DE BEWONERS VAN LUNDE.

Eenige jaren geleden was ik op weg naar 't Gudbrandsdal, over Hadeland

en Toten, langs den westelijken oever van het Mjösenmeer. Te Sveen,

een station in Biri, kreeg ik een' luien knol, en een' hoog bejaarden,

praatzieken voerman.

't Een noch 't ander bracht mij intusschen uit mijn humeur. Ik had

geen haast; Svennaes, waar ik als gewoonlijk gastvrijheid en een

nachtkwartier hoopte te vinden, kon ik toch bijtijds bereiken, en de

ongewone levendigheid en de treffende opmerkingen van mijn' voerman

over verscheidene bewoners van 't vlek, konden mij licht verzoenen

met zijne buitengewone spraakzaamheid. Daarbij kwam, dat het een

heerlijke lenteavond was. De zonnestralen verguldden de oppervlakte

van het Mjösenmeer, kleurden de wolken en speelden tusschen 't jonge

groen. De vlakten van den Faaberg, die ver in 't noorden het landschap

begrensde, werden al donkerder en verloren zich in donkerblauwe en

violette tinten, terwijl de avondzon haar' gouden glans wierp over

de vruchtbare velden van Ringsaker aan de oostzijde van den fjord.

Toen wij een eind weegs de "Odden" voorbij waren, kreeg het paard

den inval op een' heuvel te blijven staan. Bijna recht voor ons uit

lag de kerk van Biri op eenigen afstand, en ter linkerzijde verderop

lag op eene hoogte eene hoeve, met een' donkeren bergtop op den

achtergrond. Ik herinnerde mij den naam dier hoeve niet en vroeg

er naar.

"Dat is Lunde," zeide de voerman. "'t Is zonderling, dat gij, die

hier zoo goed bekend zijt, dit niet weet. Ge hebt toch zeker hooren

spreken van "Lunde-bloed en Lunde-dol," dat zijn welbekende woorden

hier in Biri."

Neen, ik kende ze niet en vroeg hem de verklaring daarvan, die hij

aanstonds bereid was mij te geven.

"Op Lunde heeft altijd een vreemd slag van volk gehuisd; men zegt,

dat de Huldren daar gewoond hebben, en geheel anders dan gewone

menschen waren zij zeker; daarom spreekt men nog van "Lunde-bloed"

en "Lunde-streken."

"Eens woonde er eene oude vrouw op de hoeve, die Aase heette. Terwijl

zij in 't kraambed lag, was zij op eens verdwenen, en een eikenblok

lag op hare plaats. Sedert dien tijd pleegt men hier een mes boven

de deur te steken, wanneer eene vrouw in arbeid gaat, opdat ze niet

betooverd worde. De aardgeesten hadden haar weggevoerd, en 't was

niet de eerste maal, dat zij haar hadden vervolgd; reeds in hare

bruidsdagen hadden zij haar met 't hoofd voorover in een watervat

gedompeld, maar er waren toen verscheiden menschen op 't erf en zoo

werd ze dadelijk gered. En terwijl ze er uit werd gehaald, hoorde men

eene stem op den heuvel bij 't kookhuis, dat 't kwam, wijl ze geen'

trouwring aan den vinger had. Sinds dien tijd draagt ook 't armste

meisje, dat een' vrijer heeft, een' trouwring.

"Aase had een' zoon, die Dagfin heette; 't was een onbarmhartige

kerel. Zoo gierig was hij, dat 't niet te zeggen valt. Wanneer hij naar

't bosch moest, om hout te hakken, zette hij een groot blok voor de

keukendeur en zei tot de arme menschen: "Ga maar niet naar binnen, want

mijne vrouw is zoo karig, dat ge toch niets van haar krijgt." Maar dat

was gelogen. Eli was een goedhartig mensch; doch met den gierigaard

liep 't slecht af: hij hing zich op aan een' berk, die vlak bij

't woonvertrek stond. Een' stomp van den boom kan men nog zien.

"Deze Dagfin had drie kinderen: Aase, Per en Arnund; de laatste leeft

nog. Ellendiger lui heeft men nooit gezien. Aase was zoo mager en

leelijk, dat zelfs de duivel bang voor haar zou geworden zijn. Bijna

altijd lag ze in eene groote kist; ja, de ritmeester zou 't kunnen

bevestigen, want hij wilde eens 't deksel toeslaan, maar als eene

haviksklauw sloeg ze hare dorre hand uit, greep 't deksel en deed

't den ritmeester tegen den neus vliegen.

"Per was geheel en al behekst. Hij spitte overal diepe groeven in

zijne akkers en haalde er alle frambozenstruiken en aardbeiplanten uit,

opdat de kinderen ze er niet zouden komen plukken. Des zomers zwierf

hij op de bergvlakten rond om naar de paarden te kijken. Hij kende dan

ook alle paarden van 't vlek en verscheiden uit andere dorpen. Zelf had

hij ook altijd sterke en flinke paarden, en hij maakte ze nooit tam eer

ze zes, zeven jaar oud waren; dan nam hij ze met zich naar 't bosch,

velde een' grooten den, spande hen er voor en liet ze den boom naar

huis sleepen; zoo kreeg hij ze wel mak. Wanneer hij paarden of koeien

wou verkoopen, had hij ook eene zonderlinge gewoonte. Dan boorde hij

een gat in den wand van den stal, stak het eind van den staart er in

en sloeg eene houten pen in de opening. Wanneer 't beest dan werd

weggehaald, bleven er eenige haren in 't gat zitten. Dit deed hij,

opdat 't verkochte vee niet het geluk uit de hoeve zou meenemen. De

gansche zuidelijke wand zit vol pennen en haren tot op den huidigen

dag. Per Lunde ging dikwijls naar de kerk, maar er in kwam hij nooit,

of 't Avondmaal moest worden gevierd.

"Terwijl de andere menschen naar Gods woord luisterden, zwierf hij

rond op de hoeven en praatte met de paarden. En wanneer het Avondmaal

zou worden gevierd, dan sloop hij in den grafkelder en bleef daar,

tot de gemeente naar het altaar ging. Dan kwam hij te voorschijn,

maar zoodra hij 't sacrament had genoten, ging hij weer in den kelder,

tot de menigte de kerk had verlaten. Per mocht ook gaarne alles met

teer bestrijken; soms deed hij 't zich zelven en dikwijls 't vleesch

in 't kookhuis en sloeg dit dan vol met schoenmakerspennen. Na zijn'

dood vond men een heel vertrek vol ongehekeld vlas en wol, en vleesch

en vet, dat daar jaren lang had gelegen en geheel bedorven was; met

planken en latten had hij 't vertrek van alle kanten afgesloten en

toegespijkerd. Ja, 't was een rechte zonderling, die Per; toen onze

vorige schout nog leefde, verkocht hij hem eens een stuk van een'

paardepoot voor versch vleesch. Natuurlijk stierf de man daaraan,

maar later zeide de menschen, dat hij zich zelven van kant had gemaakt.

"Na Per kreeg Armund de hoeve; hij leeft nog en doet niet zoo dwaas

als de beide anderen. Hij heeft dan ook onder de menschen verkeerd

en in 't leger gediend als dragonder. 't Is een groote, sterke,

zware man, maar hij ziet zoo bleek als de dood. Soms doet hij nog

wel vreemde dingen; toen de ritmeester eens inspectie kwam houden,

paradeerde Armund met een' voederbak onder den arm in plaats van

zijne fouriersmuts. En zoozeer was hij aan den drank verslaafd, dat

hij, naar men zegt, elken dag een paar kan brandewijn naar binnen

sloeg. Verleden jaar begon hij rooden wijn te drinken, maar daar

hield hij spoedig mee op; die was hem te zuur. Nu drinkt hij elken

dag vier potten koffie, en bijna den ganschen dag zit hij in zijne

badkamer, die hij ontzettend heet stookt, in eenige schapenvachten

gewikkeld. Des zomers keert hij den wolligen kant naar binnen, want

hoe warmer het is, des te dikker gaat hij gekleed.

"Maar om op de oude Aase Lunde terug te komen. Langen tijd, nadat

zij was verdwenen, bevond Hans Sigstad zich eens op 't veld om zijne

paarden te zoeken. Eer hij er aan dacht, kwam hij bij de Dingsteenen,

en daar zag hij op eens zooveel pracht en heerlijkheid, of hij zich

in een kasteel bevond. Eene oude vrouw liep er op en neer; wel kwam

zij Hans bekend voor, maar hij kon haar niet thuis brengen.

"Kent ge me niet?" vroeg de vrouw.

"Ja, mij dunkt, ik heb u meer gezien," antwoordde Hans.

"Wel zeker, ik ben Aase Lunde, die verdween, toen zij in 't kraambed

lag," zeide ze. "Ik kende u, toen ge nog een kleine jongen waart;

jaren lang ben ik hier reeds geweest. Had men na mijn verdwijnen de

kerkklokken maar een beetje langer geluid, dan zou ik wel ontsnapt

zijn; ik had reeds 't eene been buiten den berg; maar toen hield men op

en moest ik weer terug. Gij zoekt naar uwe paarden," vervolgde zij,

"laat mij u zeggen, dat mijn man en zijne buren ze elk oogenblik

gebruiken. En dat is de schuld van uwe staljongens; wanneer zij de

dieren naar 't veld brengen, slaan zij ze met de leidsels. Maak

nu spoedig, dat ge weg komt; aanstonds keert mijn man naar huis,

en wanneer hij u hier aantrof, liep 't slecht met u af."

"Sigstad ging heen en vond weldra zijne paarden terug. Sedert heeft

hij Aase Lunde gehoord noch gezien; als zij niet gestorven is, dan

leeft zij nog en woont in 't Hulderslot bij de Dingsteenen.

Meer en meer breidden de schaduwen zich uit over de velden van

Biri en 't Mjösenmeer; de koelte van den avond daalde op de velden

neder. Suizend en fluisterend streek de wind door de toppen der

boomen en bracht een' vriendelijken groet van de bloeiende hagen en de

geurige bloemen der velden en wouden mee voor de vogels, die, sinds

kort uit het zuiden teruggekeerd, in 't lommer verscholen droomden

van de wonderen, die zij op hunne reizen in Griekenland en Marokko

hadden aanschouwd.

Naarmate wij ons doel naderbij kwamen, scheen mijn paard vlugger

te worden. Op Svennaes ontving ik de bevestiging van al wat ik had

vernomen: dat Per Lunde den schout een stuk paardepoot in plaats van

versch vleesch had bezorgd; dat hij zijne paarden met den staart in

den wand vastklopte, wanneer hij ze ging verkoopen, en wat al meer

geloofwaardige dingen mijn voerman had verhaald.

Noorsche Volksvertellingen · 第 12 / 22 题