DE KONING VAN DEN EGEBERG.

In mijne jeugd plachten wij--eenige makkers en ik--elken zondagmiddag

naar den Egeberg te gaan. De heele week verlangden we met ongeduld

naar dien achtermiddag, den eenigen, dien we in de open lucht konden

doorbrengen; naar de geurige hagedoorntakken, die we zouden afbreken;

naar de wilgen fluitjes, die wij zouden maken; naar de blinkende

bergkristallen, die wij zouden vinden, en de zoete aardbeziën, die

wij zouden plukken. Toen wij ouder werden, lieten we wel de wilgen

vredig staan en ontroofden den heggen haar sieraad niet meer; maar nu

en dan herhaalden we toch onze uitstapjes, en op de velden van den

Egeberg maakten we vroolijk jacht op den fraaigevleugelden Apollo,

of wij snelden de dorre vlakte om den bouwvalligen wachttoren rond,

om den ridderlijken Machaon te vangen, die in zijne luchte vaart

meermalen ons geduld op eene zware proef stelde. Wat intusschen

den Egeberg vooral zoo aantrekkelijk voor mij maakte, waren noch de

geurige hagen, noch de purperkleurige Apollo of de zwavelgele Machaon,

maar de romantische geheimzinnigheid, die van mijne vroegste jeugd af

aan mij in dit oord omzweefde; de wensch, hier ook iets wonderbaars

te zien en te hooren; de gedachte aan al de heerlijkheid, die binnen

deze ruwe steenklompen was verborgen, aan de geheimzinnige wezens,

welke de sage in 't binnenste van den berg hield opgesloten en waarvan

ik niet recht wist, of ze al dan niet bestonden.

De verhalen omtrent den koning van den Egeberg, zijn slot en zijn hof,

zijn meer en meer verstomd, maar van 't geen ik in mijne kindsheid

hoorde, leeft nog een en ander in mijne herinnering. In de volgende

vertelling heb ik 't een nieuw leven trachten te schenken.

Een halve eeuw geleden was de Egeberg niet zoo bebouwd als in onzen

tijd. Hij was bedekt met bosschen en struiken, en men zag er geene

andere woningen dan de oude gebouwen van de Egeberghoeve tegen den

top, en eene kleine roode hut nabij den voet, aan de linkerzijde van

den weg, waar deze zich rechts naar de hoeve wendt. Die hut heette de

Sving. Tegenwoordig ziet men er een veel voornamer gebouw, waar des

zomers danspartijen worden gegeven en waarin men ververschingslokalen

vindt voor de "jongeheeren", die in 't begin van den zomer tegen den

avond hierheen trekken "om den koekoek te hooren."

In die kleine hut woonde in den tijd, waarvan ik sprak, eene oude

vrouw, die boodschappen deed voor de menschen en moeite had op die

wijze door de wereld te komen. Eens, toen zij water had gehaald,

zat er eene groote, dikke padde op den weg, dien zij langs kwam.

"Ga uit den weg voor mij, dan zal ik vroêmoer zijn, als je in 't

kinderbed ligt," zei ze schertsend tot de padde, en--oogenblikkelijk

kroop 't dier heen, zoo spoedig 't maar kon.

Eenigen tijd later, toen de oude vrouw 's avonds uit de stad was

gekomen en bij den haard zat te spinnen, kwam er een vreemde man

binnen.

"Hoor eens," zei hij, "mijne vrouw is zwanger en 't zal gauw haar

tijd zijn. Wilt gij haar helpen, zooals ge beloofd hebt, dan zal

't u niet berouwen."

"De hemel beware me," zei de best, "dat kan ik niet; ik weet er

niets van."

"Ja, ge kunt het wel; want gij hebt 't haar beloofd," zei de man.

De best kon zich maar niet herinneren, dat zij aan iemand ter wereld

beloofd had, vroêmoer te zijn; dat verzekerde zij hem, maar de

man hernam:

"Beloofd hebt gij 't, want de padde, die vóór u op den weg zat,

toen ge om water uitwaart, was mijne vrouw. Wilt ge haar helpen,"

vervolgde de man, die zij nu begreep, dat niemand anders was dan de

koning van den Egeberg, "dan zal 't u niet rouwen; ik zal u goed

betalen, maar gij moogt het geld, dat ik u geef, niet verkwisten;

aan niemand moogt gij 't wegschenken, wie er u ook om vraagt, en gij

moogt er in 't geheel niet van spreken; geen woord moogt gij er u

van laten ontvallen, tegen wien ook."

"Neen, drommels!" zei ze, "zwijgen kan ik zoo goed als de beste;

bericht mij maar wanneer ik moet komen, en ik zal haar helpen zoo

goed ik kan."

Daar verliep eenige tijd, totdat de man op zekeren nacht de best vroeg

hem te volgen. Zij stond op en maakte zich gereed; hij liep voor haar

uit, en eer zij recht wist, waar ze was of waarheen ze ging, was zij

binnen in den berg, waar de koningin in barensnood lag. Het vertrek

zag er zeer voornaam uit, 't leek wel de groote zaal van een kasteel,

en nooit in haar leven had de oude zooveel pracht gezien.

Maar toen zij goed en wel binnen waren, zette de man zich op een'

stoel en kneep de handen samen over de knieën, en wanneer een man

zoo gaat zitten, kan eene vrouw onmogelijk verlost worden; dat wist

de oude zeer goed. Daarom beproefden zoowel zij als de koningin hem

tot opstaan te bewegen; telkens verzochten zij hem, nu dit, dan dat

te gaan halen; maar waar hij zat, daar zat hij en verroerde zich

niet. Eindelijk kreeg de vroêmoer een' inval.

"Ze is gelukkig verlost," zei ze op eens tot den koning. "Hoe is dat

mogelijk?" borst deze uit en sprong vol verbazing op. Op 't zelfde

oogenblik legde de christenvrouw de hand op de koningin, en dadelijk

was zij verlost.

Terwijl de man naar buiten ging om waschwater voor 't wicht te halen,

zei de kraamvrouw tot de best:

"Mijn gemaal is u nu zeer erkentelijk, maar, wanneer gij heengaat, zal

hij u trachten te dooden, want hij kan zijn aard niet verloochenen;

trek daarom snel de deur achter u toe, als gij vertrekt; dan mislukt

zijn plan."

Nadat het kind was gewasschen en gekleed, zond de koningin de oude

naar de keuken om eene kruik met zalf te halen, ten einde het de ooren

te smeren. Maar van zulk eene keuken en van zulk keukengeraad had

zij nog nooit de wedergade gezien! Langs den wand hingen in rekken

de prachtigste schotels en borden, en aan den zolder hingen pannen,

ketels en potten, alles van louter zilver en zoo blank. dat de wanden

er van schitterden.

Maar men kan zich niet voorstellen hoe verbaasd zij stond te kijken,

toen zij hier haar eigen dienstmeisje zag staan, die in een' handmolen

koren fijnmaalde. Zij nam eene schaar en knipte een stuk uit het

schort der dienstmaagd, zonder dat deze 't merkte, en verborg dit.

Toen zij zou vertrekken, herinnerde zij zich wat de kraamvrouw had

gezegd en smeet de deur achter zich toe. Op 't zelfde oogenblik wierp

de koning haar een' gloeienden bezemsteel na, waar 't vuur afvloog.

"Trof ik u?" schreeuwde hij.

"Neen," riep de best.

"Dat is gelukkig!" klonk het antwoord.

De zon stond reeds hoog aan den hemel, toen de oude thuis kwam,

maar het dienstmeisje, dat altijd klaagde over pijn in den rug en

vermoeidheid, sliep nog en kreunde in den slaap. Zij wekte haar

en vroeg:

"Waar zijt gij van nacht geweest?"

"Ik, vrouw?" zei 't meisje; "ik ben nergens geweest, zoover ik weet,

dan hier in mijn bed."

"Neen, dat weet ik beter," hernam de oude vrouw; "dezen lap heb ik van

nacht in den berg uit uw schort geknipt; gij ziet, dat hij nauwkeurig

past. Maar zoo is tegenwoordig de jonkheid; vroeger lazen de menschen

hun avondgebed en zongen een' psalm, eer zij naar bed gingen: dan

hadden de booze geesten geen macht over hen;--en gij moogt onzen Lieven

Heer ook wel beter voor oogen houden, want ge begrijpt, dat ge wel

zwak en klein moet blijven en pijn in den rug lijden, en dat ik niet

veel dienst van u kan hebben, als gij 's nachts voor hen moet werken."

Van den dag af, dat de oude vrouw vroêmoer was geweest bij de koningin,

vond zij elken morgen een hoop zilvergeld voor hare deur, en 't ging

haar nu zoo goed, dat ze er weldra warmpjes in zat. Maar eens geviel

het, dat eene heel arme vrouw haar heur' nood klaagde.

"Och wat!" zei ze, "dat heeft zoo veel niet te beteekenen; als ik maar

wilde, dan kostte 't mij volstrekt geen moeite u te helpen; want die

wat doet, die wat wint; dien ik geholpen heb, helpt mij ook weer." Maar

sinds dien dag vond zij geen' enkelen schelling meer voor hare deur en

't geld, dat zij bezat, was als weggeblazen. Op nieuw moest zij nu den

korf op den rug nemen en naar de stad loopen in zonneschijn en regen.

Niet altijd intusschen ging de koning van den Egeberg uit ter wille

van zijne vrouw; soms had hij eigen zaken te verrichten. Dan liep

hij de meisjes uit de stad na, wanneer zij op zon- en feestdagen

in de kloven en op de velden van den berg zich vermaakten of

't bosch ingingen om bessen te zoeken. Meestal zag hij er uit

als een onoogelijk verschrompeld mannetje met roode oogen, maar

als hij fortuin wilde maken, nam hij de gedaante aan van Bernt

Ankers en vertoonde zich als een knap bejaard man met eene ster op

de borst. Dat was intusschen niets dan gezichtsbedrog; hij was en

bleef de oude, leelijke, roodoogige toovenaar, en dit bleek ook wel

uit zijn kroost: hij kreeg nooit anders dan de mismaaktste kinderen,

echte schreeuwleelijkerds met groote hoofden en roode oogen, die de

ouders zoo spoedig mogelijk zochten kwijt te raken en die dan door

de berggeesten, de gehoorzame dienaren en onderzaten van dit waardige

koninklijke paar, te vondeling werden gelegd.

Te dien tijde stonden namelijk de geesten van den Egeberg in den

kwaden roep, dat zij welgemaakte, mooie menschenkinderen stalen van

de bewoners van Grönland, Enerhaug en voornamelijk van Gamleby, en

dan wisselwichten daarvoor in de plaats legden, en die kinderroof

en kinderruil ging zoover, dat ze geen hulp genoeg hadden ze alle

op te kweeken; daarom stalen zij ook kindermeiden en vaak hielden

ze die altijd bij zich. Maar eens hadden zij een meisje van Gamleby

weggevoerd, dat gelukkiger was dan hare zusters. Een jaar lang was

zij in den berg geweest en had al dien tijd een lief menschenkind

verzorgd, toen zij wist te ontsnappen. Of men de klokken voor haar

had geluid, of ze hare schoenen verkeerd om had neergezet; of ze

zich had verpraat of eene naald in haar hemd gevonden, dat herinner

ik me niet meer; genoeg, zij liep weg en sinds vertelde zij aan Jan

en alleman, hoe fraai en ruim 't in den Egeberg was, hoeveel knappe

lui daar woonden, hoe ze hun best hadden gedaan haar daar te houden,

en welk een' lieven jongen zij had opgepast.

Elken morgen, hadden de berggeesten gelast, moest zij de oogen van

't kind bestrijken met eene zalf, waarvan eene kruik vol in de keuken

hing; maar, hadden zij er bijgevoegd, zij moest zich wel wachten de

zalf te dicht bij hare eigen oogen te brengen. Zij begreep echter

volstrekt niet, waartoe dit moest dienen, want 't kind bezat de

mooiste oogen, die men ooit had gezien, en eens, toen de meesteres

niet in de keuken was, had zij daarom wat van de zalf over haar

rechter oog gesmeerd.

Een halfjaar nadat zij den berg had verlaten, moest dit meisje een

of ander koopen in den winkel van Bjerkenbusch op den hoek van de

hoofdstraat en de markt. En zie--daar stond het oude wijf uit den berg,

bij wie ze kindermeid was geweest, bij de toonbank en stal rijst uit

eene lade, zonder dat iemand haar scheen op te merken.

"Goên dag, moeder, moet ik je hier weer zien?" zei 't meisje; "hoe

gaat het met uw kind?"

"Kun-je mij zien?" vroeg de vrouw verbaasd.

"Wel ja, waarom niet?" antwoordde 't meisje.

"Met welk oog zie-je me dan?" vroeg het bergwijf.

"Wacht eens--met het rechter," hernam 't meisje, terwijl ze met de

oogen knipte.

Op eens spuwde 't wijf haar in 't oog en van dien tijd af kon 't

meisje haar noch iemand anders daarmee zien; zij was en bleef blind

aan 't rechter oog.

Schoon er in onzen tijd gewis geen gebrek is aan dikhoofdige kinders,

in Grönland zoo min als in Gamleby, hoort men toch niet meer van

den kinderroof der geesten van den Egeberg. Vooreerst namelijk is de

verlichting zoo hoog gestegen, dat men, in plaats van de wisselkinderen

drie donderdagavonden achtereen op de vuilnishoop te geeselen of ze met

eene gloeiende tang in den neus te knijpen, zooals in vroeger dagen

de gewoonte was, nu door moeder Torgersen of eene andere vrouwelijke

duivelbanner lood laat smelten boven 't wicht, om het te vrijwaren

tegen de engelsche ziekte of andere hekserij. Of ook, men zendt

een van de doeken waarmee 't gebakerd wordt, naar Stine Bredvolden,

die zoo knap is, dat ze daaruit de kwalen, ja de heele toekomst van

't kind kan lezen en zoo uitspraak doet over leven en dood. En voor

't overige is de koning van den Egeberg met zijne onderdanen verhuisd;

want het onophoudelijk trommelen en schieten in den laatsten oorlog,

het rammelen der geschut- en bagagewagens, die met donderend geraas

over het dak van 't paleis rolden en de zilveren vaten langs de wanden

deden rinkelen, maakten hem 't verblijf in den berg moede.

Op zekeren nacht van het jaar '14 werd hij voor 't laatst gezien;

hij voerde al zijne roerende have en eene groote kudde bonte koeien

met zich.

"Hemel, waar moet gij nog zoo laat heen in dezen gevaarlijken tijd

met zooveel huisraad en zoo'n groote kudde?" vroeg de man, die hem

ontmoette.

"Ik ga verhuizen naar den Kongsberg, bij mijn broeder," antwoordde

de koning; "want ik kan dat schieten en dat geraas niet langer

uitstaan,"--en sedert heeft men hem nimmer meer gezien.

Noorsche Volksvertellingen · 第 7 / 22 题