In gezelschap van een' Engelschman, Sir John Tottenbroom, een
rendierjager en zijn broeder, die ons zouden vergezellen op de jacht
in 't gebergte tusschen Sell en het Osterdal, verliet ik ....hoeve
op een' Zondagmiddag in Augustus. De jonge Brit had reeds een kijkje
genomen in Noorwegen, hij verstond onze taal en kon zich daarin des
noods doen verstaan, maar wijl hij, als de meeste Engelsche toeristen,
voornamelijk met boeren had omgegaan, sprak hij een zeer zonderling,
gebroken boersch dialect. Toch was dit niet altijd toereikend; wanneer
zijne gedachten elkaar wat snel volgden, en meestal deden ze dit
op eene tamelijk verwarde wijze, dan bediende hij zich plotseling
van zijne moedertaal, of bleef steken in een koeterwaalsch, zóó
wonderlijk, dat men vergeefs zou trachten het weer te geven. De jager
Thor Ulvsvolden was een man van middelbare lengte, met donkere oogen
en scherp geteekend, verweerd gelaat, waarop ernst en nadenken te lezen
stonden. Hij was breed van schouders, maar overigens mager; toch bewees
zijn vlugge, zekere tred, dat de kracht zijner spieren niet licht
moest geteld worden. Daar lag eene eigenaardige kalmte in 't geheele
wezen van dezen man; zijn bedrijf, dat hem elk oogenblik blootstelde
aan allerlei gevaren en ongevallen, had alle onbedachtzaamheid bij
hem doen verdwijnen en hem een rustig vertrouwen doen veroveren,
dat op elk zijner uitspraken onwillekeurig den stempel van echtheid
en oorspronkelijkheid drukte. Zij broeder Andries was blond, lang
en sterk. Hij was even wakker als plomp, een ruwe schors om eene
gezonde kern. Zonder zich lang te bedenken, volgde hij zijn' weg;
luttel bekommerde hij er zich om, waar hij de voeten zette. Vaak
moest hij dan ook de armen te baat nemen, om het noodige evenwicht
te bewaren en zijne houding geleek dan sprekend op die van een' beer,
die op de achterpooten tracht te gaan. Beiden hadden eene roode muts op
't hoofd en eene peper- en zoutkleurige broek aan. Andries was verder
gekleed in eene soort van jas van dezelfde kleur met lange panden, die
hem om de dijen sloegen, terwijl Thor zijn wambuis van rendiervel bij
de overige bagage had gelegd en in 't kortarmig onderkleed ging. In de
hand had hij een zwaar jachtgeweer. Andries droeg eene prachtige buks.
't Was stil in 't bosch; men hoorde niets dan den klank van het met
ijzer beslagen bergschoeisel der jagers en den gestadigen stap der
lastdieren, die den trein volgden met de proviand, de weitasschen
en de vischkorven op den rug. Ook de natuur scheen de rust van den
Zondag te deelen. Tegen 't vallen van den avond begon een enkele vogel
zachtkens te kweelen; sparren en dennen kruidden de lucht met hunne
geuren; over de toppen der lager staande boomen bespeurden wij nu en
dan een' bergstroom, die zoo diep onder ons zijne schuimende wateren
naar beneden stortte, dat zijn ruischen en bruisen ons oor niet kon
bereiken. Al langer werden de schaduwen; de duisternis breidde zich
uit over het dal, terwijl de nevelen omhoog stegen; maar nog speelde
't zonnelicht met rooden schijn tusschen de sparren der berghelling
door en wierp zijn' glans op de blauwachtige Lesjetoppen in de
verte. Naarmate wij hoogerop kwamen, werd het bosch minder dicht; de
sparren werden al kleiner en zeldzamer, berken en struiken daarentegen
weliger, heideplanten en grasvelden menigvuldiger. Weldra naderden
wij de dertig saeters, die hier bijeen liggen: weide aan weide,
ingesloten door kreupelhout en rotsblokken, heidekruid en grasrijke
heuvelen strekten zich voor ons uit en daarachter teekenden de hooge
toppen der Ronderbergen met hunne schilderachtige omtrekken zich
af tegen den oostelijken hemel. Vriendelijk klonken de deuntjes der
melksters in den stillen avondstond, terwijl 't vee zich al loeiend
en onder het klinken der klokjes verzamelde.
Een der eerste saeters, die wij voorbijkwamen, behoorde aan Thor. Hij
verzocht ons binnen te komen en melk te drinken; maar wij wenschten zoo
spoedig mogelijk ons nachtkwartier te bereiken, en Thor beloofde ons
zoo aanstonds te volgen. Aan 't venster zag ik een lief meisjesgezicht
en een paar nieuwsgierige manlui. Andries zeide ons, dat 't meisje
eene zustersdochter van Thor's vrouw was. Een der beide anderen was de
schoolmeester, die zijne vacantie gebruikte om haar het hof te maken;
zij wilde echter niets van hem weten, schoon hij in goeden doen zat
en bekwaam voor zijn werk was. 't Meisje had veel meer op met een'
opgeschoten knaap, die ook naar haar vrijde.
Toen wij bij Laurgaard-saeter kwamen, stond de melkmeid op den drempel
voor de halfgeopende deur. Zij was rank, maar tevens krachtig van
bouw; hare witte hemdsmouwen, een rood jak en eene donkere huif deden
hare flinke gestalte voordeelig uitkomen. Zij stond met den rug naar
ons toegekeerd; wij zagen slechts den blanken nek en het welgevormde
hoofd met blond haar, welks rosse tint door de avondzon nog sterker
werd gekleurd. Ze was bezig eene zwartbonte geit tot zich te lokken,
die op het met gras begroeide dak was geklauterd, waar zij aan de
schors van een' jongen berk knabbelde, die op 't erf stond.
"Texa, Texa, Texa, kom beestje, kom dan--wacht jou kleine schelm,
ik zal je leeren 't dak te vernielen en den berk af te knabbelen;
pas op!" riep ze.
"Goeden avond Brit," zeide Andries.
"God zegen' je," antwoordde zij, en toen zij zich had omgewend en
onder de hand door, waarmee ze de laatste zonnestralen afweerde,
ons had opgemerkt, voegde ze er vriendelijk bij: "Gods vrede! Dat
zijn zeker vreemden, die hier hun' intrek zullen nemen?"
"Ja," zeide Andries; "en wat flinker kerels, dan die je hier op de
saeters hebt;--ze zullen je daarom geen kwaad doen," voegde hij er
vergoelijkend bij.
"Men kan wel zien, dat het ferme lui zijn," zei Brit, maar kon
toch een' glimlach niet weerhouden, terwijl ze ons uitvorschend
bekeek. Vooral de figuur van Sir John en zijne lange lokken schenen
zeer hare opmerkzaamheid te trekken.
"En die--is dat ook een kerel? Hij lijkt meer op eene vrouw in
manskleeren," voegde ze er spottend bij.
"Heb-je dan wel vrouwvolk gezien, dat zoo lang was en bakkebaarden
had?" vroeg Andries.
"Neen, neen, je hebt gelijk, Andries," antwoordde ze met een'
hartelijken lach. "Maar, gaat naar binnen, die vreemden kunnen toch
niet buiten blijven staan; zij zullen wel raar opkijken, maar we hebben
hier wel meer vreemde lui gehad," voegde zij er bij en snapte voort
tegen Andries op een' goedigen, ondeugenden, soms half ironischen toon.
In de saeterhut, een groot vertrek met balken en binten van sparrehout,
in welks eenen hoek zich een wijde schoorsteen bevond, heerschte de
weergalooze orde en reinheid, welke de berghutten in 't Gudsbrandsdal
kenmerkt, vooral wanneer men er vreemdelingen verwacht. Langs den
lagen wand, op borden en rekken, stond de kaas; op den grond lagen
emmers en nappen opgestapeld, en zoowel deze als de banken en de tafel
waren helder wit of blinkend geschuurd. Door 't verbazende vuur, dat
op den haard onder den ketel vlamde, werd de lucht telkens ververscht;
men ademde hier niet, als op zoovele saeters, in eene duffe, bedorven
atmospheer; eene aangename geur kwam ons tegen van de pijnnaalden,
waarmee de grond was bestrooid en van de vriendelijke, witte bergbloem,
[5] die op hare breede, vleezige, lichtgroene bladerkroon aan
't venster prijkte, omgeven door kransen en figuren van hooggele,
geurige goudsbloemen, alles ter eere van ons bezoek.
"Maar wat willen de lui toch hier in 't gebergte; ze hebben 't wis
beter thuis dan op de saeters bij 't vee," zei Brit, toen 't gesprek
een ommezien haperde, niet zonder een beetje nieuwsgierigheid.
"We wilden eens zien, hoe 't er hier in 't gebergte uitziet, en dan
wilden we ook rendieren schieten," antwoordde Sir John.
"Ja wel, rendieren schieten, als er maar rendieren zijn! Ik vrees,
dat je 't zult opgeven en je kameraad ook, vóór je er één hebt
gezien. In 't voorjaar had-je hier moeten zijn, toen we den saeter
betrokken, toen zwierven hier eene menigte mooie beesten rond. Op
een' der Vaage-saeters is een meisje, dat Barbro heet; 't is nog
eene jonge deern, maar die heeft er een geschoten. 't Dier was op de
weide onder de kudde geraakt en liep rustig te grazen. Nu hing er
in de hut een geweer aan den zolder; zij wist, dat 't geladen was
voor de grauwpooten; dat nam ze, sloop weg en lei 't den os over
den rug. Ze mikte voorzichtig, heel behoedzaam; maar toen 't schot
afging, tuimelden ze alle drie neer: de deerne, 't rendier en de os;
de laatste stiet een hevig gebrul uit van schrik, maar 't rendier
stond niet meer op, en de predikant kreeg een heerlijken rendierbout."
"We hebben hier nog wat te doen, Brit," voegde ik er bij; "we zouden
gaarne sprookjes hooren. Weet-je iemand, die flink kan vertellen?"
"Er zijn hier een paar meisjes in de nabuurschap; 'k zal een boodschap
zenden, dat ze van avond hier komen," antwoordde zij; "die kunnen,
als ze willen, wel wat vertellen. Maar de schoolmeester, die kent
eerst eene menigte histories. Gisteren was hij bij Marit, en als de
hemel niet is ingevallen, zal hij er nog wel wezen, ten minste als
Hans nog niet weg is.
"Ik heb den schoolmeester reeds verzocht hier te komen, en Hans en
Marit ook," zeide Thor, die nu binnentrad en zijn geweer tegen den wand
zette; "ik wist, dat ge veel van sproken houdt, en zij kennen er wel."
"Als de schoolmeester begint, dan komt er geen eind aan de
geschiedenissen en vertelsels uit den Bijbel en allerlei geleerdheid,"
zei Brit; "maar toch is hij te beklagen, de stumperd; 't moet niet
alles zijn zoo alleen te branden als een harstige dennetak."
't Duurde niet lang of het gezelschap uit den saeter van Thor
kwam binnen. Marit was een door- en doorgezonde deerne, met eene
kleur als melk en bloed, een paar levendige kijkers en eene slanke
gestalte. Uit 't gezicht van Hans sprak eene frissche onbedorven
natuur, een rondborstige aard en de overmoed der jonkheid. De derde was
de schoolmeester; schoon hij de drie kruisjes nog niet lang achter den
rug had, was zijn gelaat reeds vol kreuken en rimpels, die voornamelijk
te wijten schenen aan de voortdurende zorg, om zich met de noodige
deftigheid voor te doen. Ook zijne kleeding verried het streven, om
zich van de overige boeren te onderscheiden. Hij had eene donkerbruine
jas met ontzettend lange panden aan; om den hals droeg hij eene witte
das en opstaande boorden, die hem bijna tot den neus reikten. Ter
hoogte van zijn' rechter vestzak zag men een' zonderlingen knubbel,
dien ik eerst voor een monstergezwel hield; later merkte ik, dat het
een groote inktkoker was, dien hij overal met zich voerde. Zijn geheele
voorkomen maakte op den vreemdeling een' zeer onbehagelijken indruk,
die nog verergerd werd door de geaffecteerde wijze, waarop hij den
mond samentrok, als hij sprak. De weetgierigheid en belangstelling
van den bergbewoner tegenover den vreemdeling, dien hij voor zich
ziet, zijne openhartige, naïeve, somwijlen ook ongepaste vragen zijn
bekend. Maar hier vertoonde zich onder een vernis van beschaving eene
onverdragelijke indringende nieuwsgierigheid, die nog onuitstaanbaarder
werd door den triomfanten blik, welken hij bij iedere vraag om zich
heen wierp. 't Was, of hij zich onder de schooljeugd van Vaage bevond,
en op zijn gelaat lag een trek, om zijne saamgetrokken lippen een
grimlach, die allen aanwezigen scheen toe te roepen: "Heb ik dat niet
goed gezeid? Ja, ik weet zulke kerels wel op den tand te voelen!"
Tot nu had ik bijna alleen 't gesprek met den schoolmeester
gevoerd. Den stroom van nieuwsgierige vragen, op gemaakten toon gedaan,
in schoolvossenstijl, eene op stelten gaande navolging van verouderde
boekentaal, waartusschen van tijd tot tijd plotseling plompe staaltjes
van 't Gudbrandsdalsche dialect voor den dag kwamen, had ik deels
beantwoord, deels afgekeerd. Maar eindelijk verloor mijn reismakker,
die nog minder dan ik gesticht was over 't onderzoek, waarvan wij
't voorwerp waren, zijn geduld en viel tamelijk barsch uit in zijne
moedertaal:
"De duivel hale dien vent en zijne oogen en zijne tong en zijne
onbeschaamdheid!"
"Ah!" zeide de schoolmeester met een gezicht, alsof hij een som uit den
regel-van-drieën had gevonden: "thans is het mij op eenmaal duidelijk,
dat de heeren reizigers zijn uit vreemde landen; wellicht uit Engeland
of Frankrijk, of misschien wel uit Spanje; voor korten tijd kwam hier
immers een graaf uit laatstgenoemd land!"
"Nu zijt ge in de war, schoolmeester," antwoordde ik. "Ge kunt toch
wel hooren, dat 't Noorsch mijne moedertaal is; en mijn reisgezel,
Sir John Tottenbroom, komt uit Engeland."
"Zoo, zoo--is die geëerde heer uit 't Britsche rijk gekomen?" zei
de schoolmeester, terwijl hij een' blik in 't rond sloeg, om de
opmerkzaamheid te vestigen op de geographische kennis, die hij nu
dacht ten toon te spreiden: "En is hij hierheen gereisd te water over
de wijde zee, welke de Noordzee wordt geheeten, of heeft hij den weg
te land gekozen door Frankrijk, Holland, Duitschland, Denemarken en
Zweden? En tot welk doeleinde is hij hierheen getogen, indien 't mij
vergund zij zulks te vragen?"
"Vraag maar, schoolmeester," antwoordde ik aanmoedigend. "Uwe eerste
vraag kan ik beantwoorden; hij is over de Noordzee gekomen. Wat de
tweede betreft, moogt ge u tot hem zelven wenden."
"Uit hem zul-je wel wijs worden, schoolmeester," merkte zijn
medeminnaar op, die behagelijk zat te rooken uit een meerschuimen
pijpje met zilveren beslag, een hoornen roer met koperdraad omslingerd
en een lang mondstuk; "de vent brabbelt niets anders dan Engelsch."
"Ja, indien hij de Duitsche taal meester ware," zeide de schoolmeester
op een' toon van gewicht, "dan zoude ik wel met hem kunnen spreken;
want daarin ben ik redelijk wel ervaren--ik heb Geddike's Leesboek
en Hübner's Geographie in die taal bestudeerd."
"Spreek hem maar in 't Duitsch aan, schoolmeester," zeide ik, "dan
zal hij u wel antwoorden."
"Damyou," viel Sir John uit, die ondanks zijne ergernis zich
niet kon weerhouden te lachen over de verlegen houding van den
schoolmeester. "Ge wilt weten, waarom ik hier ben?" ging hij voort
in niet al te slecht Duitsch. "Onder andere reis ik om de zotheden
der menschen te bestudeeren, en naar 't schijnt, zal ik er hier eene
uitstekende gelegenheid voor vinden."
"Dat is Engelsch, dat versta ik niet;" zeide de schoolmeester,
"maar," ging hij voort in een afschuwelijk mengelmoes van Noorsch
en Duitsch, terwijl hij 't eerste onderwerp het beste, dat hij in
't kastje zijner kundigheden kon vinden, te voorschijn haalde,
"wat is uw oordeel aangaande het feit, dat geschreven staat van den
Pontus Euxinus, die in 't jaar 715 dicht vroor tot op eene diepte van
40 ellen, en toen het ijs smolt, zulk eene verbazingwekkende warmte
uitdampte, dat er eene pestilentie ontstond, waardoor alle menschen
te Konstantinopel stierven?"
't Schaterend gelach, dat losbarstte over dit "feit" uit Hübners
Geographie, maakte een einde aan de Duitsche conversatie en een'
tijd lang was de schoolmeester innerlijk verontwaardigd over onzen
spot. Hij scheen echter niet heel onverzoenlijk van aard; toen wij
al dichter om den haard schoven, naderde hij den kring. De meisjes,
die vertellen zouden, waren gekomen; zij zagen er net en vriendelijk
uit. Eéne van haar had zelfs eene bevallige houding en een fijn
besneden gezichtje, dat echter in bleekheid de bergbloem evenaarde.
Toen Brit mijne uitnoodiging om sprookjes te vertellen ondersteunde,
verzekerden ze lachend, dat ze er geene kenden. Allen waren ze wat
bloode en niemand wilde beginnen.
"Neen, de schoolmeester, de schoolmeester," riepen ze, "die kan
vertellen, die kent wel mooie histories."
"Ja," zeide de schoolmeester, "ik zou wel iets kunnen verhalen uit de
bijbelsche historie, of ook bijv. van keizer Octavianus. Bovendien
ken ik eene zeer droeve liefdeshistorie van den manhaften ridder
Tristand en de deugzame prinses Indiana, en zoo voort, etcetera."
"Neen, mijn waarde schoolmeester," viel ik hem in de rede, "de
histories, die ge daar noemt, ken ik al op mijn duimpje; wat ik wensch
te hooren, zijn vertellingen over Huldren en heksen, sprookjes van
Asschepoester en dergelijke, die nooit gedrukt zijn, maar alleen in
den mond van 't volk leven."
"Zulke nesterijen kan ik niet vertellen," zei de schoolmeester op
geraakten toon, "dat past geen' leermeester der jeugd en allerminst een
lid van 't dorpsbestuur, als ik, die de constitutie heb bezworen. Wat
zou ik moeten zeggen, indien men mij vroeg of 't waar was, dat Halsten
Röen sprookjes had zitten vertellen als eene oude baker?"
"En wat heb-je dan wel gezegd, toen je die sprookjes van je-weet-wel
opgedischt en het avondliedje hebt gezongen op Ulvsvolden, verleden
jaar op kerstmis?" vroeg zijn medeminnaar met een spottend lachje.
"Wat ik antwoordde, komt thans niet te pas," zeide de schoolmeester;
"maar wat goed is voor u en andere eenvoudige lieden, is dit nog niet
voor reizigers, die het karakter en de zeden der volkeren bestudeeren;
ik acht het beter wijsheid te putten uit de scherpzinnige opmerkingen
van zoodanige mannen, dan dwaze en onbeduidende boerenvertellingen te
doen hooren; want reizigers zijn wereldwijzen en ik zal hun daarom
ernstelijk verzoeken mij iets te willen mededeelen van de schatten
hunner kennis."
Ik zocht hem te beduiden, dat ik in de stad genoeg te doen had met
onderwijzen, om ten minste op een toertje door het gebergte van de
lasten dier taak ontslagen te zijn.
"Als dan niemand wat wil vertellen," begon Andries, "dan zal ik
de historie mededeelen van een' man, die in de buurt van het Hedal
woonde. Hij heette Hogner; maar later noemde de menschen hem Hogner
Duivelkloover. Hij was een jaar of wat zeeman geweest; maar toen hij
een aardig duitje had verdiend, zoodat hij de hoeve van zijn' vader
kon overnemen, besloot hij thuis te blijven en ging uit vrijen naar
een meisje uit Vaage, dat als melkster op een' saeter diende.
Eens toen hij den saeter opzocht, was de melkster verdwenen en de
hoedster kwam schreiend met het vee naar huis.
"Wat scheelt er aan, en waar is de melkster?" vroeg Hogner.
"Daar zijn drie berggeesten gekomen en hebben haar weggevoerd," snikte
't meisje.
Hogner vloog dadelijk heen om zijne liefste op te zoeken en zich op
de berggeesten te wreken; hij nam iemand met zich mee, die Haarek
Langbein heette. Zij zochten wijd en zijd, in bosch en veld, op
hooge bergtoppen en in diepe dalen, maar noch de berggeesten, noch
het meisje waren ergens te vinden. Eindelijk, toen zij bij de weiden
van Stuttgang waren, daar ontmoetten zij een' berggeest.
"Wacht even," zeide Hogner en bracht den geest met zijn zwaard eene
wond toe; daarop trok hij een' kring in den grond om hem heen, maakte
een kruis in de lucht boven zijn hoofd en bande daardoor den boozen
geest op de plek, waar hij stond.
"Waar is de melkster van Rönnaas gebleven?" vroeg hij den geest. Deze
wilde niet antwoorden, maar Hogner dreigde hem zoo lang, tot hij
bekende, dat zijn makker Platneus, die in 't veld bij Stuttgang huisde,
het meisje had weggevoerd.
"Morgen viert men bruiloft," zeide hij, "en ik moet naar Skulen en
naar den Reuzenberg om zijne familie uit te noodigen."
"Sta daar tot ik weerom kom," zei Hogner en hieuw nog eenige malen
kruiselings in de lucht, en de menschen zeggen, dat de berggeest nog
altijd op dezelfde plek bij Stuttgang staat, maar ik heb hem nooit
gezien. Of Hogner zijne liefste terug kreeg of niet, zou ik niet
kunnen zeggen, maar sinds noemde men hem altijd Hogner Duivelkloover."
"Dat is eene onzedelijke vertelling uit den paapschen tijd, 't welk
duidelijk blijkt uit het teeken des kruises, en zulke verhalen
heeft de Duivel bedacht," zeide de schoolmeester op zalvenden
toon. "Vermoedelijk hebben eenige struikroovers, die zich daar schuil
hielden, de melkster weggevoerd, die klaarblijkelijk een lichtzinnig
vrouwmensch was, zooals er vele op de saeters worden gevonden; later
heeft men de berggeesten er bij gehaald. Ik zal thans eene waarachtige
historie verhalen, waarvan mede de Huldren en berggeesten de schuld
kregen, terwijl men de gansche gebeurtenis alleen moest wijten aan
de slinksche streken van een' slimmen vogel."
"In het hoofdkerspel Vaage," zoo begon hij, terwijl hij eenige
malen kuchte en hoestte en langzaam den blik liet weiden over alle
aanwezigen, "leefden voor langen tijd een paar echtelieden, Steingrim
en Jöda, die in deze bergstreek hun bestaan vonden in veehoeden
en het vangen van wild. De man, Steingrim, vond den dood bij een'
sneeuwval in Jöndalsbraatom. In 't zelfde jaar werd hun volwassen
zoon, Ivar, tot den krijgsdienst geroepen, en Jöda bleef de eenige
verzorgster van vele kinderen. De tweede zoon, Björn, was, schoon
nog jong, reeds eenigszins de steun zijner moeder. Hij was zeer
groot voor zijne jaren, vlug en waagziek, en overtrof elkeen in 't
loopen op de sneeuwschoenen, in 't vangen van wild en op de jacht. In
't bijzonder legde hij zich toe op de kennis van de plaatsen, waar de
rendieren zich in de verschillende seizoenen en bij verschillend weder
ophouden, waar zij een toevluchtsoord zoeken, of die zij ontvlieden,
en hierdoor vermoedelijk kwam hij tot de ontdekking van de fijne en
scherpe reuk der rendieren, die hem, naar men verhaalt, leidde tot
de uitvinding der "blinde schutters." [6] Meestal was Björn door
menschenschuwheid bevangen en zocht bij elke gelegenheid alleen op
de jacht te gaan, en zijn geluk bij dit handwerk deed ieder verbaasd
staan. Sommigen meenden, dat hij door tooverij vogels en dieren aan
ééne plek kon boeien, zoodra hij ze in 't oog kreeg; anderen, dat hij
in bondgenootschap stond met de berggeesten en in sommige gevallen
hulp en onderricht van hen verkreeg in de voordeeligste wijze van
jagen. In dezen waan werd het volk versterkt door de omstandigheid,
dat men hem kuilen zag graven voor de rendieren en eene hut opslaan
op plaatsen, waar te dier tijd niemand, ook zelfs een' enkelen
nacht, durfde doorbrengen uit vrees voor de berggeesten, die er zich
ophielden. Nu en dan verhaalde hij bovendien zelf, hoe de reuzen hem
eene poets hadden gespeeld en hem in ongelegenheid hadden gebracht,
maar dat hij dan ook altijd geholpen was door den reus van Skulen,
den Skul-reus geheeten." -- -- --
Het was duidelijk, dat de vertelling van den schoolmeester even lang
en vervelend zou worden, als de lijkebiddersstijl, waarin hij haar
voordroeg, bespottelijk was. Met genoegen merkte ik dan ook op, hoe
onrustig hij werd, toen hij bespeurde, dat zijne uitverkorene was
verdwenen. Door 't venster ziende, bemerkte hij, dat ze naar een'
van de naastbijgelegen saeters ging. Zijne onrust nam nog toe, toen
hij zijn' medeminnaar haar spoor zag volgen. Hij werd verstrooid,
begon te stotteren en moest elk oogenblik naar zijne woorden zoeken.
"Met verlof," zeide hij eindelijk, "ik kan mij alles niet goed meer
herinneren en heb ook nog eenige zaken te verrichten. Wees gij zoo
goed, Thor, en verhaal het overige; ge weet het wel," en ijlings
verliet hij het vertrek.
De meisjes schaterden het uit en beklaagden den armen schoolmeester
om zijne jaloerschheid. Op mijn verzoek nam nu Thor het woord op en
ging voort:
"In 't kerspel ligt eene hoeve, Öst-Eng geheeten; daar woonde een man,
die Baard heette. Hij was ook jager en kon niet velen, dat Björn altijd
zoo gelukkig was op de jacht. Deze Baard Öst-Eng had eene dochter,
die Rundborg heette. Naar haar vrijde Björn ter sluiks, maar zoodra
haar vader dit merkte, zwoer hij, als hij hem ooit op zijne hoeve
vond, dat hij hem dan precies zou behandelen als een wild rendier;
op staanden voet zou hij hem doodschieten.
"Mijne dochter zal zich nooit verslingeren aan een' landlooper,"
voegde hij er bij. Hij bestemde 't meisje nu voor iemand uit
Skaarvangen. Dit was Selvor Oppistuen; hij was half simpel en
een monster van leelijkheid. Rundborg smeekte wel, dat haar vader
haar niet tot dit huwelijk zou dwingen, maar het baatte niets. Toch
bracht ze het zoover, dat zij niet vóór de bruiloft, die met St. Jan
zou worden gevierd, den bruidegom behoefde op te zoeken. De bruigom
ging zelf de gasten te bruiloft noodigen en zoo kwam hij ook in 't
boschvlek bij de familie en de buren der bruid. Op Sönste-Eng was
hij reeds de deur uit, toen de eigenaar hem naliep en vroeg:
"Maar op welken dag moeten we komen? Dat hebt ge vergeten te zeggen."
"Ik weet het nog niet; 't zou morgen kunnen zijn, maar 't kan ook best
eerst vandaag over eene week wezen; maar we zullen op de fluit spelen,
als we voorbijkomen, wees dan zoo goed ons te volgen," antwoordde hij.
Dit hoorde een broer van Björn en liet het dezen dadelijk
weten. Björn had spoedig zijn plan gemaakt; hij liet zijne moeder
en zijn' broer voor de zaken zorgen en ging naar Skaarvangen. Eerst
wilde hij 't gevolg van den bruidegom beletten het huis der bruid
te bereiken. Daartoe ging hij 's nachts naar eene bergkloof bij
Skaarvangen en wilde de brug vernielen, die er voor 't vee over de
kloof was geslagen, maar de vader van Selvor en een paar vrienden
beletten hem dit. Toen wou hij eene brug afbreken, die een eindweegs
verder op eene lagere plaats lag, en dit gelukte hem. Den volgenden dag
vertrok Selvor met zijne vrienden tegen den middag van Skaarvangen;
maar onderweg vernamen zij, dat de brug, die zij over moesten,
vernield was; nu moesten zij een' grooten omweg maken en bovendien
de ondiepte bij Sandbo doorwaden. Toen zij in 't boschvlek kwamen,
reden sommigen uit den stoet verder, om de bruid af te halen; de
overigen bleven achter. Dezen dronken tot tijdverdrijf uit hunne
veldflesschen en bliezen op de fluit, maar ondertusschen zat de broer
van Björn een eind van den weg af in 't kreupelhout neergehurkt;
en toen men opstond, volgde hij van verre.
't Duurde echter geruimen tijd, eer de gasten klaar waren en zich bij
de overigen voegden, omdat de dag van de bruiloft niet nauwkeurig
was bepaald. Eindelijk kwamen ook de bruid en hare familie met den
bruidegom en zijn gevolg. De kerk stond destijds ten zuiden van Sandbo,
en toen men hier kwam, was de avond reeds gevallen. Dienzelfden dag
nog naar 't huis der bruid terug te keeren, bleek ondoenlijk; daarom
namen Bottolf Holen en Alf Svare elk een deel van den bruidsstoet
in huis. Zij gaven den gasten rijkelijk te eten en te drinken en
deden hun daar geen' ondienst mee, want behalve een' droppel of wat
uit de veldflesch, hadden zij den heelen dag niets genoten. Toen ze
zich wat verkwikt hadden, noodigden Bottolf en Alf hen uit zich wat
te vermaken. De jonggetrouwden zouden slapen op den zolder boven het
proviandhuis van Svare. Laat in den avond kwam Björn's broer bij dezen
en vertelde hem, dat de bruid den nacht op Svare-hoeve doorbracht.
"'t Zou me verwonderen, als ze daar morgenavond nog was," zei
Björn. Maar toen het nacht was geworden en de gasten allen ter rust
waren gegaan, sloop er door de zolderdeur eene groote, forsche
vrouwengestalte binnen, in een groen overkleed en met een groot
blank mes in de hand. Zij scheurde de bruid uit de armen van den
bruidegom. Deze greep nog naar haar, maar op 't zelfde oogenblik sneed
de Hulder met het mes in den wand, dat de splinters er afvlogen. Toen
dorst de bruigom de oogen niet meer opslaan, maar hij vloog 't vertrek
binnen, waar zijne vrienden lagen, en kreet met groot misbaar, dat
de Hulder van 't Jöndal op den zolder was geweest en zijne bruid had
weggeroofd, om haar tot vrouw te geven aan haar' zoon. En hij mompelde,
dat hij zich van kant wou maken.
"Waren we maar beneden gebleven, dan had misschien de Hulder haar
niet durven rooven!" jammerde hij.
Allen deden hun best, om hem zoo goed mogelijk te troosten, maar toen
hij dit zeide, schaterden zij 't uit. Selvor wou dadelijk naar huis,
naar zijne moeder; maar toen men bij de Skjaervenbrug kwam, waren
de palen doorgehakt, de brug was weggedreven en men kon onmogelijk
aan den overkant komen. Aan den anderen oever stonden menschen uit
Skaarvangen, die schreeuwden, dat ook zij de rivier niet over konden;
maar hoe men schreeuwde en riep, men kon elkander niet eens verstaan:
de rivier was buiten hare oevers getreden en stortte zich met donderend
geraas naar beneden.
Nu zond men een' bode naar den predikant. Deze ried aan, de kerkklokken
uit den toren van Vaage te nemen, die naar 't Jöndal te brengen en daar
drie etmalen lang te luiden. Dat deed men; over den Reuzenberg voerde
men de klokken naar een groot veld in 't Jöndal, en sedert dien dag
draagt die vlakte ook den naam van 't Klokkeveld. Drie etmalen lang
luidde men, maar te vergeefs: de bruid was weg. Nu gaf een oud man
den raad, drie donderdagavonden achtereen te luiden, maar dit hielp
evenmin. Eindelijk verscheen Björn en vertelde, hoe hij had gedroomd,
dat Rundborg door de berggeesten heel slecht werd behandeld. Maar de
Skulreus had hem zijne hulp beloofd, als hij haar wilde verlossen,
want de reus was gebeten op de Huldren van 't Jöndal. En niemand
anders kon Rundborg bevrijden, want op hem had ze hare zinnen gezet;
maar kreeg hij haar niet tot vrouw, dan wilde hij geen' stap doen om
haar uit den berg te halen. Toen Baard en Selvor dit vernamen, waren
ze woedend op Björn, en dreigden hem met al wat ze konden bedenken,
zoo hij Rundborg niet verloste. Maar Björn hield het been stijf en
draalde zoo lang, tot hij haar ten slotte kreeg.
"Ja, zóó is 't gegaan," zeide Brit, toen Thor zijne vertelling had
geëindigd, waarvan menige trek herinnerde aan den ruwen sagentijd.
"Als de schoolmeester 't vertelt," ging zij voort, "dan brabbelt hij
wat, dat geen mensch kan begrijpen van den predikant en den duivel,
en dan zegt hij, dat Björn de bruid van den zolder wegvoerde; maar
dat is niet waar: hij verloste haar juist, maar de Jöndals-Hulder,
die had haar geroofd."
Geen van ons viel 't in, deze bewering van Brit te bestrijden; maar
de vele namen en plaatsen, welke in Thor's vertelling voorkwamen,
gaven ons, in dezen omtrek onbekend, aanleiding tot een nader
onderzoek naar de geographie van Vaage. Lang en breed werd er nu
gesproken over 't dal, de rivieren, bergtoppen, meren, visschen,
vogels, 't wild en de menschen. Onder dit gesprek, voor mij in
't bijzonder zoo leerrijk en onderhoudend, zette Brit ons een
welsmakend en voor een' saeter zelfs kostelijk maal voor. Tegen
't einde daarvan kwam Marit, de aangebedene van den schoolmeester,
binnen en fluisterde den anderen meisjes, al giggelend en lachend
iets in 't oor. Brit nam van harte deel in de vroolijkheid, en toen
Andries vroeg, waar Hans en de schoolmeester waren gebleven, vertelde
zij, dat de eerste den schoolmeester bij den neus gehad en hem van
den eenen saeter naar den ander had laten loopen. Eerst was hij zelf
daar rondgegaan en had den meiden ingeblazen, wat ze moesten zeggen,
wanneer de schoolmeester kwam; en overal, waar deze toen de klink
oplichtte en naar Marit vroeg, antwoordden ze: "Wel zeker, Marit
en Hans zijn beiden zoo pas de deur uit; ze zeiden, dat ze naar den
naasten saeter wilden." Maar eindelijk had hij eenige lui ontmoet,
die hem duchtig hadden onthaald op brandewijn; "en nu," besloot Brit
op medelijdenden toon "nu praat hij als eene kip zonder kop."
"Ja," voegde Marit er bij, "en hij is nu in zoo'n best humeur, dat
zijn hoed op één haartje staat; maar op Hans is hij woedend. Hij zal
stellig gauw hier zijn en dan zult ge eene grap zien gebeuren."
't Duurde niet lang, of we vernamen de stem van Hans, die een aardig
liedje zong. Eenige oogenblikken bleef hij buiten staan en liet zijne
diepe basstem hooren, klaarblijkelijk met 't doel, om door iemand,
die ook den saeter naderde, te worden verstaan. Hij zong 't deuntje
van den vos, die een hoen zoekt te verschalken, maar die, van den
meester der hen een' steen en een aantal krachtige verwenschingen na
zich krijgt. Wie aan 't rosse haar van den schoolmeester en aan zijne
verliefdheid dacht, zag dadelijk in, op wien het gemunt was. Toen 't
liedje uit was, trad hij kleurende binnen en ging in een' hoek van 't
vertrek zijn pijpje zitten rooken. Spoedig kwam ook de schoolmeester,
door een' vreemde gevolgd. Hij had den halsboord hoog opgetrokken en
zocht zich zooveel vertoon van waardigheid te geven, als maar mogelijk
was; maar zijne stijve houding en zijn glazige blik verrieden zijn'
toestand reeds eer hij den mond opendeed.
"Ik vraag u vergiffenis, hooggeëerde heeren," zei hij met eene dikke
tong en eene bespottelijke buiging, "'t was niet hoffelijk van mij,
dat ik zoo plotseling de deur uitstoof en de taak, om u te onderhouden,
overliet aan dezen waardigen rendierjager, die toch altijd een leek
blijft, en aan deze beminnelijke verzorgsters der kudde. Maar ik ben
een leermeester der jeugd, en met godsvrucht en deugd laat ik niet
spotten. En daar ik als 't ware een deel der geestelijkheid uitmaak,
die gehouden is de tucht en het zevende gebod te handhaven, kan ik
zoo iets niet dulden. Neen, dulden zal ik 't nooit! En ik moet er rond
voor uitkomen, 't is eene afschuwelijke gewoonte, dat jonge knapen de
meisjes naloopen, eer zij nog dons op de bovenlip voelen. En daar ik
nu dezen lichtzinnigen Hans eene maagd zag vervolgen... foei!..." hier
spuwde de schoolmeester in edelen toorn en ging voort: "want, zoo
als ik zei, ik ben een gezworen vijand van allerlei bedrog, van
lichtzinnige praatjes en handelingen, van dobbelen, dronkenschap en
den goddeloozen dans."
"Nu maakt ge 't wezenlijk al te erg, schoolmeester," viel Marit uit,
"ik vind 't wat prettig, als de veel gaat; 'k word dan haast zoo
vroolijk, als de vedel zelf."
"Dat is waar, mijn kind," antwoordde de schoolmeester ontwijkend
en met zijn' zoetsten glimlach, "ik sprak dan ook slechts van den
lichtzinnigen dans. Ook ik ben van oordeel, dat het een genot is,
lieftallige meisjes te zien dansen, namelijk, wanneer zij ten dans
gaan met een eerbaar man, die eene gepaste deftigheid nooit uit het
oog verliest."
Maar meegesleept door de macht der beminnelijkheid, die hij prees,
begon hij plotseling met de noodige trillers en eene heesche stem een
loflied vol geestdrift aan te heffen op den wijn en de schoonheid,
dat kwalijk in overeenstemming kon gebracht worden met de strenge
beginselen, die hij zoo even had beleden.
"Wat mag alle vreugde baten,
Alle schatten van deze aard?
Zonder wijn en mooie meisjes
Zijn ze mij geen oortje waard.
Elk is graag,
Waar meisjes zijn,
Ieder prijst
Den eedlen wijn!"
"Dat was een aardig wijsje, schoolmeester," zeide Hans, terwijl hij met
den pijp in den mond uit zijn' hoek te voorschijn kwam, "maar nu zal
ik eens een deuntje zingen, dat ge misschien nog nooit hebt gehoord.
"Och, arme sul, och, groote kwast,
Je haalde 't fleschjen uit de kast,
Maar wat je hieldt voor brandewijn,
Dat was juist bitt're terpentijn,
Dat was juist bitt're terpentijn!"
Men kon duidelijk zien, hoe dit rijmpje, dat, naar ik later hoorde,
zinspeelde op een voorval uit 't leven van den schoolmeester, zijn'
toorn deed ontvlammen. Daar kwam nog bij, dat hij zijn' medeminnaar
elders had gewaand; hij wischte zich den mond met een pand van zijne
lange jas en borst uit:
"De jeugd heeft alle schaamte uitgeschud in onze dagen; dat komt
daar vandaan, dat zij niet genoeg kennis maakt met den stok. Zoo'n
onbeschofte melkmuil! Dat zit pijpjes te rooken, dat gaat heimelijk
uit vrijen, dat ontziet zich niet, eerwaardige mannen te beleedigen,
die al hun leven wijsheid hebben gegaard! Sta op, zeg ik je, wanneer
ik spreek," voer hij voort, "zooals de Spartaansche jongelingen deden
in 't bijzijn van ervaren mannen en grijsaards. Weet, dat ik twintig
jaar lang heb gestudeerd bij den ouden predikant Grönbeck. Sta op,
zeg ik je!"
Maar Hans bleef rustig zitten, glimlachte even en liet twee rijen
blinkend witte tanden zien. 's Schoolmeesters roes was klaarblijkelijk
verergerd, en wie weet, wat het einde der historie zou geweest zijn,
zoo Marit niet tusschen beiden ware gekomen. Zij reikte hem eene
schaal met melk en zeide:
"Och, laat den jongen loopen, schoolmeester. Wees niet boos, en denk,
dat er vreemd volk bij is."
Toen hij had gedronken, wendde hij zich weder tot ons. 't Scheen,
dat hij zich wilde verontschuldigen over den toestand, waarin
hij verkeerde en de ongunstige meening, die wij door de herhaalde
toespelingen van Hans van hem moesten opvatten, wenschte uit te
wisschen. Hij zeide daarom:
"Die verderfelijke alkohol! Wel is zij de moeder der dwaasheid! Ik
leef anders altijd zeer matig, als ik me zelven dit getuigenis
mag geven, en over 't algemeen ben ik geenszins verslaafd aan een
onmatig gebruik van dat afschuwelijke vocht. Maar ik moet me bij
u verontschuldigen, hooggeëerde heeren en waardige dorpsgenooten,
over mijn lang wegblijven. De weg naar de deur valt iemand zoolang,
wanneer hij onder vrienden is. Eenige goede kennissen en buren hebben
me namelijk van hun' brandewijn laten proeven. En hier in 't gebergte
doet een borrel 't lichaam goed. Ja, ik zal 't ronduit bekennen, als
mij een borrel wordt geboden, veroorloof ik mij de weelde, dien aan
te nemen, maar--nooit te veel."--En onwillekeurig viel hij weer uit:
"Laat ons klinken, laat ons klinken,
Brandewijn smaakt altijd goed;
Wie slechts water heeft te drinken,
Is voorwaar een arme bloed!"
"Neen," ging hij voort, "nooit te veel, de hemel beware me daarvoor! Ik
weet nog heel goed, wat ik heb gezegd en gedaan en wat ik nu nog te
zeggen en te doen heb ook; maar 't is toch verderfelijk vocht. Maar wat
ik zeggen wou, ik was bezig met de belangwekkende historie van Björn
Praeststulen, toen ik, met verlof, heenging in 't vast vertrouwen,
dat zij nauwkeurig zou worden vervolgd. Mijn waardige vriend, Thor
Ulvsgaarden, ge hebt toch wel verhaald, hoe de geestelijkheid daarin
betrokken werd en hoe ten slotte de burgerlijke rechter 't geding
moest beslissen?"
"Zie-je, ik heb 't wel gezegd," zei Brit. "Gij haalt er altijd zooveel
dingen bij, dat niemand er iets van begrijpt. Thor heeft er geen
woord van gezeid."
"Gebrek aan kennis, kind; gebrek aan kennis," hernam de schoolmeester
op een' toon van gewicht; "wat Thor heeft weggelaten, is juist 't
merkwaardigste van de gansche historie, want dat betreft de twisten
en 't proces. Ja, ziet ge, dat ging op deze wijze toe: toen die lui,
namelijk Selvor Oppistuen en Baard Östeng met beloften en bedreigingen
Björn Praeststulen zochten over te halen om het meisje te bevrijden,
of hun te openbaren hoe dit zou kunnen geschieden, toen begon bij Björn
twijfel te rijzen aangaande 't geen hem te doen stond; want weldra
zou de hooioogst beginnen en dan had hij natuurlijk heel wat anders
te doen, dan Rundborg verscholen te houden in jagershutten en andere
schuilhoeken van 't gebergte. Hij zeide, dat ze zich vruchteloos tot
de berggeesten zouden wenden, en dat hij zelf dit niet waagde, eer hij
den bijstand van den Skulreus had ingeroepen. Intusschen deed hij hun
den voorslag met hun drieën naar den predikant te gaan en dezen tot
scheidsman te kiezen. Zoo gezegd, zoo gedaan. Björn verklaarde zeer
breedvoerig, hoe een geest tot hem gesproken had in den droom en hem
had bevolen, Rundborg te huwen. De predikant wilde de zaak opschorten,
tot de maagd zelf getuigenis zou kunnen afleggen, en toen Björn een
etmaal later met haar verscheen, verklaarde zij, hoeveel zij had
te lijden gehad bij de Hulder; hoe deze op een huwelijk met haar'
zoon had aangedrongen, waardoor zij haar voor goed in hare macht zou
krijgen, en hoe Björn en de Skulreus haar uit den berg verlost en
haar bewaard hadden voor de schande van eene heks te worden. Terwijl
hij nauwkeurig de beweringen en bewijzen van beide partijen wikte en
woog, werd de predikant eindelijk 't spoor geheel bijster; hij was
in een labyrinth geraakt, waaruit hij vruchteloos den weg trachtte te
vinden. De openbaring, aan Björn geschied, was wellicht eene bestiering
des Allerhoogsten, die de predikant niet durfde wraken. Maar Selvor en
Rundborg waren in den echt vereenigd door den priester en op 't woord
van God, en 't gewicht dier beiden kon evenmin worden geloochend. Björn
bezat de liefde van Rundborg als het ware van kindsbeen af. Selvor kon
niet roemen op hare min, maar wel op de toestemming der ouders, welke,
doordien zij ouder en gevolgelijk verstandiger waren, beter wisten wat
hunne dochter tot geluk en zegen kon strekken dan zij zelve. Maar de
onbeperkte uitoefening van de rechten der ouders tegenover de kinderen
maakt de eersten vaak tot beulen, zeide de predikant--bij zich zelven,
wel te verstaan. Na veel peinzen kwam hij tot het volgende besluit:
Ik spreek geen oordeel uit in deze ingewikkelde zaak; zij behoort voor
den burgerlijken rechter te worden gebracht. Middelerwijl mag Björn,
die haar heeft bevrijd, haar ook behouden. Maar door de rechtbank werd
't volgende vonnis gewezen:
"Björn Praeststulen mag zonder eenig voorbehoud huwen met Rundborg
Baardsdochter Östeng; Selvor Oppistuen en Baard Östeng moeten het
land ruimen, omdat zij dit huwelijk hebben willen beletten."
"Van dit laatste kwam echter niets; want Björn verwierf genade voor
zijn' schoonvader en sedert werden zij beste vrienden."
Zoo werd de sage van Björn Praeststulen door den schoolmeester
aangevuld. Maar woorden zijn dood en machteloos. Daar was iets
onbeschrijfelijk komieks in zijn heele manier van vertellen, in zijn'
toon, zijne gebaren, in 't rijzen en dalen zijner stem, en niet
het minst wanneer nu en dan de eigenaardige toestand, waarin hij
verkeerde, zich nog duidelijk deed bespeuren. Sir John kreeg telkens
zulk eene hevige lachbui, dat hij van de bank dreigde te vallen. En
van tijd tot tijd verhief zich van alle kanten een homerisch geschater,
waaraan zelfs de ernstige Thor zich niet kon onttrekken.
De schoolmeester echter begreep de oorzaak dezer pret volstrekt
niet. Hij lachte mee en hield ons gelach voor teekenen van bijval. Toen
Brit hem dan ook op nieuw eene nap melk had gebracht, ving hij met
frisschen moed weer aan:
"Nu wil ik u," zeide hij, "eene zeer geloofwaardige historie verhalen
uit den nieuweren tijd, die ook daarom merkwaardig is, wijl zij
eene profetie bevat van toekomende tijden en gebeurtenissen. Op
de hoeve Flytty in 't hoofdkerspel Lesje leefde een man met name
Jens Ivarszoon, wiens voorvaderen sedert onheugelijken tijd deze
hoeve hadden bewoond. Jens was een nadenkend man, voor iedereen even
gedienstig, altijd bescheiden, en niemand wist ook maar het geringste
op zijn' handel of wandel aan te merken. Op zekeren dag sloeg hij den
weg in naar zijn' saeter in 't Lordal; hij wilde zijne paarden halen
om ze op den akker te gebruiken en hout te vervoeren. Maar waar hij
kwam--op den saeter niet, en hoe lang men ook zocht, hij was nergens
te vinden. Acht jaar na zijn verdwijnen huwde zijne vrouw op nieuw,
en terwijl de bruidstoet zich in de kerk bevond, vertoonde Jens
zich eensklaps op de hoeve, zonder dat iemand had gezien, vanwaar
hij kwam. Hij bleef er slechts een oogenblik en vertrok weer zonder
iemand een woord te hebben gezegd. Van degenen die hem hadden gezien,
zeide nu de een dat het deze, de ander dat 't gene was geweest; maar
allen waren het hierin eens, dat hij precies op Jens geleek. Eer
nog de bruidstoet was teruggekeerd, onttrok Jens zich echter aan
aller nieuwsgierige blikken en vragen, maar toen zijn oudste zoon
met eenige vrienden de paarden naar de weide bracht, liep hij op hem
toe. De knaap herkende zijn' vader niet, en ging voort de beesten
vast te zetten. Nu sprak Jens:
"Zoo moet ge niet doen, mijn jongen! Ge moet altijd den strik om den
linker voorpoot slaan, anders is 't paard genoodzaakt tegen zijn'
aard in te loopen."
Dadelijk begreep nu de knaap, wie daar voor hem stond; hij verzocht
zijn' vader hem naar huis te volgen. Jens deed dit, en nauwelijks was
hij 't bruiloftsvertrek binnen getreden, of alle gasten zaten stom van
schrik; want allen hadden hem herkend, en zijne vrouw borst in tranen
uit, smeekte hem om vergiffenis en wierp zich in zijne armen. Jens
troostte haar zoo goed hij vermocht en zeide, dat hij niet gekomen was
om haar verwijten te doen over haar' nieuwen echt; op arglistige wijze
voegde hij er bij, dat hij niet meer deugde voor 't huwelijk en ook
niet op de hoeve kon blijven; zijn doel was alleen de noodzakelijkste
schikkingen te treffen voor zijne onmondige kinderen. Nadat hij dit
had gezegd, verzocht hij het nieuwe echtpaar hunne plaatsen weer in
te nemen. En nu deelde hij, in tegenwoordigheid van al de verbaasde
bruiloftsgasten, mede, wat zijn laatste wil was omtrent het verdeelen
van have en erf onder zijne kinderen, voor zoover dezen daar recht
op hadden, en dit alles werd met hand en mond bezegeld. Daarop wilde
Jens vertrekken, maar men hield niet op, hem te bestormen met allerlei
vragen, waarop hij meerendeels een ontwijkend antwoord gaf. Onder
andere zeide zijne vrouw: "God zij dank, dat gij hier gekomen zijt,
om uw' laatsten wil mede te deelen en te zien, dat uwe afkomst op de
hoeve kan blijven."
"Ja," antwoordde Jens, "mijne afstammelingen zullen hier blijven
wonen, zoolang dit land bestaat. Maar er zal een slag geleverd worden
op Lillehammer, de hevigste kamp, die ooit op Noorschen grond werd
gestreden: 't bloed der helden zal stroomen over de vlakte, en de
duivel van 't Gudbrandsdal zal beslissen, of Noorwegen langer een
koninkrijk zal heeten. In Frankrijk is den boeren de strijdkolf
ontvallen, maar daar zal hij 't eerst op nieuw worden gezwaaid,
en met zijne verpletterende slagen zal hij overal den toestand der
volkeren omkeeren."
"En wanneer zal die slag worden geleverd?" klonk de vraag.
"Wanneer breede wegen door de dalkloven den vijand het binnendringen
licht maken," antwoordde Jens, "en wanneer 't geweld de wetten des
lands zal schrijven, dan zal de vonk van den oorlog tot eene vlam
worden, en Noorwegen en Zweden zullen onder één' schepter komen. Maar
eer dit geschiedt, zal de vuurgloed de schoone vlakte van Sell
verteren en de wateren der Skotte zullen haar bedekken. Dan zullen
de bergen van Noorwegen sidderen en een ekster zal zijn nest bouwen
op den haardsteen van Flytty."
Na deze en dergelijke opmerkelijke voorspellingen verliet Jens
Ivardszoon de hoeve, en niemand heeft hem ooit meer aanschouwd."
Onder de laatste vertelling scheen de schoolmeester meer en meer
tot zich zelven te komen. Tegen 't slot sprak hij zelfs beter
dan gewoonlijk, en zijne tong bleek volkomen hare vaardigheid
herkregen te hebben; maar toen hij nu wilde opstaan, begon hij tot
onze verwondering te waggelen. Hij nam afscheid, drukte ons onder
vervaarlijke buigingen allen de hand en ging zijns weegs, "daar hij
zich niet al te wel gevoelde."
Nadat hij zich had verwijderd, en zijne levenswijze, zijne omgeving en
zijne zonderlinge manieren ruimschoots waren bepraat, noodigde Andries
het vreemde, vriendelijke meisje uit, wat te vertellen. "Ik weet, dat
je heel wat vertellingen kent, Borghild," zeide hij, "en als je wilt,
kun-je goed vertellen ook; kom, vertel eens eene historie. Hoe ging
't ook weer met de dochter van Steven Aaseng?"
"Dat is gauw genoeg verteld," zei ze vriendelijk; en een blos van
verlegenheid kleurde het fijne, bleeke gezichtje, terwijl ze zich
tot ons wendde en dus begon:
"Die Steven kwam van Rolfstad en trouwde de dochter van Aaseng in
't Hedal. Ze kregen een dochtertje. Maar terwijl ze op zekeren
zomer op den saeter lagen, werd 't kind geroofd en in den berg
gesleept. 't Meisje zal niet ouder geweest zijn dan een jaar of
acht, en de ouders waren bitter bedroefd, want o, 't was zoo'n
lief, vriendelijk kind! Ge moet weten, de Rolfstads zijn nog zoo wat
familie van mij, en grootvader kwam vaak op de hoeve; hij had altijd
den mond vol van haar. Toen ze weg was, zocht men dagen achtereen;
men luidde de klokken voor haar, maar ze was weg en bleef weg, en
kwam niet weerom. Verscheiden jaren later waren eens twee mannen aan
't visschen in 't Heimdalgebergte, twee mijlen van Valders. Ze hadden
eene hut opgezocht en een vuur aangelegd. Terwijl ze 's avonds laat
nog bij elkaar zaten, kwam er eene vrouw de hut binnen, groot van
stal en vriendelijk van uitzicht. Zij vertelde, dat zij de dochter
was van Steven Aaseng en dat zij vóór vele jaren door de berggeesten
in den berg was gesleept en sedert daar altijd had gehuisd.
"Maar morgen moet ik trouwen met den reus van Raanaaskamp," sprak zij,
"en nu zou ik zoo graag willen, dat gij een bosje hooi over mijn hoofd
gooidet om mij te verlossen, want word ik morgen niet verlost, dan
moet ik voor altijd in den berg blijven. Wanneer gij op de heuvels
bij de rivier gaat staan, dan kunt gij ons zien, want ik kom van
Trosstemkamp en ga naar Raanaaskamp. Den bruidegom kunt ge dadelijk
herkennen; hij rijdt vooraan op een zwart paard en heeft eene neus
zóó lang, dat ze tot op den zadelknop hangt."
De visschers beloofden, dat ze den bruidstoet zouden opwachten en een
bos hooi over haar hoofd werpen, en de bruid vertrok. Den volgenden dag
waren de mannen op hun post. Tegen den middag naderde de stoet. Nooit
hadden ze zulke voorname lui gezien, zoo mooi gekleed, en zooveel
vrouwen en jonkvrouwen, in zijde gedost en met zilveren sieraden
getooid. Ze zaten allen op prachtige rossen en voorop reed de bruid,
en de bruidegom had een neus, die tot op den zadelknop reikte. De
visschers stonden als betooverd, want zooveel staatsie en heerlijkheid
hadden ze nog nooit gezien. Toen de stoet vlak bij hen was, keek
de bruid ter zijde. Nu kwamen ze tot zich zelven, maar--ongelukkig
hadden ze vergeten hooi mee te nemen en konden dus niet doen, wat
ze hadden beloofd. Zoo moest de bruid wel met de berggeesten meegaan
naar Raanaaskamp in 't bosch van Lesje, naar den kant van 't Foldal;
en misschien is ze daar nog, als ze niet van verdriet is gestorven.
"Ja," zeide 't saetermeisje, dat 't laatst was binnengekomen,
"zoo'n historie heb ik ook hooren vertellen van een meisje, dat
Kari heette. Ze lag op den saeter van Graven bij Oier en werd ook
binnen den berg gesleept, maar wist er gelukkig weer uit te komen. 't
Gebeurde op een' avond dat ze 't vee naar huis bracht. Ze was reeds
vlak bij de hut, toen ze een' kleinen jongen tegenkwam, die aanstonds
de beesten naar 't bosch begon terug te jagen, want ze hebben daar een
bosch op den berg. Kari verzocht hem vriendelijk op te houden, maar
't baatte niet. Nu werd ze boos, begon hem uit te schelden, vloog
op hem toe en wierp hem hals over kop op een hoop waschgoed. Maar
tegelijkertijd struikelde ze, viel en zonk met hem in de diepte. Bij
een groot kasteel kwamen ze terecht; de knaap, dien ze nu begreep dat
onder de berggeesten thuis hoorde, nam haar bij de hand en voerde
haar door verscheiden vertrekken, zóó prachtig, dat Kari nimmer
iets dergelijks had gezien. En muziek hoorde men er, zóó fraai,
als men hier boven nooit verneemt. Men noodigde haar uit te dansen,
bracht haar wijn en dranken en gebak, dat er uitzag als houtspaanders
bij ons, maar Kari weigerde alles en men kreeg niets uit haar dan:
"Neen, dank-je wel."
Zoodra Kari verdwenen was en men haar op den saeter miste, zond men
bericht daarvan naar de hoeve. Toen hare ouders dit hoorden, kunt ge
begrijpen, dat ze bitter bedroefd waren. Eerst meenden ze, dat zij
in 't gebergte verdwaald was geraakt en lieten haar overal zoeken,
maar te vergeefs. Nu begonnen ze te begrijpen, wat er van haar was
geworden en luidden de klokken uit den toren van Oier.
Terwijl ze druk aan 't luiden waren, sprong er in 't bergslot een
oud man met een' langen, langen baard van zijn rustbed op en riep
met eene donderende stem, die door den ganschen berg weerklonk:
"Smijt haar naar buiten! de belhamels van Oier luiden de klokken,
dat me de kop er van berst!"
Onmiddellijk werd Kari van een' hoogen zolder uit het kasteel geworpen
en kwam op een moerasland terecht.
Weg was nu 't kasteel met al zijne pracht. Dicht bij den saeter
vond men haar terug; ze had een' met gras bedekten heuvel bestegen,
toen de menschen, die haar zochten, bij haar kwamen. Zij kreeg nu een
paard om daarop naar Graven te rijden; maar terwijl men op weg was,
sprong ze eensklaps op den grond en begon allerlei vreemde dansen
uit te voeren en wondermooie liedjes te zingen. Zoo mooi zong ze,
dat allen de tranen er van in de oogen schoten. Zij had ze in 't
Hulderslot van de berggeesten geleerd, vertelde ze.--
"Nu moet-jij ook iets vertellen, Brit," zeide Andries, die 't er
op scheen gezet te hebben, dat elk eene bijdrage zou leveren tot
't algemeene onderhoud. "Je weet nog wel wat van Marit Klemmedorn,
de zuster van je grootmoeder; wat gebeurde daar ook mee, toen ze als
veehoedster diende op den saeter van Val, hier in 't gebergte?"
"Ja, dat heugt me nog best," antwoordde Brit; "toen ik nog klein
was, heeft ze 't vaak verteld en nooit kon ze 't met droge oogen
doen. Eens dan moest ze, vroeg in 't voorjaar, met de kudde naar den
saeter. Nauwelijks was ze daar aangekomen, of er kwam een kerel binnen,
die eene heg moest maken om een' saeter in de nabuurschap; 't was hem
echter te laat geworden en zoo bleef hij daar dien nacht. Marit was
wat blij, want ze was een beetje bang en er was niemand dan zij in
de hut. Eene week of wat later hadden ze al zoo goed kennis gemaakt,
dat ze verloofd waren. Nu gebeurde 't op zekeren morgen, dat ze 't
vee naar de weide moest brengen. Ze gaf eerst de melkkoe te drinken
en maakte toen het jonge vee los. Daarop boog ze zich over 't schot,
dat 't jonge vee van de melkkoe scheidde, heen, om ook deze los te
maken. De koe stond met den kop in den voederbak, maar op eens scheen
ze razend 't worden; ze sprong en schopte van belang. 't Schuim stond
haar om den bek en vruchteloos zocht Marit haar los te maken. En aan
de andere zijde van 't schot stond een groote, vreemde kerel, die
den wijsvinger dreigend naar haar uitstak. Marit schrok natuurlijk
hevig, toen ze dien reusachtigen vent zag, zette 't op een loopen en
riep Gudbrand, die op 't erf bezig was eene schutting te maken, te
hulp. Deze kwam ook oogenblikkelijk, maar hij zag niemand; alleen de
koe was nog razend en 't schuim stond haar om den bek. Na veel moeite
wist hij haar los te krijgen, maar Marit was bewusteloos neergezegen,
en dit kwam, omdat ze Gudbrand alles dadelijk verteld en niet tot den
volgenden dag had gezwegen. Gudbrand moest haar nu naar huis brengen,
maar bij elke beek, die ze over moesten, kreeg ze een' nieuwen aanval
van razernij. Langzamerhand werd ze wel beter, maar nooit kan ze
't vertellen, zonder dat haar nog de tranen in de oogen kwamen.
Nu werden er twee oudere veehoedsters naar den saeter gezonden,
Myr-Rönnaug en Gekke-Kari. Die zeiden, dat ze niet bang waren voor de
berggeesten, ze mochten gerust komen. Intusschen had ook de hoedster
van Loms-saeter de berghut betrokken. Deze drie vriendinnen weidden
nu dagelijks met elkander 't vee en waren zoo dartel en dwaas, dat er
geen voorbeeld van was; in dolle vaart joegen ze elkander na over de
heuvels, haalden nesten uit en sloegen de jonge vogels dood. En wanneer
ze op den Valberg waren, riepen ze, dat Tron, die in den berg woonde,
maar op een' Vrijdagavond moest komen, dan zouden ze hem op hare
armen in slaap wiegen; en als ze in 't Kvaernstudal waren, riepen ze
't zelfde tegen Tjöstul, die daar in den berg huisde, en wanneer ze in
de nabijheid van de bergspits bij Slethö kwamen, riepen ze 't alweer
tegen Kristoffel Pungen, die daar zijn verblijf had gekozen. En als
's avonds 't werk gedaan was, gingen ze bij elkander zitten op de lage
schutting om 't erf en riepen: "Tron Valberg, Kristoffel Eldförpungen,
Tjöstul Aaheuvel, komt nu maar, we gaan naar bed!" Want geen van
drieën geloofde wat de menschen vertelden, dat er geesten in de bergen
woonden, die zoo heetten. Maar ze zouden wel anders gewaar worden! Op
een' donderdagavond, laat in den herfst, toen alle andere saeters reeds
verlaten waren, zaten de drie vriendinnen bij elkander om den haard en
keuvelden misschien wel over hare vrijers. Op eens vloog de deur open
en daar kwamen drie kleine kereltjes binnen. Zij zeiden geen woord,
de meisjes evenmin, maar met verbazing zagen ze, dat de drie dwergen
op de banken naast haar gingen zitten. Ze hadden lange, blauwe mantels
om en groote roode oogen en lange neuzen. Na een uurtje gingen ze weer
heen, maar den volgenden avond kwamen ze terug en werden al stouter
en stouter; Myr-Rönnaug en de hoedster van Loms-saeter begonnen bang
voor hen te worden en deden menig schietgebedje, maar Gekke-Kari
bleef nog onvervaard. Op een' vrijdagavond verschenen ze op nieuw
en hielden nu zoo verschrikkelijk huis, dat 't niet te zeggen valt;
want 't waren sterke kerels, al waren ze klein. Maar onverwacht kwam
een jager, Per Gynt, de beangste deernen te hulp. Hij schoot Aaheuvel
dood en brak Tron Valberg de ribben; maar Eldförpungen ontkwam door
den schoorsteen."
Terwijl we na Brit's vertellingen nog eenigen tijd praatten over de
gewoonte, die in deze streek heerscht, om de hoedsters met 't jonge
vee tot laat in 't najaar eenzaam op de saeters achter te laten,
opdat de beesten het ingezamelde mos en het bergvoeder kunnen opmaken,
kwamen een paar van de meisjes, die ons reeds verlaten hadden, lachend
terug en vertelden, dat de schoolmeester tusschen eenige rotsblokken
in was geraakt en op noch neer kon.
"Dan zal ik hem wel moeten helpen," sprak Hans; "maar ik zou wel
lust hebben met de paarden mee te gaan naar de Ulsöhut, om te zien,
of ge morgen ook rendieren onder schot krijgt."
"Och, kom, als je dat meent, begrijp ik er niemendal van," zei Brit
lachend. "Marit verlaten, als de schoolmeester hier is?"
"De schoolmeester zal morgen wel aan geen vrijen denken en overmorgen
evenmin. Hij zou zich liever voor den kop schieten, na zoo'n avondje
als hij achter den rug heeft. Laat ons maar eens gaan zien, hoe
't met hem staat."
"Ja, drommels, dat's goed bedacht; ga-jij met de paarden mee," zei
Andries, "dan kan ik bij Thor blijven; we zullen eens zien, of ik
dan geen rendier schiet."
"Afgesproken," zei Hans, die nu, door Marit gevolgd, den saeter
verliet, om den schoolmeester op de been te helpen.
Wij schoven de banken naar den haard, maakten hoofdkussens van onze
weitasschen, ransels en kappen, en waren weldra in diepen slaap.