden losgelaten. Vroolijk jachtgeroep weergalmde door 't woud. Weldra

hadden wij dit bereikt, en nu ging 't voorwaarts met verlangen en

lust. Duizendvoudig deed de echo het hondgeblaf weerklinken door

't gebergte, en 't hart zwol van vreugde bij de genotvolle jacht in

den zonnigen morgenstond.

Noorsche Volksvertellingen · 第 15 / 22 题