EEN OUDERWETSCHE KERSTAVOND.

De wind floot door de oude ahornen en linden tegenover mijn raam;

de sneeuwvlokken stoven door de straat, en de hemel was zoo donker

als een Decemberlucht in Christiania kan zijn. Niet minder somber

was de stemming, waarin ik verkeerde. 't Was kerstavond, de eerste,

dien ik niet aan den ouderlijken haard mocht doorbrengen. Niet lang

geleden was ik officier geworden, en 'k had gehoopt mijne bejaarde

ouders met mijne tegenwoordigheid te verblijden, en al den glans en de

heerlijkheid van mijn' nieuwen rang te laten schitteren in 't oog der

dames van mijne geboorteplaats. Maar eene zenuwkoorts bracht mij in 't

hospitaal, dat ik pas sinds eene week had verlaten, en thans bevond ik

mij in den hooggeprezen toestand van een' reconvalescent. Ik had naar

huis geschreven om een rijpaard en den dikken mantel mijns vaders,

maar de brief kon 't ouderlijke huis stellig niet voor den tweeden

kerstdag bereiken, en eerst tegen nieuwjaar mocht ik 't paard dus

verwachten. Mijne kameraden waren uit de stad en ik kende geen enkele

familie, waar ik de feestdagen kon doorbrengen. De twee oude juffers,

bij welke ik in huis was, waren zeker goedhartige en vriendelijke

menschen, en met treffende zorgvuldigheid en hartelijkheid hadden

ze mij in 't begin mijner ziekte opgepast. Maar de geheele denk- en

levenswijze dezer dames behoorden te goed in den ouden tijd tehuis,

om bijzonder in den smaak te kunnen vallen van een' jong mensch. 't

Liefst dwaalden hare gedachten om in 't verleden, en wanneer zij,

zooals vaak gebeurde, mij eene of andere historie, die in de stad was

voorgevallen, verhaalden, herinnerden zoowel de inhoud daarvan als de

naïeve voorstelling aan een' tijd, die reeds lang tot 't verledene

behoorde. Met dit ouderwetsche karakter mijner dames stond ook het

huis, dat zij bewoonden, in volmaakte overeenstemming. 't Was een

dier oude gebouwen, zooals men ze nog in de Toldbodstraat vindt, met

diepe vensters, lange, donkere gangen en trappen, sombere kamers en

zolders, die iemand dadelijk doen denken aan nikkers en heksen. Hier

kwam nog bij, dat de kring harer kennissen zeer beperkt was; behalve

eene gehuwde zuster kwam er nooit iemand, dan een paar vervelende oude

vriendinnen. Slechts een aardig nichtje en een stuk of wat dartele

kleinen, de kinderen van een' broeder, die mij altijd plaagden om

sprookjes en heksenvertellingen, brachten soms eenig leven in mijne

doodsche omgeving.

Ik trachtte mijn gevoel van verlatenheid en neerslachtigheid eenigszins

af te leiden door naar de vele menschen te zien, die in de straat

heen en weer gingen, in sneeuwjacht en wind, met paarse neuzen en half

gesloten oogen. Langzamerhand begon ik merkwaardig veel belangstelling

te koesteren voor de drukte in de apotheek aan den overkant. Geen

oogenblik stond de deur stil; dienstmeisjes en boeren stroomden er uit

en in en gaven zich alle moeite, zoodra zij weer op straat kwamen,

de opschriften der fleschjes en potjes te ontcijferen. Enkelen

scheen dit te gelukken, maar meestal bewees de lange duur van 't

onderzoek, gevolgd door een bedenkelijk hoofdschudden, dat de taak

te moeielijk was. De schemering viel in; weldra kon ik de gezichten

der voorbijgangers niet meer onderscheiden en staarde 'k nog slechts

op de ouderwetsche apotheek. Met hare donkere roodbruine muren, hare

in lood gevatte vensterruiten, haar' spitsen gevel en hare torentjes

met windwijzers, stond zij daar als een eerwaardig gedenkstuk der

bouwkunst uit den tijd van Christiaan den Vierde. En de zwaan in den

gevel met den gouden ring om den hals, de rijlaarzen aan de pooten en

de vleugels uitgespreid ter vlucht, keek met dezelfde onverstoorbare

deftigheid, die hem voor eeuwen reeds moet gekenmerkt hebben, op de

bezoekers neer. Juist was ik bezig mij te verdiepen in 't lot der arme

vogels, die in een' kerker zijn opgesloten, toen ik gestoord werd door

gedruisch en gelach in de zijkamer en een bescheiden jonkvrouwelijk

getik aan de deur.

Op mijn "binnen!" trad de oudste mijner hospita's, juffrouw Mette,

de kamer in, groette mij met eene ouderwetsche nijging, vroeg naar

mijn' welstand en verzocht mij onder een' grooten omhaal van woorden,

den avond bij de familie door te brengen.

"'t Is niet goed voor u, hier zoo alleen in donker te zitten, beste

luitenant," voegde zij er bij, "ge moest liever bij ons komen. De

oude juffrouw Skau en de kinderen van mijn' broer zijn gekomen, dat

zal u misschien wat afleiding bezorgen; gij houdt immers zooveel van

de lieve kleinen?"

Ik nam de vriendelijke uitnoodiging aan. Toen ik binnentrad,

wierp de vlam van 't vuur in de groote vierkante kachel, wier deur

wijd openstond, een' flikkerenden gloed in 't ruime vertrek, dat

naar den ouden trant was gemeubeld met stoelen, voorzien van hooge

ruggen en leeren zittingen, en eene kanapee, berekend op de dracht

van hoepelrokken en de houding van een' rekruut. De wanden waren

versierd met schilderijen in olieverf, portretten van stijve dames

met gepoederde kapsels, van gildemeesters en andere beroemde personen,

met pantser en harnas bedekt of in roode mantels gehuld.

"Wij mogen u wel verschooning vragen, heer luitenant, dat we u zoo

in donker ontvangen," zeide juffer Cecilia, de jongste zuster, die

door iedereen moeder Cile werd genoemd en mij met eene buiging, de

wederga van die harer zuster, te gemoet trad; "maar 't jonge volkje

speelt en stoeit graag tusschen licht en donker, en jufvrouw Skau

mag ook wel zoo'n schemeruurtje in 't hoekje van den haard."

"Schemeruurtje, schemeruurtje....kijk eens aan, of ge daar zelf niet

van houdt, moeder Cile! Maar wij moeten de schuld krijgen, niet

waar?" merkte de bejaarde aamborstige dame op, die juffrouw Skau

getiteld werd. En daarop zich tot mij richtende:

"Wel, wel, goeden avond, man; ga zitten en vertel mij eens, hoe 't

gaat;--ge zijt, op mijn woord, duchtig aan 't aftakelen geweest,"

voegde ze er bij, in 't volle besef van den ontzagwekkenden omvang

harer eigen gestalte.

Ik moest nu een nauwkeurig verslag geven van mijne fata, maar werd

ook rijkelijk beloond door 't omstandig verhaal van de kwellingen,

die jicht en asthma en wat niet al haar aandeden. Gelukkig werd de

stroom harer jammerklachten gestuit door 't joelend binnenstormen

der meisjes, die in de keuken een bezoek hadden afgelegd bij 't oude

familiestuk, dat Stine heette.

"Tante, weet ge wat Stine zegt," riep een klein, luidruchtig ding

met bruine kijkers; "zij zegt, dat ik van avond mee moet naar den

hooizolder om den nikker kerstpap te geven. Maar ik wil niet, ik ben

bang voor den nikker!"

"Och, dat zegt Stine maar om van je af te komen, kind; ze durft zelf

niet in donker naar den zolder gaan, want ze weet wel, dat de nikker

haar eenmaal terdeeg heeft beet gehad," zei juffer Mette. "Maar groet

ge den luitenant niet, kinderen?"

"Och heden, is dat mijnheer de luitenant? Ik kende u niet; wat ziet

ge bleek en wat hebben we u in lang niet gezien," riepen de kleinen

als uit één' mond, terwijl ze elkaar verdrongen, om 't dichtst bij

mij te zijn. "Nu moet ge ons wat moois vertellen; we hebben zoolang

niets van u gehoord; och, toe, beste luitenant, vertel ons wat van

den geitebok, och, toe, van den geitebok en Goudtand!" Spoedig was ik

nu aan 't vertellen: van den geitebok en den hond Goudtand en van de

twee nikkers, die hooi van elkander stalen en die elkaar ontmoetten,

elk met een bos hooi op den nek, en aan 't vechten raakten, tot ze

beiden in eene wolk verdwenen, en van den nikker op Hesselberg, die

den hofhond sarde, tot de eigenaar der hoeve hem over de leuning der

brug smeet. De kinderen klapten in de handen en schaterden. "Dat had

hij verdiend, de leelijke nikker," riepen ze en bedelden om meer.

"Neen, nu plaagt ge den luitenant al te erg, kinders," zei juffer

Cecilia, "nu zal tante Mette wel eene historie willen verhalen."

"O, ja, nu tante Mette!" was de algemeene uitroep.

"Maar wat zal ik vertellen, kinderen?" vroeg tante Mette. "Welnu;

daar we toch met den nikker bezig zijn, zal ik van dien nikker maar

wat verhalen. Ge zijt oude Kari Gusdal immers nog niet vergeten, die

ons tarwebrood bracht en altijd zooveel sprookjes en histories wist

te vertellen?"--"Wel neen," riepen de kinderen.--"Nu, Kari vertelde

eens, dat zij voor jaren hier in 't weeshuis diende. Toen was 't aan

dien kant der stad nog leeger en eenzamer dan tegenwoordig, en 't

weeshuis is een donker, somber gebouw. Nu, Kari was daar in dienst

genomen als keukenmeid en zij was zeer wakker en bij de hand. Op

zekeren nacht moest zij vroeg opstaan, om bier te gaan brouwen. Hare

kameraden zeiden: "Zorg maar, dat ge niet al te vroeg opstaat; vóór

tweeën moogt ge 't deeg niet klaar maken." "Waarom niet?" vroeg zij.

"Weet ge dan niet, dat hier een nikker huist? Hij wil niet zoo vroeg

gestoord worden, en daarom moogt ge niet aan 't werk gaan, vóór de

klok twee heeft;" antwoordden zij.

"Dat zou wat!" zei Kari, die lang niet van gisteren was, zooals men

zegt; "ik heb niets met den nikker te maken, en komt hij binnen,

dan zal ik hem wel even de deur uitsmijten."

De anderen waarschuwden haar ernstig, maar zij wilde nergens van weten,

en eer de klok van éénen koud was, stond zij op, legde vuur aan onder

den brouwketel en begon het deeg gereed te maken. Maar telkens ging het

vuur uit, en telkens was 't, of iemand het brandhout uit de vlam trok

en over den haard spreidde; toch bespeurde zij niemand. Herhaaldelijk

stapelde zij 't hout weer op, maar 't baatte haar niet, en ook 't

deeg wilde niet vlotten. Eindelijk werd ze dit tobben moê, nam een

stuk brandhout, zwaaide er mee in 't rond en riep:

"Pak je weg, of ik zal je leeren!... Meen-je me te plagen, dan heb je

't mis!"

"Wee over u!" hoorde ze nu eene stem uit een' donkeren hoek; "ik heb

zeven zielen gewonnen op deze hoeve; moet nu de achtste mij ontgaan?"

"Sedert dien tijd heeft niemand in 't weeshuis ooit van den nikker

gehoord, zei Kari Gusdal."

"Ik word bang; vertel gij maar weer, luitenant; als gij vertelt,

word ik nooit bang, gij kent veel prettiger histories!" riep een der

kleinen. Een ander sloeg voor, dat ik zou verhalen van den nikker,

die den Halling danste met een meisje.

Met dit plan was ik echter niet bijzonder ingenomen, want daar

moest bij gezongen worden. Maar 't jonge volkje liet niet los, en

reeds had ik eenige malen gekucht, om mijne barbaarsche stem voor

de wijs van den Hallingdans te stemmen, toen de lieve nicht, waarvan

ik boven sprak, tot vreugde der kleinen en mij tot reddenden engel,

de kamer binnentrad.

"Ja, kinderen, ik wil de historie wel vertellen, mits nicht Lise zoo

vriendelijk is, de wijs voor u te zingen," zeide ik, terwijl ze plaats

nam, "en dan zult gij zelf dansen, niet waar?" De kleinen bestormden

nu nicht zoolang, tot ze beloofde de dansmuziek te zingen en ik begon

mijn verhaal:

"Daar was 'reis ergens, ik geloof haast in 't Hallingdal, een meisje,

dat den nikker pap moest brengen; of 't op een' donderdagavond of op

kerstmis gebeurde, dat herinner ik me niet meer, maar ik geloof vast,

dat 't kerstavond was.

"Zij achtte 't zonde de heerlijke brij aan den leelijken nikker te

geven, at ze daarom zelf op en ging naar de schuur met havermeelpap en

zure melk in een' varkenstrog. "Daar heb-je eten, leelijkerd!" zei ze.

Maar nauwelijks waren de woorden haar den mond uit, of de nikker

vloog op haar aan, pakte haar om 't lijf en begon met haar rond te

zwieren; en hij hield niet op, voor ze uitgeput nederzeeg. Toen men

's morgens in de schuur kwam, lag zij daar, meer dood dan levend. En

zoolang de dans duurde, zong de nikker maar aldoor:--hier nam juffer

Lise mijne taak over en zong in de maat van den Hallingdans:

En eet gij de pap van den nikker, mijn kind,

Wel, dans dan ook eens met den nikker als vrind.

En eet gij de pap van den nikker, mijn kind,

Wel, dans dan ook eens met den nikker als vrind.

Ondertusschen gaf ik met beide voeten de maat aan, terwijl de kleinen,

al jubelend en schaterend, over den grond rolden.

"Ge zet waarlijk het huis op stutten, kinders, ik krijg er hoofdpijn

van," zei juffer Skau. "Weest thans wat bedaard, dan zal ik nog eenige

histories vertellen." Oogenblikkelijk werd 't stil in de kamer en de

juffrouw nam het woord:

"De menschen vertellen zooveel van nikkers en Huldren en zulk slag;

maar ik geloof daar niet veel van. Nog nooit heb ik van den een of

den ander iets gezien;--'t is waar, ik ben in mijn leven nog niet ver

van huis geweest--maar toch geloof ik, dat het meerendeels praatjes

voor den vaak zijn. Maar wat oude Stine vertelt: dat zij eens den

nikker heeft gezien, dat moet toch wel waar zijn. Toen ik nog mijn'

catechismus leerde, was Stine bij mijne ouders in dienst. Voor dien

tijd had ze bij een schipper gediend, die niet meer voer.

"'t Was daar heel rustig en stil in huis; de menschen gingen nooit uit

en niemand kwam hen opzoeken. En den ouden schipper zelf kon men bijna

den ganschen dag aan 't havenhoofd vinden. 's Avonds gingen allen

zeer tijdig naar bed. Nu wou 't gerucht, dat er bij dien schipper

een nikker huisde. Eens, zeide Stine, zaten de keukenmeid en ik op

zekeren avond in 't meidenkamertje voor ons zelven te naaien; 't was

hoog tijd om naar bed te gaan, want de nachtwacht had reeds "tien"

geroepen. 't Wilde niet vlotten met ons naaien en stoppen, want elk

oogenblik verscheen Klaas Vaak, en zoodra hij achter mij kwam, begon

ik te knikkebollen, en zoodra hij achter de keukenmeid ging staan,

begon deze te knikkebollen, want we waren 's morgens vroeg op geweest

en hadden waschdag gehouden. Maar terwijl we zoo bij elkaar zaten,

hoorden we op eens een verschrikkelijk leven in de keuken; 't was,

zei Stine, of iemand alle borden en schotels uit de kast haalde en ze

op den vloer in stukken smeet. Verschrikt vlogen we op, zei ze, en ik

schreeuwde: "God beware ons, dat is de nikker!" en ik was zoo bang,

dat ik geen' voet in de keuken dorst zetten. De keukenmeid was ook

huiverig, maar sprak zich zelve moed in en opende de keukendeur. Daar

lagen alle borden over den grond verspreid, maar geen er van was

stuk en bij de deur stond de nikker met eene roode muts op 't hoofd

en glimlachte vriendelijk. Nu had de keukenmeid wel eens hooren

zeggen, dat de nikker zich soms liet beet nemen, en naar een ander

huis vertrok, wanneer men hem diets maakte, dat 't daar rustiger

was. En daar ze nu den nikker gaarne eene poets wilde spelen, bad

ze hem--hare stem beefde nog, terwijl ze 't zeide--aan den overkant

der straat bij den koperslager, zijn' intrek te nemen; daar was 't

veel stiller en rustiger, want men ging er klokke-negen naar bed. En

dat was waar ook, vertelde Stine, maar ge weet wel, was met al zijn

volk, van 's morgens drie uur af, aan 't kloppen en slaan, dat iemand

hooren en zien verging. Sedert dien dag bespeurden wij niets meer

van den nikker. En bij den koperslager was hij recht in zijn schik;

wel werd er den ganschen dag geklopt en gehamerd, maar men vertelde,

dat 's koperslagers vrouw hem elken donderdagavond pap bracht op den

zolder--en, zei Stine, men behoeft zich dan ook niet te verbazen, dat

't den koperslager goed ging, ja, dat hij een rijk man werd, want de

nikker beschermde hem. Nu 't is waar, dat 't hem buitengewoon meeliep,

en hij er spoedig warmpjes in zat, maar of dit kwam, door de hulp van

den nikker, dat zou ik niet durven beweren," besloot juffrouw Skau,

al kuchend en hoestend na de inspanning, welke de buitengewoon lange

vertelling haar had gekost.

Nadat zij zich met een snuifje had verfrischt, voelde zij lust op

nieuw te beginnen:

"Mijne moeder was eene vrouw als goud; zij vertelde eens eene historie,

die hier in de stad is voorgevallen. 't Gebeurde op een' kerstnacht,

en voor de waarheid sta ik borg, nooit kwam er een onwaar woord uit

haar' mond."

"Laat hooren, juffrouw Skau, laat hooren!" zei ik. En de kleinen

riepen: "Toe vertel ons dat, juffrouw."

De juffer hoestte eenige malen, nam nog eene prise en begon:

"Toen mijne moeder nog een meisje was, kwam ze somwijlen bij eene

weduwe.... ja, hoe heette ze ook weer? Juffrouw... de naam wil me niet

te binnen schieten, maar dat komt er minder op aan, zij woonde in

de Molenaarsstraat en was al een bejaarde vrouw. 't Was kerstavond,

zooals nu. Ze dacht zoo bij zich zelve: "morgen ochtend ga ik naar

de vroegpreek", want ze was eene trouwe kerkgangster; ik zal dan

eerst wat koffie zetten, dan heb ik wat warms te drinken, eer ik er

heenga. Toen zij ontwaakte scheen de maan in 't vertrek. Ze stond op

om te zien, hoe laat het was, maar de klok was blijven staan en wees

op half twaalf. Zij ging naar 't raam en keek naar de kerk. Door alle

vensters scheen reeds licht. Zij wekte haar dienstmeisje, liet haar

koffie zetten, terwijl ze zich aankleedde, nam haar psalmboek en ging

ter kerk. In de straat was alles doodstil, geen sterveling was er te

bespeuren. In de kerk gekomen, zocht ze de bank op, waar ze placht

te zitten en keek eens rond. Maar wat zagen de menschen er bleek en

akelig uit; 't leken wel lijken! En niemand van de schare kende zij;

schoon meer dan één gezicht haar niet vreemd voorkwam, wou haar maar

volstrekt niet invallen, waar zij ze kon gezien hebben. De predikant,

die den kansel beklom, was ook geen dominee uit de stad, maar een lang,

bleek man, dien ze toch ook wel eens meende ontmoet te hebben.

't Was een lust hem te hooren preeken, en men hoorde ook niet zoo'n

gestommel en gekuch en gehoest, als gewoonlijk onder de vroegpreek op

kerstmorgen; 't was zoo stil, dat men eene speld kon hooren vallen,

zoo doodstil, dat 't de vrouw angstig en bang om 't harte werd.

Toen de gemeente voor de tweede maal begon te zingen, boog zich eene

vrouw, die naast haar zat, tot haar over en fluisterde haar in 't oor:

"Werp uw' mantel losjes om en ga heen, want blijft gij tot de preek

uit is, dan is 't met u gedaan. De dooden houden kerstfeest!"

"Oef, ik word bang, ik word bang, juffrouw Skau," riep een der kleinen

vol angst, terwijl ze op een' stoel kroop.

"Och, stel je gerust, kind; 't loopt nog goed met haar af; luister maar

naar 't vervolg," zei de juffrouw. De vrouw bevielen deze woorden ook

slecht; toen zij de stem vernam en de spreekster in 't gelaat zag,

herkende zij eene buurvrouw, die voor vele jaren gestorven was, en

nu ze nog eens rondkeek, herinnerde zij zich klaar, dat ze zoowel den

predikant als 't grootste gedeelte der gemeente voorheen had gekend;

allen waren voor langen tijd overleden. Ze ijsde er van. Losjes

sloeg ze den mantel om zich heen, zooals de vrouw haar had geraden en

snelde heen; maar 't was haar, of al de dooden haar volgden, en haar

zochten terug te houden: hare knieën knikten en bijna was ze op den

vloer neergezegen. Toen zij in 't kerkportaal kwam, voelde zij haar'

mantel grijpen; zij maakte den gesp los, liet den mantel in den steek

en vlood, zoo snel de beenen haar dragen wilden, naar huis. 't Sloeg

één uur, toen zij hare huisdeur opende en half dood van schrik naar

binnen wankelde. 's Morgens vonden de kerkgangers haar' mantel op den

stoep, in duizend stukken gereten. Mijne moeder kende den mantel zeer

goed en ik meen ook, dat zij een der stukken heeft gezien; maar wat

hiervan zij, 't was een korte mantel van eene lichtroode stof, met

bont gevoerd en geboord, precies zooals de menschen in mijne jeugd

plachten te dragen. Nu ziet men ze zelden meer; slechts enkele oude

vrouwtjes hier in de stad en uit het gesticht in de oude stad komen

op kerstmis nog in zulke mantels ter kerk."

De kinderen, die onder 't laatste gedeelte der vertelling zich nauw

hadden weten te bergen van angst en schrik, verklaarden thans, dat ze

van zulke leelijke, akelige histories niets meer wilden hooren. Zij

waren in 't hoekje van de kanapee of op een' stoel gekropen en

beweerden, dat er iemand onder de tafel zat, die hen van hunne plaats

zocht te trekken.

Intusschen werden de lichten op de ouderwetsche standaards

binnengebracht, en nu ontdekte men, onder algemeen gelach, dat

ze met de beenen boven op de tafel zaten. Weldra deden de lichten

en de kerstkoeken, geholpen door confituren, gebak en wijn, alle

spookhistories en angst verdwijnen, en plaats maken voor een levendig

gekeuvel over allerlei zaken, die minder ver aflagen. De rijstekoek

en 't ribstuk brachten eindelijk de denkbeelden nog nader bij huis,

en vroegtijdig nam men afscheid en wenschte elkander een gelukkig

kerstfeest. Voor mij volgde er echter een zeer onrustige nacht.

Ik weet niet, of de vertellingen, de genoten lekkernijen, mijne

zwakheid, of dit alles te zamen daarvan de schuld moet dragen; maar

vergeefs legde ik mij nu zus dan zoo; den ganschen nacht maalden

allerlei nikker-, Hulder- en spookhistories in mijne verwarde

hersenen rond. Eindelijk vloog ik onder klokgelui door de lucht naar

de kerk. Zij was geheel verlicht, en toen ik er binnentrad, zag ik,

dat het de kerk van mijne geboorteplaats was. De gemeente bestond

uit enkele boeren met roode mutsen op, soldaten in vollen dos,

en dorpsmeisjes met linnen huiven en frissche wangen. De dominee,

die op den preekstoel stond, was mijn grootvader, dien ik slechts als

kleine jongen had gekend. Terwijl hij goed en wel aan 't preeken is,

neemt hij op eens een' sprong en staat midden onder de schaar, terwijl

zijne toga naar den eenen en de kraag naar den anderen kant vliegt.

"Daar ligt de dominee en hier ben ik," zeide hij met zijne geliefkoosde

spreekwijs, "en laat ons nu eens in 't rond dansen." Oogenblikkelijk

tuimelde de gansche gemeente in den wildsten dans rond en een lange

kerel pakte mij bij de schouders en zeide: "Kom, doe maar mee, Kar!"

Ik wist niet, wat ik er van denken moest, toen ik te gelijker tijd

ontwaakte en 't zelfde gezicht aanschouwde, dat ik in den droom had

gezien. Met de muts diep over de ooren en een' rijmantel over den arm,

boog zich iemand over mij heen en keek mij met twee groote oogen aan.

"Gij waart zeker aan 't droomen, Kar," zeide hij; "'t zweet parelt u op

't voorhoofd en gij sliept zoo vast als een beer in den winter. Den

Vrede van Boven en een gelukkig kerstfeest wenscht u uw vader en

't gezin. Hier is een brief en de reismantel, en 't paard staat in

den stal.

"Maar in 's hemels naam, ben-jij dat Thor?" 't Was de knecht van mijn'

vader, een kerel als een boom. "Hoe kom-jij hier?"

"Wel, dat zal ik u zeggen, antwoordde Thor; "ik ben met bruin hier heen

gekomen; want, ziet ge, ik was met uw' vader op Naes en toen zeide

hij: "Thor," zei hij, "we zijn nu niet ver van de stad; neem bruin

en rijd er mee naar stad en zie eens, hoe de luitenant het maakt,

en is hij wèl genoeg, neem hem dan mee naar huis."

Toen wij de stad uitreden, was de lucht helder en de weg

uitmuntend. Bruin repte zijne oude pooten zoo hard hij kon, en nimmer

heb ik, vroeger of later, zulk een prettig ritje gemaakt als op dien

eersten Kerstdag.

Noorsche Volksvertellingen · 第 13 / 22 题