EEN NACHT IN NORDMARKEN.

Een Julidag, zoo doorschijnend helder als een dag in September,

een zonnestraal boven de bergen van Baerum en de dennengeur, dien

ik toevallig opsnoof, deden, in 't midden van den heeten zomer en

in de duffe stad, mijn' zwerflust ontwaken en mijn heimwee naar

bosch en veld. Ik moest en zou naar buiten om de frissche lucht van

stroomen en dennen in te ademen. Doch slechts een paar dagen stonden

te mijner beschikking. Tot een' langen tocht schoot dus de tijd te

kort; een uitstapje naar Nordmarken, om daar te visschen, was al wat

ik me mocht veroorloven. De toebereidselen waren spoedig gemaakt;

aas en vischtuig waren in orde, en na eene wandeling van weinige

uren was ik den Hammer voorbij, ging langs eene berghelling naar

Kamphaugen en van deze hoeve verder naar de Björnsjö-rivier. In de

diepte glinsterde de baai nu en dan tusschen de stammen der boomen

en de open plekken van 't bosch. De vogels zongen uit volle borst en

't werd me zoo vroolijk en vrij, nu 'k weer ademen mocht in den zoeten

woudgeur. 't Gedruisch van den waterval riep mij tot zich en spoedig

was ik aan den mond der rivier. Hier stroomde zij helder, maar steil,

over den kiezelgrond; uit eene woeste kloof, die van haar' uitloop uit

het Björnmeer af eene kwartmijl lang hare diepe bedding vormt, ijlt ze

als in gevleugelde vaart in de armen der baai. Zoolang de rotswanden

en torenhooge steenklompen haar beklemmen, tuimelt zij met pijlsnelle

drift in den donkeren afgrond neer. Nu eens vormt zij een' bruisenden

waterval, wit van schuim; dan stuift zij met woeste sprongen hoog boven

de zwarte rotsmuren uit, terwijl hare wateren in damp verdwijnen; dan

weer--of hare onbesuisdheid haar rouwde--stroomt ze met donkere, loome

golven voort. Maar slechts een ommezien rust zij uit, om met frissche

krachten het dartel spel weer aan te vangen. En toch beteekent al haar

gedruisch en gebruis in dezen tijd des jaars luttel bij 't geen zij in

't najaar te zien en te hooren geeft. Wanneer de dam wordt geopend;

wanneer de schuimende wateren van 't Björnmeer worden losgelaten en

het gevelde hout met den stroom wordt meegevoerd, dan overtreft haar

koken en bruisen elke voorstelling; het gedreun van hare watervallen

is als 't ratelen van den donder; boomen en rotsblokken sleurt zij

mede en balken doet ze in stukken vliegen, als waren 't pijpestelen.

De rotshellingen aan de oevers van den stroom heffen zich steil naar

boven met hare steenblokken, hare massa's omgewaaide stammen en hare

donkere dennen, die ernstig nederzien op het wilde spel in de diepte

en verfrischt worden door de dampwolken, die de waterval telkens hun

in den grauwen, eerbiedwaardigen baard werpt.

En tusschen de elzen en beuken, die beneden aan den oever hunne

takken boven de rivier uitbreiden, ziet de visscher, die hier

heen is getogen om buit, slechts eene smalle slip van den blauwen

hemel, meestal nog verduisterd door de dampen, die van den waterval

opstijgen en langs de helling zweven. Wie hier wil visschen, moet

voor water noch rotsen vervaard zijn, want vaak is de klove zoo eng,

dat de oevers verdwijnen en men den stroom moet doorwaden, en soms

wordt de bedding plotseling dieper en vormt eene donkere geul met

steile wanden, waarin de stroom als een schuimende waterval op den

visscher aanstormt. Dan moet hij tegen de steile wanden opklauteren,

tusschen steenklompen door, die dikwijls onder zijne voeten uitwijken,

zoodat hij, indien hij al niet naar beneden stort, tusschen hemel en

aarde zweeft en zich met de handen moet vastklemmen, die opengereten

worden en bloedige sporen achterlaten op den steen, dien hij heeft

aangegrepen. En kent hij niet elken steen en elken struik, dan bevindt

hij zich spoedig in den wanhopigen toestand, dat hij op noch neer kan;

"dat hij in den berg is geraakt," zooals 't bij de jagers heet.

Ik sprong van den eenen steen op den anderen, terwijl de hengelroê

mij tot staf en balanceerstok diende; ik waadde en klauterde en was

recht vroolijk. In de heldere wielingen en onder de glasgroene golven,

welke de rivier vormde op die plaatsen, waar zij met mindere woestheid

voortstroomde, sprongen de jonge forellen vroolijk op en neer; in

de diepe geulen schoten groote visschen als gouden strepen heen en

weder, snapten 't aas onder 't water weg, deden 't snoer suizend van

de roede glijden en sleepten 't mee naar het diep, waaruit ze echter

spoedig naar boven getrokken en op het droge gebracht werden.

Toen ik uit de kloof trad, waar de rivier uit het Björnmeer ontspringt,

verwijlde ik een oogenblik op den dam. De zon neeg ter kim en haar

licht speelde tusschen de boomtoppen, terwijl 't donkerblauw des

hemels, de gloeiende avondwolkjes en de sombere dennen, die 't meer

omsluiten, zich afspiegelden op het heldere watervlak. Insecten gonsden

door de lucht en hielden hun elvendans boven 't water, waaruit, al

borrelend en plassend, prachtige visschen op hen toe schoten. Boven het

bosch, naar 't noorden, stond eene loodkleurige wolkbank met geelbruine

randen. Lauwe luchtstroomen kwamen mij te gemoet en beklemden de borst

in de eenzaamheid des wouds; in de verte klonk eene fluit, wellicht

ook de echo daarvan; in de avondstilte naderden hare tonen mijn oor,

zwevend, wegstervend, verlokkend en klagend tevens.

Ik ging het bosch door langs den meeroever, om te onderzoeken, of

er op eene der vooruitspringende plekken ook iemand te vinden was,

die mij naar Bonna zou kunnen overzetten, de eenige plaats, waar hier

menschen wonen. Weldra traden twee mannen het bosch uit. 't Voorkomen

des eenen hield het midden tusschen een' patriarch en een' bedelaar;

hij bezat eene reusachtige gestalte, borstelige wenkbrauwen en een'

langen, eerwaardigen grijzen baard. Op 't hoofd droeg hij eene blauwe

wollen muts en over zijn versleten wambuis hing een zak van schapenvel,

met een' rooden wollen band vastgemaakt. De ander was een visscher,

dien ik reeds meermalen op mijne zwerftochten door deze streken had

aangetroffen. Van ouder tot ouder had zijn geslacht hier geleefd en

gearbeid; in vroegere dagen had het in eeuwigdurende veete geleefd

met de "boschfinnen," die volgens de sage tot in het midden der

vorige eeuw zich ophielden in verschillende vlekken van Nordmarken

en in de groote bosschen, die zich van hier en den Holtsfjord tot

't Gudbrandsdal en Valders uitstrekken.

Maar de oude Elias is niet altijd visscher geweest. In zijne jeugd

was hij een kloek zeeman, die evenmin een' storm als 't donderen

der kartouwen vreesde. Hij lag voor Göteborg in 1788; hij was

bootsmansmaat op de Prövest, den 2den April 1801. Hij heeft de geuren

der oranjeboschjes aan de kusten der Middellandsche zee ingeademd

en de palmboomen van Indië aanschouwd. In Nordmarken heet hij Elias,

de visscher, of Elias, de Zweed, naar' zijn eersten tocht. Nu is hij

gebrekkig en wordt grootendeels onderhouden uit de armenkas. Maar de

breede schouders en de krachtige armen tuigen nog van zijn verleden,

en wanneer zijn tong los komt en hij aan 't vertellen raakt over

kapitein Larsen, zijn' bevelhebber, over de zee, over den 2den April

en zijne vischtochten in Nordmarken, dan komt er leven in die oogen,

dan spant zich elke spier van dat ingevallen en behaard gelaat. Oud

en jong luistert gaarne naar zijne vertellingen en Elias is overal

een welkome gast, zelfs bij die kleinzielige schepselen, die hem zijn

geluk bij 't visschen misgunnen. Want vóór alles is hij met hart en

ziel visscher, en zijne ervaring, zijne veeljarige kennis van de

gewoonten en levenswijze der visschen in deze rivieren en wateren

maken, dat zijne pogingen in den regel met een zeldzaam geluk worden

bekroond. In den besten vischtijd ziet men Elias, den visscher,

zelfs nu nog, in zijn vier-en-tachtigste jaar, iedere week met eene

reusachtige mand vol visch op den rug naar de stad gaan. Maar één

zwak heeft hij; al te vaak tracht hij de klove tusschen 't voorheen en

thans te doen verdwijnen onder de wateren der Noorsche Lethe. Wanneer

hij van de stad terugkeert, zijn zijne schreden wankelend en is zijn

hoofd zwaar, en schoon zijne woning niet ver is--de kleine hut op een'

heuvel ter linkerzijde van den weg, even voor men aan de Skjærvenbrug

in 't Mariadal komt--gebeurt het maar al te dikwijls, dat hij aan

den kant van den weg zijne slaapstee vindt.

"Welkom, mannen!" zei ik.

"Goên avond," was 't bescheid van beiden, terwijl zij op de hengelroê

leunden.

"Goên avond, Elias; moeten we elkaar al weer hier vinden?"

"Ja, 't gaat met mij als met eene donderwolk," zeide Elias, "men

vindt mij altijd, waar ik 't minst verwacht word."

"Denkt ge hier van nacht te visschen?" vroeg ik.

"Wij meenen het ten minste te probeeren," zei Elias, "'t is nog wel

wat vroeg in 't jaar, maar als er regen en wind komt, kan 't licht

meeloopen.

"Ja, dat denk ik ook, Elias."

"Hebt ge eene goede vangst gehad in de rivier?" vroeg Elias met een'

nieuwsgierigen blik op mijne vischkorf.

"Och, ik heb wel wat gevangen, maar er is niet veel bij, dat meer

dan twee marken weegt," zei ik en opende het deksel.

"Er is meer dan anderhalf pond; kijk, dat is een prachtig stuk,

en die ook... drommels, 't zijn mooie visschen," zei Elias.

"Vischt hij met vliegen?" vroeg de ander.

"Jij raadt het," zei Elias, terwijl hij te vergeefs een paar malen

zijne hengelroê uitwierp: "jij raadt het; ik heb naast hem gestaan

aan de Hakklo en kreeg niet eens tuk, terwijl hij met een half pond

ging strijken, en dat schielijk ook."

Ik vroeg, waar zijn kameraad vandaan was en vernam, dat hij zich des

zomers op de bergen van Hadeland ophield. Hij moest nu naar stad om

zout te koopen; maar hij zou ook graag wat brandewijn en tabak willen

opdoen, en daartoe trachtte hij zich de middelen te verschaffen door

de vischvangst.

Tegen 't invallen der duisternis brak 't onweder los; het donderde en

bliksemde in de verte; de donkere wolkenmassa's breidden zich steeds

verder uit, hare omtrekken werden telkens minder scherp, en eindelijk

hingen de regenwolken als een grijs gordijn boven de bergen.

Vóór onweer en regen uit streek een frissche wind over 't water. Nu was

't de rechte tijd om te visschen. Enkele groote visschen hapten toe

en werden nu en dan gevangen, maar meestal schoten ze 't aas voorbij.

"Zij hebben nog den rechten zin niet om toe te bijten, daarom is het

zoo dikwijls mis," zeide Elias, terwijl hij bezig was een visch op

't droge te trekken.

Bij de eerste regendroppelen sprongen de visschen slag op slag naar

het aas; maar toen de bui terdege los brak en 't aanving te hagelen

en te stortregenen, was 't geheel voorbij.

"Morgen zullen we 't misschien beter treffen," zei de Hadelander.

"Wat dunkt je van 't weer," zei ik na eenige oogenblikken. "Boven de

bergen klaart het op."

"Als de lucht daar helder wordt, komt er nog meer regen; maar 't kan

wel een' enkelen dag droog blijven," antwoordde de Hadelander. "Luister

maar, die kerel ziet ook naar regen uit," voegde hij er bij, toen

in de verte een akelig geschreeuw weerklonk, juist of iemand in

doodsgevaar om hulp riep.

"Is dat de nikker?" vroeg ik.

"In Jezus naam, zeg dat niet,--'t was de watervogel." [1]

Wij gaven 't visschen voorloopig op en besloten vuur aan te leggen,

want we waren doornat. De oudjes zochten takken en twijgen bij een,

ik verschafte vuur, en spoedig vlamde op den top des heuvels een vuur,

dat, geholpen door mijne teerkost, niet naliet zijn' opwekkenden

invloed op mijne genooten te openbaren door een levendig gesprek over

de visscherij, de gewoonten der forellen in Nordmarken en der visschen

in de rivieren van Hadeland. Elias weidde met voorliefde uit over de

vischtochten, die hij in zijne jonge jaren in Nordmarken had gemaakt,

als hij van eene reis tehuis was gekomen.

"Toen kon men hier nog eens visch vangen," zeide hij, terwijl hij

zijn kort pijpje aanstak, "maar 't gaf ook niet zoo'n gesukkel met

't water, en 't was niet gevaarlijk, al raakten er 's nachts een paar

balken uit den dam, zoodat de visch in de rivier kon komen. Ja, ja,

bij den dam was 't in dien tijd eene beste plaats om te visschen, want

hij stond toen voorbij de twee bergen en de diepe geul, waar ge weet,

dat hij nu staat. Ik ving daar op één' nacht acht pond, en daar was er

geen onder, die minder dan drie marken woog. Maar nu weten de visschen

niet meer hoe ze 't hebben; nooit kunnen zij vrij hun gang gaan."

"'t Moet vast prettig geweest zijn hier te visschen in dien tijd,"

zeide ik, "maar 't gebeurde toch ook weleens, dat gij slib vingt?"

"Maar zelden, dat ik niets ving; iets kreeg ik altijd," antwoordde

hij. "'t Is waar, éénmaal was ik bijna platzak thuis gekomen, maar toch

liep 't nog goed af. Dit ging zoo verwonderlijk toe, dat ik er nooit

iets van heb begrepen. Zóó ben ik nooit weer uit visschen geweest."

"Wat gebeurde er dan?" vroeg ik.

"Vertel ons dat, Elias," zei de Hadelander; "je kunt voor 't oogenblik

niets beters doen."

"Dat geloof ik ook," zei Elias.

"'t Was in 1806. Ik lag destijds in Christiania, maar de orders

waren zoo streng, dat geen matroos langer dan één' dag verlof kon

krijgen en niet verder mocht gaan dan eene halve mijl van de stad,

of hij moest het kapitein Larsen melden. Ik zette mij in 't hoofd

in Nordmarken te gaan visschen, ik meldde mij aan en sneed uit met

wat teerkost in den eenen en eene flesch brandewijn in den anderen

zak. 't Ging slecht. In de Björnsjö-rivier kreeg ik geen enkele maal

tuk. Toen ik bij den dam kwam, lag daar eene boot; ik roeide er mee

naar Smalström, maar ook daar was geen enkele visch te zien. Zoo toog

'k noordwaarts naar de Hakklo.

"Onderweg ontmoette ik Per Piber, een van de beste visschers hier

destijds. "Je hoeft niet verder te gaan, Elias," zei hij, "ik

ben noordop naar de Katnose geweest, maar heb haast geen graatje

gevangen. Kijk maar hier," zei hij en haalde zijn' korf voor den

dag. Daar zullen misschien een dozijn kleine dingen in geweest zijn,

zoo lang als mijn vinger.

"Kom ik over den hond, zoo kom ik over den staart, beste Per," hernam

ik en schonk hem een paar borrels. Ja, God beware me, ik nam er zelf

ook een. "'t Mocht gebeuren, dat ze bij mij toehapten, al deden ze

't niet bij jou," voegde ik er bij.

"Zeker," zei Piber. "Zoo scheidden wij.

"Dadelijk zocht ik de diepste plaats in de Katnose op, want krijgt

men daar geen tuk, dan krijgt men 't nergens. Neen, 't wou niet

lukken. Ik maakte mij daarom een nachtleger gereed, nam nog eene

teug uit de veldflesch om mij te verwarmen, en sliep een gat in den

dag. Nog eens beproefde ik 't in de Katnose, doch daar was geen visch

te zien en ik moest onverrichter zake terugkeeren. Maar toen ik bij

't wagenhuis op Sandungen kwam, zag ik daar een meertje, dat men

't wagenhuismeertje noemde. Ik had altijd hooren vertellen, dat

men daar nooit iets ving, schoon er visschen zwommen, zoo dik als

balken. Maar 't was een Huldermeertje en niemand dorst er in die dagen

visschen. "Je kunt 't probeeren, Elias," dacht ik, "misschien zal de

Huldervisch toebijten, als de andere niet thuis zijn." Ik liep over

den lossen veengrond heen, en wierp mijn aas uit bij de kleine beek,

die naar Sandungen stroomt en wier water, wanneer de dam afgesloten

is, zich onder den lossen bodem door in 't meertje stort. Op eens

beet een visch toe en schoot onder den drijvenden grond; hij leek

zoo zwaar als een gebakerd wicht, en ik merkte wel, dat 't geen forel

was. Toen ik hem boven bracht, bleek 't een baars van acht marken. Een

weinig verder op zag ik eene menigte rimpels in 't water. Daar wierp

ik uit. Nauwelijks was 't aas in het water, of een visch beet aan;

maar dat gaf een gespartel en geplas van belang, en ik had heel wat te

doen, voor ik hem boven kreeg. 't Was dan ook eene forel van tusschen

de zeven en acht marken, van de kostelijke soort, die men alleen bij

Sandungen vindt, vet en breed, met een kleinen kop en zoo geel als

was, maar over den rug donkerder dan de visch, die men er gewoonlijk

vangt. Ik bleef daar natuurlijk en haalde den een na den ander op,

van vier, vijf, zes marken en zwaarder. Maar terwijl ik bij toeval

eens omkijk, daar liggen achter mij twee prachtige visschen en een

derde er dwars overheen. Ik wist niet, wat ik daarvan moest denken:

of een visscher ze er had neergelegd of hoe ze er gekomen waren;

ik zag toch niemand. Een eind verder, waar ik weer beweging in

't water bespeurde, wierp ik op nieuw uit. De visschen beten toe,

en spoedig had ik wel twee pond gevangen. Maar terwijl ik omzie,

liggen daar alweer vijf groote, prachtige visschen achter mij. Ja,

ik begreep wel volstrekt niet waar ze vandaan kwamen, maar ik nam

ze toch op en legde ze in de vischben bij de drie, die ik eerst had

gevonden. Doch daar verhief zich eensklaps zulk een hevige storm en

't kletterde en kraakte zoo vreeselijk, dat ik niet anders dacht, of

't heele bosch zou zoo aanstonds op mij neerstorten. "Neen, 't is hier

niet richtig," dacht ik, "ik zal veiliger plek moeten opzoeken," en zoo

nam ik de acht visschen en legde ze op een' boomstam naast elkander,

opdat de eigenaar ze kon wegnemen, of een vogel of ander dier ze

kon opeten. Ik ging naar Sandungen, dat weinige schreden verder

lag. Maar eer ik hier kwam, was er geen wind meer te bespeuren, en

't spiegelgladde watervlak weerkaatste bergen en wolken. Toen begreep

ik, dat er een Hulder buiten was geweest."

Aan deze vertelling knoopte nu de Hadelander verschillende verhalen

vast over Huldervijvers en wateren met dubbelen bodem, waarin de

visschen den Huldren behooren en alleen op St. Jan boven mogen

komen,--maar op eens brak hij zijne vertelling af met den uitroep:

"In Jezus' naam, wat is dat voor licht daar ginds? Dat ziet blauw!"

Elias meende, dat het niet ver van den Smalström was. Mij scheen

't licht meer rood dan blauw, en ik vermoedde, zooals later ook

bleek, dat een paar visschers zich daar hadden gelegerd en een vuur

aangelegd. 't Gesprek kwam naar aanleiding hiervan op schatten en

schatgravers en 't blauwe licht, dat boven verborgen schatten gezien

wordt. Elias vertelde, dat zijn grootvader of overgrootvader--ik

herinner mij niet meer, wie van deze twee geloofwaardige personen

't was, maar ik geloof de eerste--een' zilverader had gezien op den

bodem van een' helderen vloed, zoo dik als een boomstam, en hieruit

ontsponnen zich verschillende vertellingen, die ik zoo goed mogelijk

wil trachten weer te geven.

Zijn grootvader dan, vertelde Elias, bracht hout van Nordmarken

naar 't Sörkedal. 't Liep reeds naar den zomer, zoodat sneeuw en

ijzel verdwenen waren. Hij had zijn dochtertje bij zich. Toen zij

tusschen Vindern-Saeter en Blankvandsveld gekomen waren, gleed 't

kind uit. "Kijk, vader, daar ligt nog ijzel," zei ze. Hij keek waar

ze uitgegleden was, maar bemerkte aanstonds, dat 't zilver en geen

ijzel was. Hij hieuw er met de bijl in.

"Ja, je hebt gelijk, kind; 't is zonderling, dat de ijzel 't zoo

lang kan uithouden," zeide hij en deed of hij niets merkte. Van dit

oogenblik af reed hij dikwijls naar de stad en bracht dan telkens

veel geld mee.

Maar als hij daarheen ging, koos hij noch 't pad voorbij

Maridalshammer, noch door 't Sörkedal; hij ging zijn' eigen weg,

dwars door bosch en veld en over de bergen heen. Eens was hij weer

in de stad en had een beetje te veel gedronken;--'t was in de oude

hoeve van Ramstad bij Graensen--daar zat hij op te snijden!

"Als ik maar wou, kon ik mijne paarden wel met zilver beslaan,"

zei hij.

Daar zaten veel luiden en sommigen schreven die woorden op. Maar vóór

bestevaar thuis kwam, was hij dood en sedert dien tijd heeft niemand

een spoor van zilver gezien, schoon men in 't omliggende veld druk

ging spitten en graven.

"Ik heb hooren zeggen, dat die kerel zijn leven lang naar schatten

heeft gezocht," merkte de Hadelander aan, terwijl hij een' drogen

tak op 't vuur legde.

"Gij zoudt zeker meer van hem kunnen vertellen, als gij wildet,"

voegde ik er bij.

"Niemand gelooft meer aan die dingen in onze dagen," antwoordde Elias;

"maar ik kan nog wel wat vertellen.

"Toen mijn grootvader nog een knaap was, ging hij met nog iemand op

't veld aan 't spitten; wellicht hadden ze een blauw licht gezien;

misschien ook wisten ze, dat daar geld lag. Twee donderdagnachten waren

ze bezig, en in dien tijd zagen ze zooveel monsters en ondieren, als

ze nooit hadden vermoed dat er bestonden: beren en andere wilde beesten

en ossen met groote horens en allerlei vreeselijke schepsels. De angst

maakte zich van hen meester en elk oogenblik stonden ze op 't punt het

hazenpad te kiezen; toch bleven zij en hielden zich doodstil. Zoo

kwam de avond van den derden donderdag; toen werd het nog veel

erger. Maar zij groeven en spraken geen woord, en niet lang duurde

het, of zij stieten op een' koperen ketel. Op 't zelfde oogenblik kwam

er, snel als de wind, een wagen voorbijrijden met zes zwarte paarden

bespannen. Een eind achter den wagen aan voer een oud wijf in een'

trog; haar mond ging op en neer als een ratel. "Ik neem ze toch mee,

ik neem ze toch mee, ik neem ze toch mee!" riep ze onophoudelijk en

reed voort. "Ja, naar de hel neem-je ze meê," zei grootvader, maar

op eens was 't wijf verdwenen en de ketel met geld weggezonken.

"Een andermaal zal ik zwijgen," dacht grootvader, en 't duurde niet

lang, of hij was al weer bezig. Ditmaal was er een oud wijf, dat

een' grooten koperen ketel vol geld had gezien, terwijl zij over

't veld ging bij Greffen in 't kerspel van Akers. Drie dagen vóór

Sint Jan ligt het geld bloot, moet ge weten, maar hij dorst er niet

aankomen, omdat eene groote slang zich boven in den ketel heen en weer

kronkelde. Nu waren er twee kerels uit Christiania: de een was een

winkelier, die in goeden doen zat; de ander was onderofficier; dezen

sloegen met grootvader de handen ineen om den ketel op te graven. Zij

aan 't spitten,--drie donderdagavonden achtereen; den derden avond

stieten ze op de hengsels, dat zij 't geld konden hooren rammelen;

zij hoopten 't dus spoedig meester te zullen worden. Maar luister nu,

wat wonderlijks er gebeurde! Op eens scheen 't den winkelier, dat zijn

huis in de stad in lichterlaaie vlam stond, en schoon 't zoo'n eind

ver was--ge weet, 't is eene halve mijl van Greffen af--verbeeldde hij

zich duidelijk te zien, dat zijne vrouw midden in de vlammen stond met

een kind in de armen. "Nu wordt 't voor mij tijd om te vertrekken,"

zeide hij, wierp zijne spade neer en wilde heensnellen; maar op eens

was de vlam verdwenen en met haar 't geld; de ketel was weggezonken.

"Maar, zooals ik zei, 't was een kerel, mijn grootvader, voor geen

klein geruchtje vervaard! Ten slotte ging hij op zekeren donderdagavond

geheel alleen naar eene plek, waar hij wist dat geld verborgen lag. Hij

groef den ganschen avond en den volgenden donderdag ook; niemand dorst

hem ergens naar vragen, zoo ontzettend barsch keek hij elkeen aan. Maar

den derden donderdag, te middernacht, schoot er een razende stier

uit de groeve, met lange horens, waarmee 't dier hem scheen te willen

doorboren. Hij greep den stier bij de horens, en zóó bleef hij staan,

tot de zon onderging. Toen was de stier in een' grooten ketel vol geld

veranderd, en de horens, die hij in de hand hield, waren de hengsels."

"Ik hoor niet graag zoo'n vertelling," zei de Hadelander, "vooral

in dezen tijd niet, nu een goed christenmensch zooveel moeite heeft

een' enkelen schelling te verdienen. Want dit geloof ik vast: wie nog

aan zijn' catechismus en onzen Lieven Heer gelooft, zal nimmer een'

schat vinden."

"Naar 't geen ge van uw grootvader hebt verteld, Elias, zou men niet

vermoeden, dat ge elke week naar stad behoefdet te gaan om visch te

verkoopen," merkte ik op.

"Wat dat betreft," antwoordde Elias, "God moge mij zoo zeker genadig

zijn, als mijn vader niets anders ten erf kreeg dan armoê: 't zij,

dat mijn grootvader alles had doorgebracht wat hij had gevonden, 't

zij, dat hem alles weer was ontnomen door degenen, die 't hem hadden

gegeven. En mijne heele erfenis bestond uit eene linnen buis en een'

houten lepel."

"'t Is zooals ik zeg," zei de Hadelander, "daar is geen zegen bij

zulk geld; 't vliegt even snel heen als 't water in den val."

Intusschen scheen de slaap zijne rechten te willen doen gelden en

het gesprek begon nu en dan te haperen. Maar in den toestand, waarin

wij verkeerden: droog aan de zijde, die naar 't vuur was gekeerd,

en doornat aan de andere, achtte ik 't minder raadzaam mij aan den

slaap over te geven, waaruit wij stellig klappertandend van koude

en met verstijfde leden zouden ontwaken. Ik schonk daarom mijn'

gezellen nog een borrel, stak mijn pijpje aan en noodigde hen uit,

den slaap te verdrijven door nog 't een of ander te vertellen. Elias

gaf daarop verscheiden histories ten beste. Hij verhaalde, hoe

een nikker in den ouden tijd op Sandungen had gewoond;--men kon

nog de bloedvlekken in den stal zien, nadat hij op zekeren nacht

den schimmel van Paul Sandungen had gedood;--hoe de oude Jo Hakklo

een dienstmeisje had gehad, dat ook bij de Huldren in dienst was;

hoe Lukas Finne, die op Fortjernbraaten woonde, de kunst verstond om

zijn vee voor alle aanvallen van booze geesten te bewaren, zoodat er

nooit een enkel stuk gedood of geroofd werd--en nog veel meer dingen,

die in Nordmarken waren geschied.

Eindelijk begon ook de Hadelander te verhalen van 't geen zijn'

verwanten en vrienden gebeurd was. Daar was een eigenaardig pathos in

zijne manier van vertellen, die 't vergeefs zou zijn hier te willen

weergeven. Het stellig geloof aan 't bestaan der natuurmachten

waarvan hij verhaalde, zette zijn' vertellingen eene bijzondere

aantrekkelijkheid bij, die nog vergroot werd, zoowel door den diepen

bastoon zijner stem als door zijne sleepende maar geregelde voordracht.

"In den tijd, toen onze soldaten in Holstein lagen,"--zoo begon

hij--"die tijd heugt je nog wel, Elias? was mijn oom, die op

Ringerike woonde, met eenige anderen in 't bosch. Zij waren ten

zuiden van den weg bij de berghutten bezig met hout te vellen voor

de kolenbranders. 's Avonds bereidden zij zich een nachtleger op

eene beschutte plek aan de berghelling. Maar nauwelijks zijn ze daar

ingeslapen, of zij hooren 't gekrijt van een wicht. Mijn oom keek op,

en op eene bergspits tegenover hen zat eene Hulder met een schreiend

kind; de moeder zong 't allerlei liedjes voor en trachtte het zoo

goed mogelijk tot bedaren te brengen.

"Waarom zit gij daar?" vroeg mijn oom.

"Ach, mijn man is weg," antwoordde zij, "en nu meende ik niet beter te

kunnen doen, dan hierheen te komen en mijne toevlucht tot u te nemen."

"Waar is uw man dan?" vroeg de ander.

"Hij is ten oorlog getrokken met de andere soldaten," antwoordde

de Hulder.

Maar 't kind begon al heftiger te schreien en kreet en schreeuwde en

gilde, dat 't onmogelijk was een oog toe te doen. Dat leek mijn oom al

te gek, hij werd boos, stoof op, nam het eene stuk brandhout na het

ander en slingerde het naar de Hulder met haar kind. Toen verdween

ze, maar op alle toppen en hoogten hoorde men een akelig gegil en

gelach, en eene stem weerklonk: "Dat was nu de hulp, die de menschen

u schonken, Gyri Haugen!"

"Maar nu zal ik u wat vertellen, dat een' mijner kennissen op Ringerike

gebeurde," zei de Hadelander.

"Hij was molenaar te Vial en heette Peter Pauwelsen; later werd

hij meesterknecht op den molen in Vasdraget Vaela, aan 't eind van

't Aadal.

Vaak zwierf hij rond in 't gebergte om te visschen, en zoo bevond

hij zich op zekeren avond bij 't Buttenmeertje aan den voet van

den Hofsæterberg tusschen 't bosch van Marigaard en Bergermoen. Daar

maakte hij zich eene legerstee, legde zich neder en sliep den ganschen

nacht. Anderhalf jaar later was hij daar weer om te visschen. 's Nachts

kwam er een vrouwelijk wezen tot hem met een klein kind op den arm.

"Daar hebt ge uw kind, Peter," zeide zij.

"Mijn kind? Dat zou wat moois worden! Hoe zou ik aan dat kind

komen?" vroeg Peter Pauwelsen.

"U heugt toch nog wel de vorige maal, toen ge hier waart, anderhalf

jaar geleden?" zeide de Hulder.

Hij vertelde echter aan niemand iets hiervan, maar jaren daarna--hij

placht 's zomers altijd in 't gebergte te visschen en altijd liep

dezelfde Hulder hem na--verhaalde hij aan menigeen, dat hij eene

dochter had onder de Huldren, die al zoo oud was als de kinderen,

die hun' catechismus leeren. Mij heeft hij 't nooit verteld, schoon

ik hem heel goed heb gekend; maar ik heb 't gehoord van iemand,

wien hij 't zelf had gezegd. Eens was de Hulder weer bij hem gekomen

en had hem gevraagd, of hij zijne dochter wilde zien. Toen had zij

eene deur in den berg geopend, en daar binnen was alles van zilver,

wat men zag. Ja, nu en dan nam Peter Pauwelsen anderen met zich naar

't gebergte en dan zagen zij de beide Huldren aan den overkant van

't Buttenmeertje bezig met visschen. En in dit meer ving Peter ook de

meeste visch, terwijl niemand anders er zoo gelukkig was. Maar eens,

terwijl hij zich daar weer bevond, hoorde hij eene stem: "Gij kunt

wel naar huis gaan, Peter; wij hebben zelf de visch noodig, want

er is gebrek in den berg." Op zekeren dag ging een man, Halvor van

Marigaard, met hem mede. Peter had hem beloofd, dat hij de Hulder zou

zien. Toen Halvor haar echter met hare kudde hoorde naderen, werd hij

zoo bevreesd, dat hij hard wilde wegloopen. Maar Peter verzocht hem te

blijven en zich stil te houden; dan zou hem niets deren. En toen zagen

zij ook werkelijk hoe de Hulder haar vee voor zich uitdreef. Zij zagen

't duidelijk, alle twee!

Elias luisterde niet meer naar die verhalen; hij sliep als eene roos

op de harde rots en snorkte, dat het door 't bosch weerklonk.

"Hij slaapt al," zei de Hadelander; "maar nu zal ik u eene historie

vertellen, die me al heel wonderbaar lijkt. We kunnen intusschen

wel wat gemakkelijker gaan liggen, anders zijn we tegen den morgen

heelemaal verstijfd.

"Er was eens een boer, die in Thelemarken woonde, waar mijn vader

vandaan kwam en eene groote hoeve bezat. Maar die man was heel

ongelukkig met zijn vee, telkens verloor hij beesten aan allerlei

ziekten en kwalen en eindelijk moest hij huis en hof verkoopen. Slechts

weinig hield hij over, en daarvoor kocht hij eene kleine plaats, in een

afgelegen oord, ver van de stad, bij dichte bosschen en woestenijen. Op

zekeren dag toen hij zijn erf rondging, ontmoette hij een' man.

"Goeden dag, buur," zei de man.

"Goeden dag," zeide de boer, "zijt gij mijn gebuur? Ik meende, dat

ik hier alleen woonde."

"Daar ginds ziet ge mijne hoeve," zeide de man, "die is niet zoo ver

van de uwe." En zie, daar lag ook werkelijk eene hoeve, die hij nooit

te voren had opgemerkt, groot en fraai en nieuw gebouwd. Toen begreep

onze man, dat hij met een' aardgeest te doen had, maar 't vervaardde

hem niet, hij verzocht den buurman binnen te komen en eene kroes bier

met hem te drinken, en deze liet zich 't brouwsel wel smaken.

"Hoor eens," sprak de buurman, "in één ding moest gij mijn' zin doen."

"Laat mij eerst hooren, wat gij wenscht," zei de boer.

"Gij moet uw' koestal afbreken, want die staat mij in den weg,"

antwoordde de buurman.

"Neen, dat doe ik niet," zei de boer. "Ik heb hem dezen zomer pas

gebouwd en nu komt de winter aan. Waar moest ik dan mijn vee bergen?"

"Ja, doe wat ge wilt, maar breekt gij den stal niet af, dan vrees ik,

dat 't u nog eens zal rouwen," zeide de buurman. En met ging hij heen.

Onze man zag hem verbaasd na en wist niet, wat hij zou doen. Een'

nieuwen stal tegen 't begin van den winter af te breken, leek hem al

te dwaas, en waar zou hij hulp vandaan krijgen?

Een dag of wat later stond hij in den koestal en--daar zonk hij op eens

door den vloer in de diepte. Op de plaats, waar hij terecht kwam, zag

't er wondermooi uit. Alles was van goud en zilver. Eensklaps stond

de man, die zich zijn' buurman had genoemd, vóór hem en verzocht hem

te gaan zitten. Weldra werden er spijzen in zilveren vaten en bier

in zilveren kroezen binnen gebracht en de boer werd uitgenoodigd

toe te tasten. Hij dorst natuurlijk niet weigeren en zette zich aan

tafel, maar op 't zelfde oogenblik, dat hij den lepel in den schotel

wou steken, viel er iets van boven neer in de spijs, dat hem allen

eetlust benam.

"Ja," zeide de Hulderman, "nu kunt gij eens zien, hoe vriendelijk

uwe koeien voor ons zijn. Nooit kunnen wij rustig eten, want telkens

als we aan tafel zitten, komt er ontuig van boven, en als we dan niet

heelemaal uitgehongerd zijn, is onze eetlust voor goed verdwenen. Maar

wilt ge mij nu gehoorzamen en uw' stal naar eene andere plek brengen,

dan zal 't u nooit aan iets ontbreken. Weigert gij echter, dan zult

ge, uw leven lang, niets ondervinden dan ramp en onspoed."

Toen de boer dit gehoord had, was hij spoedig bezig met den stal omver

te halen en hem op eene andere plaats weer op te bouwen. Maar hij

behoefde dit niet alleen te doen, want des nachts, als alles sliep,

werd er even druk getimmerd als des daags, en hij begreep zeer goed,

dat niemand anders dan zijn buurman hem zoo goed bijstond. Ook later

rouwde 't hem volstrekt niet, dat hij den Hulder had gehoorzaamd;

want altijd had hij voeder en koren in overvloed en zijn vee gedijde

uitstekend. Eens--'t was toen een zeer onvruchtbaar jaar--had hij zoo

weinig voeder, dat hij er ernstig aan dacht, de helft van zijn vee

te verkoopen of te slachten. Maar op zekeren morgen, toen de meid in

den stal kwam, was de hond verdwenen en alle koeien en al 't jonge

vee met hem. Gij kunt denken, hoe zij schrok en hoe snel ze naar

haar meester liep om het te vertellen. Doch deze vermoedde dadelijk,

dat zijn buurman 't vee in den kost had genomen. En zoo was 't ook,

want toen 't voorjaar aankwam en 't weer groen werd in 't bosch,

hoorde men op zekeren morgen den hond vroolijk blaffende van den

boschkant naderen, en achter hem aan kwam al 't vee, oud en jong, en

't was een lust op te merken, hoe flink 't er uitzag."

Bij 't schijnsel van 't vuur legden we ons ter ruste en genoten

een paar uur lang een' verkwikkenden slaap op de naakte rots. Toen

de dageraad over de bergen aanbrak, voeren we reeds rond op 't

meer. Want de Hadelander, die de onzekere kans op eene voordeelige

vangst had opgegeven, om mij behulpzaam te zijn en korf en vischtuig

voor mij te dragen, had den ouden Christiaan Hakklo met zijne boot

gehaald. Wij roeiden over 't Björnmeer en ik vischte in den Smalström

en de Hakklo. 't Weer was ons gunstig, want zonneschijn en regen

wisselden elkander af. Eerst laat in den avond kwam ik in de stad

terug met de vischkorf vol forellen en 't hoofd vol histories.

Noorsche Volksvertellingen · 第 6 / 22 题