Een eind van den straatweg, midden in het Gudbrandsdal, lag voor eenige
jaren op eene hoogte eene hut. Misschien ligt zij er nog. 't Was
een zachte Aprildag; de sneeuw begon te smelten; de beken stroomden
bruisend door de dalen; de velden werden zichtbaar; de lijsters
sprongen van den eenen tak op den ander; alle bosschen waren vol van
het gekweel der vogels: kortom, alles gaf hoop op eene voorspoedige
lente. In den reusachtigen beuk en de hooge sorbeboomen, wier naakte
takken zich boven 't dak der hut uitstrekken, hadden eenige meezen het
verbazend druk, en een beukvink zat in den top van den beuk uit volle
borst te zingen. Maar binnen in de berookte hut zag het er somber
en armoedig uit. Eene boerin van middelbaren leeftijd, die er zeer
gewoon en dom uitzag, was bezig het vuur aan te blazen, dat bestond
uit eenige takken en ruwe stukken brandhout, die onder den koffiepot
op den haard lagen opgestapeld. Toen haar dit zoo goed als gelukt was,
stond zij op, wreef zich de rook en asch uit de oogen en sprak:
"De lui zeggen, dat lood smelten niet baat, want het kind, zeggen
ze, heeft de engelsche ziekte niet; het is een wisselkind. We hadden
hier dezer dagen een' leerlooier, die dat ook zeide, want toen hij
nog een jongen was, had hij in Ringebu eens zoo'n kind gezien, en
dat was even mager en gebrekkig als dit."
Terwijl ze dit zeide, las men op haar gelaat eene uitdrukking van
bekommernis, die bewees, welk een' indruk de uitspraak van den
leerlooier op haar' bijgeloovigen geest had gemaakt.
De vrouw, tot wie zij 't woord richtte, mag omtrent zestig jaar zijn
geweest en was grof van lijf en leden. Zij was buitengewoon groot
van stal, maar terwijl ze zat, scheen ze eer klein dan middelmatig
van lengte, en aan deze eigenschap had zij 't te danken, dat men
bij haren naam Gubjör den scheldnaam Langpoot had gevoegd. Grijze
haren kwamen onder hare muts vandaan, die een donker gelaat omlijstte
met borstelige wenkbrauwen en een lange aan de spits sterk gekromde
neus. De bekrompenheid van geest, die sprak uit het lage voorhoofd
en het breede aangezicht, stond in lijnrechte tegenstelling met
den onmiskenbaar listigen blik harer kleine, scherpe oogen en de
terugstootende valsche trekken van haar rimpelig gelaat. Uit hare
kleeding bleek, dat zij uit eene noordelijker streek afkomstig was;
haar gezicht en geheel haar doen verrieden de tooverheks, of ten
minste de landloopster, die, naar omstandigheden, nu eens stout
en onbeschaamd, dan weer vleiend en kruipend kon zijn. Terwijl de
boerin sprak en met het bereiden der koffie bezig was, hield Gubjör
eene soort van hangmat, waarin een wicht van ziekelijk voorkomen lag,
in beweging, door er nu en dan met de hand een' stoot aan te geven.
Met vaste stem en op een' toon van gezag beantwoordde zij de opmerking
der boerin, schoon hare fonkelende oogen en de trillende spieren om
den mond bewezen, dat ze alles behalve ingenomen was met de verklaring
van den leerlooier. "De menschen," zei ze, "kallen zoo dikwijls over
dingen, die zij niet verstaan, beste Marit Rognehaugen; ze praten
over al, wat los en vast is; en de leerlooier weet misschien veel
van schapenleer, maar van engelsche ziekte en wisselwichten weet hij
niemendal--dat zeg ik, en daar blijf ik bij. Ik zou meenen, dat ik
wel weet, hoe wisselkinderen er uit zien, 'k heb ze vaak genoeg onder
handen gehad. Dat kind, waar hij van praatte, was zeker het kind van
Brit Briskebraaten van Fron, want die bezat er zoo een en....ja,
't zal wel zoo wezen--daar had de leerlooier 't over. Zij kreeg
't spoedig na haar trouwen, want eerst had ze een heel lief kind;
maar dat werd verruild met een heksenkind, zoo leelijk en woest
als de duivel zelf. Nooit kon men 't een woord uit de keel krijgen;
't deed niets dan eten en schreeuwen. Toch dorst Brit het niet slaan,
of het ook maar 't geringste leed doen; maar de een of ander, wie weet
ik niet, leerde haar eenige middeltjes, die van krachtige uitwerking
moesten zijn, en werkelijk bereikte zij hiermee haar doel. Zij dreigde
het kind, dat de reus het naar de hel zou sleepen, noemde het een
hellewicht en een' heksenjongen, wenschte het waar het vandaan was
gekomen, ja, waagde 't eindelijk het duchtig met den bezemsteel om
de ooren te slaan. Maar terwijl ze dit deed, werd de deur wijdwagen
opengesmeten en binnen vloog--ja, ze zag niets--maar toch kwam er
een binnen en pakte 't wisselkind mee en wierp haar eigen kind zoo
onzacht op den vloer, dat het kreet van pijn.
"Of misschien was 't het kind van Siri Strömhugget? Dat was zoo mager
als een tachtiger; 't mocht ook kreupel zijn, maar op uw kind leek
't evenmin als op mijne oude muts. Ik herinner 't mij zoo goed als
de dag van gisteren; toen ik nog bij den klokkemaker diende heb ik
't meer dan eens gezien, en mij heugt ook nog heel goed, hoe ze er
aan kwam en hoe ze 't kwijt raakte. Ieder had er den mond vol van;
want Siri kwam uit den vreemde. Toen zij nog eene deerne was, diende
zij op Kvam, en 't heugt me nog klaar, hoe ze dan naar Gaupeskjelplads
ging, waar hare ouders woonden. Sedert kwam zij op Strömhugget in
dienst en trouwde met Ola, den zoon van den meester der hoeve.
"Toen ze de eerste maal in 't kinderbed lag, kwam er een vreemd wijf
het vertrek binnen, nam het kind weg--dat pas een paar dagen oud
was--en lei er een ander voor in de plaats. Siri wilde 't bed uit om
haar kind te redden; ze spande alle krachten in, maar te vergeefs:
zij kon zich niet verroeren, want ze was behekst. Zij wilde hare
schoonmoeder, die buiten was, te hulp roepen, maar de woorden bleven
haar in de keel steken en zoo benauwd werd ze, of men haar het mes
op de keel had gezet. 't Schepseltje, dat 't wijf had achtergelaten,
was een wisselkind, dat bleek zoo klaar als de dag. Want het was
gansch anders als gewone kinderen: het deed niets dan schreeuwen en
krijten, of men 't met messen stak, en het schopte en sloeg om zich
heen als eene Hulderkat. 't Was een recht duivelskind. Eten weigerde
't hardnekkig. En de arme moeder wist volstrekt geen raad om het van
den hals te krijgen. Maar nu deed men haar eene vrouw aan de hand, die
in zulke zaken ervaren was. Die ried haar, het wicht op den mesthoop te
leggen en 't dan met een' dikken berketak duchtig te rossen. Dat moest
ze drie donderdagavonden aaneen doen. Ze deed het ook en ziet--den
derden donderdagavond kwam er een wijf over het dak aanvliegen; het
smeet een kind op den mesthoop en scheurde haar eigen daar af. Maar
op 't zelfde oogenblik sloeg zij Siri op de vingers, dat deze er nog
litteekens van draagt; en die litteekens heb ik met mijne eigen oogen
gezien," voegde Gubjör er bij tot bevestiging van haar verhaal. "Neen,
dit kind heeft net zooveel van een wisselwicht als ik zelf;--en hoe
zou het ook mogelijk zijn geweest het te ruilen?" vroeg zij.
"Ja, dat zou 'k evenmin weten," zei de boerin trouwhartig, "want
ik heb bevergeil in de wieg gehad; ik heb er vuur boven gebrand; ik
heb er 't teeken des kruises over gemaakt; ik heb eene gesp in het
hemd van mijn kind genaaid, en dat mes, daar, heeft boven de deur
gezeten. Zoodat ik niet weet, hoe 't zou kunnen gestolen zijn."
"Wel neen, dan zijn ze machteloos; bij mijne ziel, geloof me," voer de
tooverheks voor, "ik weet dat wel. Ik had voorheen eene goede kennis op
een dorp bij Christiania. Die had ook een kind, dat ze door allerlei
middelen zocht te beveiligen: zij sloeg een kruis boven de wieg,
lei er vuur boven aan, deed bevergeil er in--alles naar haar beste
weten, want men hoorde vaak van tooverij en duivelskunsten daar in
den omtrek. Op zekeren nacht lag ze met het kind vóór zich te bed;
haar man lag tegen den wand der bedsteê. Pas zijn ze ingeslapen,
of de man ontwaakt en ziet een' rooden schijn in 't vertrek, juist
of er iemand met de asschop het vuur samenrakelde. En daar was er
ook werkelijk een aan het vuurrakelen; want toen de man een' blik
op den haard sloeg, zag hij een oud man zitten, zóó leelijk, als hij
nog nooit iemand had gezien, met een' baard, die hem tot op de knieën
hing. Toen het vuur helder opflikkerde, begon de oude de armen naar
het kind uit te strekken, maar wat hij deed, hij kon 't niet bereiken,
en van zijn stoel rijzen kon hij evenmin. Zijne armen werden zóó lang,
zóó lang, dat ze tot midden in het vertrek reikten; maar van zijne
plaats kwam hij niet. Dat duurde eene heele poos; de man lag stom
van schrik en wist geen raad. Nu hoorde hij aan het venster tikken.
"Kom dan, Per," sprak eene stem.
"Houd den bek!" zei de oude, die aan den haard zat.
"Ze hebben het kind gezegend; daardoor kan ik het niet krijgen."
"Kom dan maar mee!" klonk het weer buiten. Dat was 't wijf van den
oude, die het wicht zou rooven.
"Neen, kijk me dat lieve schaap eens aan!" zei de tooverheks vleiend,
terwijl ze het kind, dat ontwaakt was, uit de wieg nam. 't Knaapje
scheen intusschen niet zeer ingenomen met hare liefkoozingen,
want het toonde zich zeer weerbarstig en begon te krijten, als ze
't onder een akelig gegrijns wilde streelen. "Het is zoo blank en
mooi als een engeltje; een beetje mager is 't wel--dat moet gezegd
worden--maar wie het een wisselwicht noemt, is voor zijne eerste logen
niet opgehangen! Neen, moeder, de engelsche ziekte is het," zei ze
met den klem der overtuiging, terwijl ze zich tot de moeder keerde;
"'t is de engelsche ziekte, anders niet."
"Stil, stil! hoor 'k daar geen geklop tegen den wand? De hemel sta
me bij, als dat Truls eens ware!" riep de boerin op eens, terwijl ze
beefde van schrik op 't denkbeeld, dat haar man haar mocht verrassen
onder het koffiepraatje met de tooverheks. IJlings sprong ze op de
deur toe, opende die en keek naar buiten; maar er was niemand, dan de
cypersche kat, die op de jacht was geweest in de vochtige elzenstruiken
en nu de natte pootjes afdroogde. Truls was 't dus niet; maar tegen
den zonnekant van 't huis zat eene specht te tikken, om de insekten
uit haar winterslaap te wekken. Elk oogenblik draaide zij den kop om,
of ze naar iemand keek, maar ze wachtte slechts op eene regenbui.
"Is er iemand?" vroeg de tooverheks. "Zoo," ging ze voort, toen er
een ontkennend antwoord was gevolgd, "laat dan de deur openstaan en
kom hier zitten; dan kunnen we uw' man zien aankomen; ge wacht hem
immers van dezen kant?"
"Hij is met de slee uit om blaren te halen voor de geiten," antwoordde
de boerin. "Maar ik ben zoo bang, dat hij ons zal overvallen. Onlangs
merkte hij, dat gij hier geweest waart; er was toen geen huis met hem
te houden, zoo stoof hij op. Hij vroeg me, of ik dan geen' schelling
meer in den zak had om naar den dokter te gaan, en zwoer, dat hij van
zulke kwakzalverij en bovennatuurlijke kunsten nooit meer wou hooren;
want hij gelooft aan niets meer, sedert hij met den schoolmeester van
't dorp heeft omgegaan."
"Naar den dokter gaan? Bah!" zei de tooverheks met een verachtelijk
gebaar. "'t Baat ook wat, als de armoê den dokter haalt. Kan men
niet diep in de beurs tasten, dan wordt men behandeld als een hond,
maar niet als een mensch! Hoe ging 't, toen Geertruid Kostebakken met
den dood op de kaken lag, nadat ze reeds twee etmalen lang in arbeid
was geweest? De dokter vierde het kerstfeest bij den secretaris, en
naar de arme ziel keek hij niet om, voor men dreigde hem te zullen
aanklagen bij den bisschop en den schout. Hij had wel heelemaal
weg kunnen blijven, want toen hij kwam, was ze reeds dood. Naar
den dokter gaan, als 't kind de engelsche ziekte heeft; ge kunt er
evengoed den duivel bijroepen. Neen, God beware me", ging ze spottend
voort, "ik houd u niet tegen--ga er gerust heen! Maar als hij u, zie
zóóveel helpt--dan mag ik geen enkel mensch meer gezond maken in mijn
leven. Och, ze weten niets van de engelsche ziekte, want daar staat
niets van in de boeken; voor die kwaal is geen kruid gewassen, dat
weten ze wel, en daarom geven ze er dan ook geen poeiers of drankjes
of zulk duivelsgoed tegen. Neen, geen andere raad is er voor dan lood
smelten, maar die kunst verstaat geen dokter.
"Zet dus den lepel maar op 't vuur, moedertje," begon ze op een' gansch
anderen toon, "want de zon staat reeds dicht bij 't zuiden. Tweemaal
hebben we 't reeds gedaan, laat ons nu voor de derdemaal beginnen,
anders zou 't verkeerd afloopen. 't Kind heeft de engelsche ziekte,
maar daar zijn negen soorten van die kwaal. Ja, ja, ik heb 't u
gezegd en ge hebt 't zelf gezien, dat 't kind reeds verlost is
van de nikkerkwaal en de waterkwaal. Den eersten donderdag werd
't een man met twee groote horens en een' langen staart. Dat was
de nikkerkwaal. Later werd het eene meermin. Zaagt ge 't niet zoo
duidelijk, of het geschilderd was? Dat was de waterkwaal. Maar nu is
't weer donderdag, en thans zal de vraag zijn, wat er van komt, zoo
we opnieuw aan 't smelten gaan. Op den derden keer komt het vooral
aan, moet ge weten. Daar hebt gij 't kind," zei ze en reikte het de
vrouw over.
"Schenk me eerst nog een teugje koffie; dan beginnen we."
Toen de koffie gedronken en de blinkende spoelkom weggezet was, ging
ze met bedachtzamen tred naar den haard en haalde eene snuifdoos voor
den dag.
"Sinds verleden donderdag," zei ze "ben ik in zeven kerspelen geweest
om te middernacht lood te schrapen van de kerkramen, want mijn
voorraad was uitgeput. 't Is een geneesmiddel voor lijf en ziel,"
mompelde zij voor zich heen, terwijl ze eene kleine hoeveelheid van
't met zooveel moeite verzamelde lood in den lepel stortte.
"Ge hebt toch wel in 't holst van den nacht water gehaald, dat naar
't noorden stroomde?" vroeg zij verder.
"Ja, ik ben gisteren nacht naar de molenbeek geweest; dat is 't
eenige water, dat, uren ver in den omtrek, naar 't noorden vloeit,"
antwoordde de boerin en haalde eene goed gesloten nap te voorschijn,
waaruit zij water schepte in eene bierkroes. Hierover legde zij eene
snee gerstebrood, waarin met eene stopnaald een gat was gemaakt. Nadat
het lood was gesmolten, ging Gubjör in de deur staan, zag naar de zon,
nam daarop den lepel en goot het gesmolten metaal door de opening
langzaam in het water, onder het mompelen der volgende woorden:
Zoo drijf ik de duivelsche kwaal uit het wicht,
Ik drijf haar naar buiten, tot ze eindelijk zwicht;
Ik drijf haar door weer en ik drijf haar door wind;
Ik drijf haar steeds verder, tot ze eindlijk verzwindt;
Ik drijf haar naar 't zuiden; ik drijf haar naar 't noord;
Ik drijf naar het oosten en westen haar voort;
Ik drijf haar den grond in; ik drijf haar naar 't strand;
Ik drijf haar den berg in; ik drijf haar in 't zand;
Ik drijf haar, waar de elzenstruik wortelt in de aard;
Ik drijf in den poot haar van 't moedige paard;
Ik drijf haar ter helle naar d'eeuwigen gloed;
Ik drijf naar den stroom haar, die noordwaarts zich spoedt;
Daar moog' zij knagen en daar moog' zij teren,
Maar 't vriendelijke kind zal zij nimmer er deren.
Zooals natuurlijk was, siste en spatte het gloeiende lood, toen 't in
't water kwam.
"Hoor, nu verdwijnt de betoovering," zei de tooverheks tot de boerin,
die met eene mengeling van angst en eerbied op 't gelaat luisterde en
toezag, terwijl ze haar jongske op den arm hield. Toen de snede was
weggenomen, vertoonden zich in het water een paar figuren, door het
gesmolten metaal gevormd. De tooverheks bekeek ze lang en aandachtig;
daarop knikte zij en sprak:
"De lijkkwaal, de lijkkwaal!--eerst de nikkerkwaal, toen de
waterkwaal, nu de lijkkwaal.--Eéne van drieën ware reeds meer dan
genoeg geweest," voegde zij er hoofdschuddend bij.--"Ja, nu zie ik,
hoe 't is toegegaan," voer ze luider voort, terwijl zij zich tot
de boerin wendde: "Eerst zijt ge door een bosch en voorbij een'
berg gegaan, waarin de nikkers huisden; toen hebt ge den naam Jezus
uitgesproken. Daarna moest ge eene rivier over; weer hebt ge den
knaap beveiligd, door den naam van Jezus over hem uit te spreken;
maar toen ge voorbij het kerkhof kwaamt, nog vóór het hanengekraai,
hebt gij 't vergeten, en toen is het kind door de lijkkwaal bevangen."
"In Jezus' naam, hoe kunt ge dat weten?" borst de boerin, bleek van
schrik en verbazing uit. "Elk woord, dat gij zegt, is waar! Toen wij
den saeter verlieten, liepen er eenige schapen weg; daardoor werden
wij opgehouden. De duisternis overviel ons, terwijl we nog den berg
niet waren afgedaald, en toen scheen 't mij op eens, dat ik een licht
zag in 't bosch en een geluid hoorde, of er eene poort werd geopend. Ik
schrok hevig, want men zegt, dat er berggeesten huizen, en ik riep uit:
"In Jezus' naam, behoed mijn kind!" En toen wij de rivier overtrokken,
hoorde ik een' kreet, zoo afgrijselijk, dat ik weer riep: "In Jezus'
naam, mijn kind!" Maar de anderen zeiden, dat het een zeeduiker was,
die om onweer riep."
"En al ware 't een zeeduiker geweest," sprak de tooverheks, "wanneer
die tegen een kind schreeuwt, krijgt het de engelsche ziekte."
"Dat heeft men mij ook verteld; ik meende toen, dat het ergste voorbij
was," voer de ander voort. "Maar toen wij voorbij het kerkhof kwamen,
scheen 't op eens of onze stier razend werd, en de koeien van de lui
daar begonnen ook uit alle macht te schreeuwen, en we kregen zooveel
met de kudde te stellen, dat ik geheel vergat het kind te zegenen."
"Daar hebt gij 't, moedertje; toen heeft 't kind de lijkkwaal
gekregen. Zie zelf maar in de kroes: daar staat eene kist, en hier een
kerktoren, en in de kist ligt een lijk, met de vingers uitgespreid,"
sprak de tooverheks op zalvenden toon, terwijl ze de zonderlinge
gedaanten, door 't gesmolten lood gevormd, verklaarde.
"Hm, hm, hm, dat zou kunnen helpen!" mompelde zij een ommezien later,
maar luid genoeg, dat de ander het kon verstaan.
"Wat zou kunnen helpen?" vroeg de boerin blij en nieuwsgierig.
"'k Zeg niet, dat het zal helpen--maar 't valt te probeeren," zei
de tooverheks. "Ik zal een bakerkindje maken, en dat op 't kerkhof
begraven; dan wanen de dooden, dat zij 't wicht hebben gewonnen,
en God verhoede, dat ze ooit merken, wie hen bij den neus heeft
gehad! Maar daarvoor heb ik zilver van doen. Hebt gij oud zilver?"
"Ja, ik heb nog een paar oude zilveren munten van mijn' vader geërfd;
nooit heb ik ze willen aanroeren, maar nu het leven van mijn kind
er mee gemoeid is...." zei de vrouw en was reeds bezig om in de lâ
eener ouderwetsche kist te gaan zoeken.
"Eén stuk zal ik in den berg stoppen, het tweede in 't water werpen,
en het derde op 't kerkhof begraven;--drie moet ik er dus hebben,"
zei het wijf, "en dan wat oude plunje, om het kind na te bootsen."
Wat zij verlangde; werd haar gebracht. Eenige doeken waren spoedig
samengenaaid, tot ze eene pop vormden. De tooverheks stond nu op,
nam een en ander mee en zeide:
"Nu ga ik naar het kerkhof, om het te begraven. Vandaag over drie weken
kom ik terug--dan zullen wij zien, of 't middel heeft geholpen. Blijft
het leven, dan ziet ge uw beeld in den oogappel van uw kind, maar
moet het sterven, eer de blâren vallen, dan ziet gij slechts den
donkeren appel en niets dan dezen. Dan ga ik naar 't noorden, naar
Joramo. Daar ben ik sinds lang niet geweest; maar men heeft er mij
geroepen bij een knaapje, dat de nikkerkwaal heeft: dat heeft dus
niet veel te beduiden. Ik zal het kind tegen de zon in laten loopen
met eene graszoo boven zich, dan zal 't wel gezond worden."
"Wat ge zegt, wat ge zegt!" riep de boerin vol bewondering
uit. "Joramo? dat ligt immers in Lesje? Hemel, zoo ver weg?"
"Ja, 't is een heel eind ver; maar ik ben er geboren en getogen,"
antwoordde de tooverheks. "Ik heb veel gezworven, maar weinig
verworven, sedert ik van daar ben gegaan. Toen waren 't beter tijden
voor Gubjör," zei ze met een zucht, terwijl ze zich weer op eene bank
liet vallen. "Maar daar op Joramo was wel een wisselwicht," ging ze
voort, terwijl een verhaal uit den ouden tijd haar te binnen schoot,
nu ze harer jonkheid gedacht.
"Mijne overgrootmoeder, die op Joramo in Lesje woonde, had een
wisselkind. Ik heb het nooit gezien, want zij was dood en 't kind
weg, lang vóór 'k werd geboren, maar vaak heeft mijne moeder het mij
verteld. De jongen zag er uit als een verschrompelde tachtiger. Zijne
oogen zagen zoo rood als karmijn en gloeiden in het duister als de
oogen eener katuil. Hij had een hoofd, zoo lang als een paardekop
en zoo dik als eene kool; maar zijne beenen waren zoo mager als
schapepootjes en zijn gansche lichaam zag er uit als pekelvleesch
van twee jaar oud. Nooit deed hij anders dan huilen en krijten en
schreeuwen, en kreeg hij iets in de hand, dan wierp hij 't de moeder
vierkant in 't gezicht. En hongerig was hij als een stadshond; al wat
hij zag, wou hij eten, en niemand in huis at zooveel als hij. Hoe
ouder hij werd, des te onhandelbaarder werd hij ook; niemand wist
hem te regeeren, en nooit kon men hem het minste woord uit de keel
krijgen, schoon hij oud genoeg was om te kunnen praten. Het was het
afschuwelijkste hellewicht, dat men ooit heeft gezien en nacht noch
dag liet hij iemand met rust. Iedereen vroeg men om raad, maar niets
baatte. Hem frisch afrossen dorst de moeder niet, zonder volkomen zeker
te zijn, dat het een wisselwicht was. Maar op zekeren dag gaf iemand
haar dezen raad. Zij moest den jongen zeggen, dat de Koning zou komen;
dan moest zij een groot vuur aanleggen en een ei stuk slaan. De schaal
moest ze op 't vuur zetten. Zoo deed ze, en toen de jongen het zag,
ging hij rechtop in de wieg zitten en keek er oplettend naar. De vrouw
verliet het vertrek en keek door het sleutelgat. En de jongen kroop
op de handen uit de wieg, maar de beenen bleven er in, en hij rekte
zich uit en werd zóó lang, dat zijn lichaam tot aan den haard reikte.
"Neen," zeide hij "nu heb ik al zevenmaal het hout zien vellen in het
bosch van Lesje, maar nog nooit zag ik zoo'n grooten lepel in zoo'n
kleine pan."
"Toen de moeder dit alles zag en hoorde, was zij overtuigd. Ze wist
thans, dat het een wisselwicht was. Nauwelijks had ze de klink
opgelicht, of de jongen kroop weg in de wieg als een worm. Zijne
beste dagen waren nu uit; op een' donderdagavond sleurde de vrouw
hem naar den mesthoop en ranselde hem duchtig af; maar ze hoorde een
geknetter en geknap in 't rond van belang. Den volgenden donderdag
ging het evenzoo, maar toen de vrouw vond, dat hij genoeg had, hoorde
zij eene stem naast haar--de stem van haar eigen kind--zeggen:
"Telkenmaal, als gij Tjöstul Gautstigen slaat, krijg ik dubbel in
den berg."
"Maar den derden donderdag sneed de vrouw hem van 'tzelfde laken een
pak. Daar kwam een oud wijf met een jongske aanvliegen, of ze uit
den brand was gevlucht.
"Geef Tjöstul hier, daar hebt gij uw' jongen terug!" riep ze en wierp
haar het kind voor de voeten. De vrouw strekte de hand uit om het
op te vangen en greep ook het eene been. Maar van de rest heeft ze
nooit iets gezien, zoo hard had het bergwijf het kind neergesmeten."--
Onder deze vertelling had men op 't gelaat der boerin de
onmiskenbaarste teekenen van angst kunnen lezen. Tegen het einde
vielen zij zoo duidelijk in het oog, dat de vertelster, die weggesleept
scheen door hare eigen woorden, ze opmerkte.
"Wat schort u?" vroeg ze. "O, uw man komt zeker," ging ze voort,
terwijl ze een' blik naar de deur wierp, en besloot met nadruk:
"'t Is niet geraden voor Gubjör dat ze uw' man in den weg loopt;
maar wees niet bezorgd, moedertje: ik zal beneden het kerkhof omgaan,
dan ziet hij me niet."