Ditmaal zult gij mij niet ontkomen, mejuffer. Reeds lang hebt ge
beloofd mij uw uitstapje naar den Saeter te verhalen en thans zijt gij
er te eer toe gehouden, daar het onze in het water dreigt te vallen.
Een blik uit het venster der pastorie bekrachtigde maar al te zeer
deze laatste opmerking. De hemel, die ons in den vroegen morgen het
prachtigste weer had voorspeld, bevestigde mijne oude ervaring,
dat er alleen op een' helderen avond te rekenen valt. De eene
bui na de andere viel kletterend neer op de hooge boomen, en naar
alle waarschijnlijkheid zou de regen den ganschen dag aanhouden,
al verzekerde ook de kleine Trine, die gedurig uit- en invloog, dat
de lucht, nu eens in 't oosten en dan weer in 't westen, opklaarde,
en dat we nog wel vóór den middag zouden kunnen uitgaan.
"En daarom, beste juffer,--ik ben louter gehoor."
"Meent gij dan, dat ik u iets zal vertellen, mijnheer Asbjörnsen? Ik
ben er achter gekomen, dat gij u niet, als iedereen, vergenoegt
met te luisteren naar wat men u vertelt, maar dat ook opschrijft en
't laat drukken. Daarom behoef ik mijne belofte niet te houden."
"Ik zweer u, dat ik, wat ge mij nu zult vertellen, nergens zal laten
drukken," antwoordde ik.
"Buitendien gebeurde er niets bijzonders op dat uitstapje. 't Was
aardig, 't was verrukkelijk--ziedaar alles. Maar nu spijt 't mij
geducht, dat ik er u ooit van gesproken heb."
"Uw toestand is zeker deerniswaard genoeg; intusschen, daar ge uw
woord hebt gegeven....
"Daarenboven," viel ze mij in de rede, "wat beteekent eene schrale
herinnering, nu gij zelf de hoop koestert zulk een uitstapje te doen;
wat is een flauw beeld bij de levende werkelijkheid? 't Is alsof
men, in plaats van een concert te hooren, eene recensie van eene
muziekuitvoering leest. En 't zou mij niet verwonderen, als de nikker,
die ons vandaag zulk eene poets speelt, het hoofd uit de proviandkorf
stak en ons uitlachte.
Ik slaakte eene zucht over de vasthoudendheid der dames aan een eenmaal
opgevat voornemen, terwijl ik heimelijk den overvloed van argumenten
moest bewonderen, die haar steeds ten dienste staan en die, zoolang
men ten minste tegenover haar zit, overtuigend genoeg zijn.
"Zulke vertellingen," vervolgde zij, terwijl ze Marat op den hals
klopte, die, niet minder mismoedig dan wij, met hangende ooren aan
onze voeten lag, "zulke vertellingen behooren buitendien in 't hoekje
van den haard te huis."
"Maar, lieve hemel, mejuffer, toen ik u verleden winter er om
verzocht, beweerdet gij juist, dat zij alleen 's zomers moesten
verhaald worden. Maar, laten wij, in plaats van hierover te kibbelen,
ons vereenigen tegen de booze geesten, die ons plagen. Wij willen hen
met rust laten en van ons uitstapje afzien, dan zult gij merken, dat
't weder opklaart, eer wij er aan denken."
"Ja, en wanneer de regen over is, toch heen gaan, niet waar?" vervolgde
zij lachend. "'t Kon werkelijk de moeite waard zijn, uw' raad te
beproeven!--Welnu, 't zou dwaas van mij zijn, me langer te laten
bidden; luister dus, en gij zult hooren, dat uw verlangen naar mijn
verhaal kwalijk gerechtvaardigd wordt."
"Op een' zomerdag, terwijl ik op den Saeter logeerde, gingen Trine en
ik met een der Saetermeisjes naar buiten om braambeziën te zoeken. Het
was een heldere dag en geen windje deed zich hooren. 't Had den
vorigen dag geregend en de lucht om den berg was zuiver en klaar. In de
kloven en tusschen de steenen wiesen eene menigte planten met groote,
witte, welriekende bloemtrossen. Woudhoenders vlogen op voor onze
voeten en zochten angstig naar hunne jongen tusschen de wilgen en
't jonge berkenhout.
"Toen wij bij de marschvlakte kwamen, waar de bessen groeien, zagen
wij den grond bedekt met roode en gele vruchten, en aan de kanten en
op de heuvels stonden eene menigte bloemen met zulke fraaie kleuren,
als ik nog nooit had gezien; zij vervulden de lucht met de heerlijkste
geuren. O, 't was zoo zoet, die lucht in te ademen en de kleine Trine
was zoo blij: ze vloog van de eene bloem naar de andere en klapte in de
handjes en werd niet moede de bloemen te plukken en te bewonderen. En
Brita praatte over hare koeien en geiten en over de rendieren, die zij
had gezien, en vertelde eene menigte sprookjes en wonderlijke dingen
van fjeld en saeter. Onder hare vertellingen en haar vriendelijk gesnap
waren onze korfjes van berkenschors spoedig gevuld met braambessen
en bloemen, en weldra begonnen wij aan terugkeeren te denken. Eerst
nog zetten we ons wat neder in 't frissche gras bij een wachttoren
op een' kleinen heuvel. Ter linkerzijde, een weinig achter ons, lag
eene groep hooge bergspitsen met glinsterende sneeuw bedekt. Trine
zei heel aardig, dat ze precies blauwe zakjes met suiker geleken, met
gaten er in om de suiker te laten doorschijnen. Brita vertelde ons,
dat het de Rondertoppen waren, en toen ik voorsloeg er heen te gaan,
dat ze meer dan eene mijl van ons verwijderd lagen; mij schenen ze
nog geen duizend el ver.
Naar 't westen en noorden stapelde zich bergrug op bergrug, altijd
hooger, in allerlei grillige vormen, met blauwe en violette toppen
van de meest verschillende gedaante. Brita kende ze alle bij name
en vertelde ons, dat ze in Valders, Lom en naar den kant van Sogn
lagen. Maar aan onzen voet strekte zich tot op verren afstand
een landschap uit van een gansch ander voorkomen: groote, bruine
en grauwgroene vlakten, met heidekruid en mos bedekt, verlaten,
eentonig, door geen' enkelen heuvel afgebroken, door geen enkel
levend wezen bewoond. Nooit had ik zulk eene grootsche woestenij,
zulk eene verheven armoede aanschouwd. Toch stemde mij 't gezicht
daarvan treurig, ja bijna neerslachtig. Een bruin gespikkelde vogel
vloog naar den heuvel in onze nabijheid en begon te fluiten. Maar
zijne tonen klonken zóó klagend, zóó weemoedig, als of het dier wilde
weergeven, wat ik op dat oogenblik gevoelde.
Brita en Trine hadden den heelen tijd te zamen gesnapt. Ik begon nu
naar haar gekeuvel te luisteren.
"Hoe heet dit wachthuis, Brita?" vroeg Trine, "noemt men het niet
de heksenwacht?"
"Ja, zoo noemen de menschen het gewoonlijk; eenige mannen hebben het
gebouwd, omdat zij hier al heel wonderlijke dingen zagen gebeuren."
"'t Waren Paul Braekke, een boerenknecht bij Sell vandaan en eenige
andere arbeiders. De melksters hadden allen, tegen 't najaar, met
het vee den Saeter verlaten en de arbeiders moesten nu mos halen tot
wintervoeder. Terwijl ze 't mos naar de berghelling brachten, kwamen
er op eens tal van jonkvrouwen aanzweven, zoo heerlijk uitgedost, dat
zij een' bruidsstoet waanden te zien en de oogen bijna niet dorsten
opslaan. Hare lange slepende kleederen glinsterden in de zon, of ze
van zijde waren, en op 't hoofd droegen zij zilveren kronen en andere
sieraden. Zoolang de mannen haar stonden aan te staren, stonden ook
zij stil of zweefden heen en weer, maar toen zij voortgingen met hun'
arbeid, volgden de jonkvrouwen hun voorbeeld. Of de mannen haar met
mos wierpen, daar stoorden ze zich niet aan. En telkens als Paul en
zijne makkers de plek naderden, waar zij de jonkvrouwen zagen, waren
ze verdwenen, maar als zij dan weer op de plaats waren gekomen, waar
't mos werd verzameld, dan zagen ze haar op nieuw en zoo duurde dit
den ganschen dag.
In 't voorjaar waren twee dezer mannen met nog een' derden even
benoorden Valfjeld geweest om rijshout te hakken. In 't middaguur,
nadat zij hadden gegeten, vielen twee van hen in slaap, terwijl de
derde nog zijn middagmaal zat te gebruiken. Daar hoorden ze op eens
zulk een verrukkelijk vioolspel, als ze nog nooit hadden vernomen; zij
spraken er met elkander over en hielden zich dus stellig overtuigd,
dat ze niet langer sliepen. Meer dan eens klonken hun die heerlijke
tonen in het oor en een van hen "neuriede", naar Brita verzekerde, "nog
lang daarna de wijs van 't lied zoodat men niet aan de werkelijkheid
van 't gebeurde kon twijfelen."
Nog veel meer wist Brita te verhalen van de aardgeesten en de Huldren,
maar in zooverre stond ze reeds onder de macht der zoogenaamde
verlichting, dat zij niet gaarne uitkwam voor haar geloof aan deze
natuurmachten. Wanneer eene van ons beiden tegenwerpingen maakte,
verdroot haar dit; dan beriep ze zich soms op hare eigene ervaring
en vertelde daarvan een of ander, maar meestal zweeg ze stil! 't
Was er verre vandaan, dat ik de opgeruimdheid, die hare vertellingen
eene frissche levendigheid bijzette, wilde verjagen; daarom gaf ik
Trine een wenk met de oogen en zei: "Maar wie zou er twijfelen aan
de waarheid van dat alles? Wil ik eens wat vertellen, dat nog veel
zonderlinger schijnt? 't Heugt je wis nog, dat ik voor twee jaar
mijn' oom in 't Hallingdal heb bezocht? Daar ontmoette ik een oud man
van bijna honderd jaar, van wien men verhaalde, dat hij in de macht
der Huldren stond. Hij had eene zwakke borst en zag er vervallen en
gebrekkig uit. Zijn blik was dof en wezenloos en soms scheen het,
dat hem alle bewustzijn ontbrak. In zijne jonge jaren was hij eens
bij den aanvang des zomers naar den Saeter getrokken. Nu geviel 't,
dat hij op zekeren dag onder boos weer den berg op moest in plaats van
den veehoeder. 's Avonds kwam de kudde naar den stal terug, maar Ole
was verdwenen. Men ging hem zoeken, heinde en ver, men loste schoten
en luidde de kerkklok, maar hij kwam niet terug. Hij was door de
berggeesten weggevoerd en dezen wilden hem niet loslaten. Vooral eene
jonge schoone Hulder hing hem met trouwe liefde aan. Zij was altijd
vriendelijk jegens hem, deed alles om hem te behagen en leerde hem
op de mondharp spelen. Zoo fraai heeft gewis nimmer iemand op dit
eenvoudige instrument gespeeld als de oude Ole. En hij bracht die
heerlijke tonen niet, als gewoonlijk, voornamelijk met de vingers
voort, maar alleen met den mond. Eens heb ik hem gehoord. Zijn spel
herinnerde mij nu eens aan 't gekweel der vogelen, dan weer aan 't
klagend gefluit van de bergvink of aan de tonen van de herdersfluit
op een' zomeravond, en zoo sterk greep 't mij aan, dat de tranen mij
in de oogen schoten.
Maar Ole meende, dat de mooie Hulder een' afschuwelijken koestaart
had, en daarom wilde hij niet bij haar blijven. Eens borst hij uit:
"Wanneer, in Jezus' naam, zal ik toch weer onder christenmenschen
komen?" Toen begon de Hulder te schreien en zei, dat hij nu een' naam
had genoemd, dien zij niet kon uitspreken en 't haar nu ook onmogelijk
was hem langer vast te houden;--"maar houd u wat ter zijde van de deur,
als ge heengaat, anders doet vader u kwaad," voegde zij er bij.
In de blijdschap over zijne verlossing, lette hij daar niet op en
terwijl hij zich heenspoedde, werd hem een brandend bos rijshout
nageworpen, waar vuur en vonken uitvlogen. Toen was 't hem, of al
zijne leden werden stuk geslagen. En sinds dien dag was hij nimmer
meer gezond en was hij ook niet recht bij 't hoofd. Maar waar hij
ging of stond, overal volgde hem 't mooie Huldermeisje. Wanneer hij
's avonds alleen bij den haard zat, zag hij haar dikwijls.
"Gyri Arendshoofd, ik zie u wel!" riep hij dan. "Daar is zij, ziet
ge haar niet?" vroeg hij den kinderen. Dezen bespeurden niets; maar
eene huivering voer hun dan door de leden.
"En nu is 't uwe beurt, Brita," zei Trine, die mijn wenk had
begrepen. "Gij zult toch ook wel eens de Huldren hebben gezien of
gehoord. Vertel ons daar wat van."
"Ja, dat heb ik," antwoordde Brita; "ik spreek er liefst niet van, maar
u kan ik 't wel vertellen. Ik was nog bij mijne ouders tehuis en vader
was op den molen in 't gebergte. Ik was eene kleine dreumes en had nog
niet eens leeren lezen. Moeder had mij gelast eten naar den molen te
brengen. Ik was zoo dartel als een geitje en wanneer ik den berg maar
op mocht, al was 't niet verder dan tot het einde van 't bosch, dan
was ik overgelukkig. Ik vertrok en sprong door de weiden de helling op;
't was heel warm en toen ik een goed eind weegs had afgelegd, werd ik
moede. Ik wierp mij op eene groene plek neder, in de koele schaduw,
en had tusschen de boomen door een ruim uitzicht. 't Was achtermiddag
en de zon was bijna achter den berg verdwenen. Op eens werd ik heel
slaperig, maar deed mijn best wakker te blijven. Daar hoorde ik een'
hond blaffen en klokjes luiden, zoo helder of ze van zilver waren, en
heel in de verte werd op de herdersfluit geblazen, dat 't weerklonk in
't bosch en op den berg.
Eene poos daarna zag ik verscheidene lastdieren naderen met ketels,
melkvaten, boterkruiken en gereedschappen van allerlei slag op den rug,
en daar achter eene kudde grijskleurige ossen en groote bonte koeien,
zoo mooi en vet, als ik ze nimmer had gezien. En op de horens droegen
zij gouden knoppen en om den hals zilveren bellen en vooraan liep
eene groote vrouw met eene herdersfluit in de hand en eene melknap
met zilveren banden; zij praatte met de koeien en noemde ze bij den
naam. Maar zulke koeienamen had ik van mijn leven nog niet gehoord! Zóó
begon ze te zingen:
HULDERLIED.
Niet te snel. Uit het Foldal.
Zomerloof en Koel - te, En Bont - van - rug en
Zwoel - te, En Stum - per en Stak - ker, En Blauwtje-
klein, Snapper en Rakker, Nachtmuts en Wak - ker,
En Ver - van - daan en Spring-in - 't- veld, Lu - lo,
Langzamer.
Lu - - lo - - lo, Lu - - lo, Lu - - lo,
Lu - - lo, Lu - - lo, Lu - lo, Lu - lo.
Toen de kudde voorbij was, stond ik op om te zien, waar zij heen trok,
maar ik zag niets dan den herdershond en een meisje, dat juist achter
't lage sparrehout verdween. 't Meisje had een blauw kleedje aan, maar
daaronder bemerkte ik duidelijk den staart eener koe. Toen begreep ik,
dat het eene Hulder was.
De tweede maal, dat ik de Huldren zag, was geruimen tijd later. Ik
was toen reeds een volwassen meisje. 'k Was vroolijk van aard en
waar de vedel ging, kon men mij altijd vinden. Terwijl ik 's zomers
op den saeter lag, zou er gedanst worden op de bergvlakte. 'k Ging
er heen en niet vóór den morgen keerde ik naar de hut terug. Ik
ging naar bed en meende een uurtje te slapen. Maar--hoe 't kwam,
weet ik niet--ik versliep mij, zoodat de koeien over haar' tijd in
den stal bleven. Toen ik ontwaakte, stond de zon reeds hoog aan den
hemel.--Buiten op 't veld hoorde ik een vroolijk liedje zingen. Ik
sprong het bed uit om te melken en 't vee naar de weide te brengen,
maar zooals ik de deur uitkom, zie ik eene Hulder verdwijnen in het
bosch. En over de bergvlakten weerklonk dit
LIEDJE.
Vroolijk. Uit het Österdal.
Ka - ri en Ma - ri, staat toch op, Neemt het licht,
Gaat naar stal, Daar bracht de koe het zwar - te kalf;
't Beest moet hee - ten Mooist-van-al. Kalft een koe,
bigt een zeug, werpt een geit, jongt een schaap:
't Vee, dat blijft in de weide; Hei Halvorsen, Halvor
Dar - sen, Dei Dy - ringen, Dyring Bramsen, Bram
Börresen, Böring Bundersen, Dunder Dangsen en Sommer
Ningsen en Somme Dromlingen!
Langzamer.
Zoo lok - ken wij 't vee naar de wei - de, Hoe-
ra, hoera, hoe - ra uit het woud; Komt, laten wij spelen naar
Val-dris' wijs! In Val - dris, in Val - dris, daar
is 't zoo goed te wei - den, Daar is 't zoo goed te weiden
Ja - a . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . Ja. . . . . . . . . Ja . . .
. . . . . . . . O, kom, o, kom! Och, arme!
Hier eindigen Brita's vertellingen en tevens 't verhaal van mijn
uitstapje.
Terwijl de juffer vertelde, was 't weer werkelijk opgeklaard, zonder
dat wij er acht op hadden geslagen. De zon scheen met al hare warmte
en pracht en nu werd 't een gejubel en drukte zonder einde. "Naar
den Saeter, naar den Saeter!" klonk het en met 't verrukkelijkst
uitstapje werd de dag besloten.
Ik heb mijn woord tegenover de schoone vertelster van dit
Huldersprookje niet gehouden en kan er tot heden maar geen spijt
over gevoelen.