Wij hadden een bezoek afgelegd op Bjerke-hoeve. De landheer en
grootmama roeiden zondags avonds weer naar huis, maar juffer Marie
en de jongens hadden zoolang gevleid en gebedeld, tot zij verlof
kregen den maandagmorgen aftewachten en over de bergen naar huis te
keeren om "van 't vergezicht te genieten," zoo als 't heette; en ik,
de huisonderwijzer, had mijne goede redenen om bij hen te blijven. De
maandag morgen kwam; veel spoediger dan ons lief was. Verzeld van onze
gastvrouw, de waardige moeder Bjerke en haar' zoon, wandelden wij
door de bladerrijke boschjes, die tot de hoeve behoorden en in wier
berkentoppen de kwikstaartjes en goudvinken hun' snellen welluidenden
slag deden hooren. De vliegenvangers drentelden rond op de takken
en bleven niet achter in 't groot concert, terwijl de tuinkoning,
bescheiden in 't loof verborgen, zijne teedere tonen uit de dichte,
donkere toppen overal heen zond. De ochtend was zoo stil en kalm; de
berkeblaren bewogen zich nauwelijks, en toen wij 't pad tusschen de
velden betraden, zagen wij, telkens als er een zonnestraal viel op het
groen, hoe de paarlen van den morgendauw fonkelden op de klaverplantjes
en de bladeren van den Mariadistel. De zwaluwen scheerden langs den
grond; de distelvink zat wiegelend op een' heester of kweelde op
den akker. Daar verrukte ons het lied van den leeuwerik, hoog in de
blauwe lucht, die van alle kanten bezaaid was met lichte zomerwolkjes,
welke ons beschermden tegen de brandende zon.
Toen wij aan gene zijde van den straatweg waren gekomen, deed zich
een ander tooneel aan ons voor. 't Ging nu bergop; sparren en dennen
welfden hunne koele bogen over ons heen. Nog klonken de trillers van
den leeuwerik ons in 't oor; maar de tonen, die hier vernomen werden,
waren slechts het schel gefluit der mees en 't regenvoorspellend
geschreeuw van den Geertruidsvogel. Moede van 't klimmen rustten
wij een ommezien uit op de vlakke, met mos bedekte klippen bij 't
marschland der pastorie, dronken eene afscheidsteug met onze vrienden
en verkwikten ons aan 't gezicht der blanke vlakte van 't Oiermeer,
dat wij tusschen de toppen der sparren zagen schemeren.
De jongens waren al spoedig op 't moerasveld om braambeziën te zoeken
en jubelden, telkens als zij een roodachtig plekje zagen. De juffer
en ik volgden hen. Omkranst met sparren- en dennenhout strekte 't
moeras zich een kwartmijl ver naar 't westen uit; de eentonigheid
der groote vlakte werd slechts afgebroken door enkele groepen ranke
biezen of hoopjes lichtgroene kalmus. Hier en daar verhief zich een
heuvel, en op den top daarvan zag men soms nog eene geel geworden
hut, die herinnerde aan 't vogelspel in 't voorjaar. Naar 't noorden,
waarheen de weg ons voerde, hadden wij niet meer dan duizend schreden
af te leggen. Aan den zoom der vlakte stond het bloeiende heidekruid,
maar ginder wenkten ons de prachtige gouden bekers der moslelie,
de gebaarde bloem der bitterklaver en de sierlijke kalla.
Getooid met wuivende rietpluimen, braambeziënbloemen en fijn gras,
prijkte 't mostapijt met duizend schakeeringen en rees en daalde onder
onze voeten, of 't op de golven der zee rustte. Ook wij dwaalden een
oogenblik van den rechten weg af om braambeziën te plukken. Toen wij
terugkeerden naar den top van een' der met sparren bewassen heuvels,
zwaaide 't kolfriet zijne groote golvende stengels boven onze hoofden
heen en weer; een snijdende wind blies ons in 't gelaat, en vlak boven
ons stonden donkere wolkenmassaas met oneffen randen. Er dreigde eene
regenbui; reeds voelden wij enkele droppels. Ik troostte mijne gezellin
met de schuilplaats, die wij in 't oude wachthuisje zouden vinden,
een overblijfsel uit den oorlogstijd, dat nauw een paar boogscheuten
van ons verwijderd was. Toen wij den zoom der marschvlakte naderden,
stortregende het, maar nu was 't bezwaar gering; wij voelden vasten
grond onder onze voeten, het bosch beschutte ons en binnen een paar
minuten zouden wij den heuvel hebben beklommen en in 't wachthuisje
zijn. Maar 't bleek spoedig, dat we daar alles behalve veilig waren
voor den regen. Het dak was ingestort; slechts een klein deel er van in
den eenen hoek was overgebleven, zoodat we de vogelen des hemels boven
ons konden zien vliegen. Doch in dit hoekje, onder dit stuk van het
dak had een menschlievende jager of houthakker, tusschen de stijlen,
van een paar planken eene bank gemaakt, maar even groot genoeg voor
twee personen. Hier moesten we ons dus nederzetten, en nooit, docht
me, had ik heerlijker zitplaats gevonden. De jongens klauterden met
levensgevaar boven op de overblijfselen van den ouden schoorsteen in
den anderen hoek, en stonden daar onder den grauwen hemel zoo lang
te kibbelen, of zij negen of elf kerken zagen, tot ze eindelijk door
den regen zelfs de naaste boomen niet meer konden zien.
Men zou kunnen vermoeden, dat ons bijeenzijn in den hoek wederzijdsche
vertrouwelijkheid en openhartigheid moest aanbrengen. Doch dit was niet
't geval; ik zat stilzwijgend te staren op de vlakte van 't Oiermeer,
dat zich door de deuropening vertoonde, als in een' doffen sluier
gehuld; ik keek naar de knapen op den bouwval van den schoorsteen
en naar mijne eigen beenen. Wanneer ik 't een oogenblik waagde een'
zijdelingschen blik te slaan op mijne schoone gezellin, was 't om dien
weer met dubbele snelheid af te wenden. Mijn toestand was deerniswaard
en komiek tegelijk, die van een verliefden huisonderwijzer. Wij
zaten daar als een paar hoenders op den stok. Grijp de gelegenheid
aan! fluisterde ik mijzelven toe. Terwijl ik over 't moerasland liep,
had ik in stilte weer de toespraak herhaald, die ik reeds bij een
dozijn soortgelijke gelegenheden had denken te houden. Hoe zij luidde,
herinner ik mij niet meer, maar dit weet ik, dat ze mij altijd in
de keel bleef steken, als ik wilde beginnen. Nu was 't gewichtige
oogenblik weer daar. De jongens waren naar beneden geklommen en
tuimelden rond in de bessenstruiken. Ik achtte het noodzakelijk mijne
verklaring te beginnen met een stout stuk, en werkelijk waagde ik
't den arm om haar middel te slaan; maar spoedig bleek 't, dat de
juffer veel dapperder was dan ik. Zij sprong op en stond met een
dreigend gebaar en toch glimlachend voor mij.
"Wat wilt ge van mij? Lieve hemel, weet gij wel wat ge waagt?" sprak
zij. "Gij kent immers mijne afkomst? Gij weet toch, dat ik van de
Huldren afstam en dat er heksenbloed door mijne aderen stroomt?"
"Beste juffer," zei ik, terwijl ik inmiddels een weinig tot bezinning
was gekomen, "ik begrijp u niet,... ik wist niets," voegde ik er bij
om toch iets te zeggen, "van zulk eene verdachte afkomst."
"Nu, 't is wel vreemd, dat mama, die u zooveel sprookjes en histories
heeft verteld, u daarvan nooit iets heeft gezegd. Mijne grootmoeder
of overgrootmoeder was eene echte Hulder. Luister slechts; maar
als ge niet wilt dat ik doornat zal worden, moet ge mij toestaan
vredig op de bank naast u te zitten.--Nu dan, mijne overgrootouders
of bet-overgrootouders--dat weet ik niet recht--hadden op zekeren
zomer de berghut betrokken. Zij hadden een' zoon, en deze was bij
hen. Toen 't najaar kwam en zij de berghut moesten verlaten, zeide de
jongeling, dat hij wilde achterblijven, want hij had lust om te zien,
of 't waar was, dat de Huldren hun kwartier in de hutten opsloegen,
wanneer ze ledig stonden. Zijn' ouders beviel dit niet; zij zeiden,
dat hij niet aan de waarheid daarvan behoefde te twijfelen wanneer
zoovelen 't vertelden. De zoon hield echter vol en eindelijk gaven
ze hem hunne toestemming; zij lieten een' grooten schotel melkbrij
achter en vertrokken.
Juist toen de jongeling in gepeins zat verdiept, begon er leven te
komen op het erf rondom de hut. Hij hoorde bellen klinken, runderen
loeien, zwijnen knorren, en daar was een gepraat, een geroep, een
sturen en stellen, precies als wanneer men in 't voorjaar met 't vee
naar de hut komt. Allengs werd het stiller, en een oogenblik later
kwamen er twee vrouwen binnen. De jongste van haar was zóó schoon,
dat men haarsgelijke onmogelijk zou vinden. Zij gingen aan 't redderen
en ordenen en begonnen vervolgens melkpap te koken. Inmiddels hield
de jongeling zich of hij sliep. De Huldren sloegen in den beginne
geen acht op hem, maar op eens begon de jongste te schreien.
"Wel wat schort je, waarom schreit ge?" zei de andere.
"Ach, dien jongen daar vind ik zoo mooi, dat ik niet zonder hem kan
leven, en toch zal dat zoo moeten zijn," antwoordde de jongste.
"Stil maar, we zullen een praatje met hem maken," zeide de moeder om
haar te troosten. Zij gingen zitten eten, en nu deed de jongeling of
hij ontwaakte, en groette beiden. Zij noodigden hem uit met haar te
eten, maar hij bedankte en vroeg, of zij niet liever wilden eten van
zijne roompap.
Ja, dat wilden ze gaarne, want gij moet weten, van roompap houden de
Huldren 't allermeest. Zij aten nu te zamen en keuvelden over een en
ander, tot de moeder sprak:
"Jij bent een knappe jongen en mijne dochter heeft een goed oog op
je; als je wilt beloven met haar naar den predikant te gaan om haar
te laten doopen, dan kun-je haar krijgen. Maar goed moet je voor
haar wezen, dan zal een flinke bruidschat je niet ontgaan. Je zult
alles krijgen, wat je noodig hebt in de hoeve en voor je bedrijf,
ja, meer dan je behoeft."
Och ja, de jongeling meende, dat hij wel van haar zou kunnen houden,
en zulk een aanbod werd niet elken dag gedaan. Hij beloofde dus naar
den predikant te gaan om haar te laten doopen, en--goed voor haar zijn,
dat zou hij zeker. Zij trokken toen naar huis; de dochter werd gedoopt,
zij hielden bruiloft en leidden een gelukkig leven, naar men verhaalt.
Eens was hij wat bar tegen haar geweest en had tegen haar' zin
gehandeld; 's nachts daarop hoorde hij een verschrikkelijk leven en
geraas. Maar toen hij 's morgens in het voorhuis kwam, zag hij 't
heele erf vol van allerlei benoodigdheden voor 't boerenbedrijf en
de huishouding. Daar waren koeien en paarden, ploegen en hooisleden,
nappen en emmers en alle mogelijke zaken.
Toen de oogsttijd weer naderde en de kool groot werd en de vrouw
de slacht moest in orde brengen, had zij hakbord noch haktrog. Zij
verzocht daarom haar' man de bijl te nemen en den berg op te gaan
om den grooten den te vellen, die op den weg naar de berghut stond;
daarvan moest hij haar een' haktrog maken.
"Ik zou haast denken, dat je zot waart, mensch," zei de man; "zou
ik den besten boom in 't bosch vellen, om er een' haktrog van te
maken? En hoe zou ik dien thuis krijgen in dezen tijd; de stam is
zoo zwaar, dat geen paard in staat is hem voort te sleepen."
Toch bleef zij aanhouden; maar toen de man stellig bleef weigeren,
nam zij de bijl, ging naar 't bosch, hieuw den denneboom om, nam
hem op den schouder en bracht hem naar huis. Toen haar man dat zag,
verschrok hij zóó, dat hij sedert haar nimmer dorst tegenspreken,
of iets anders doen dan zij wenschte, en van dien tijd af waren zij
de eensgezindheid zelf.
"Ziedaar de historie. Welk een sterk en lastig man mijn grootvader
was, hebt gij zeker vernomen; mijn' vader, den landheer, kent gij,"
zei ze half dreigend, half schertsend: "gij kunt u dus voorstellen,
wat u te wachten staat, wanneer ge mij ernstig boos maakt."
"Ge schijnt hier te willen blijven Marie," zeiden de knapen, die
zich met een' blauwzwarten mond in de deur vertoonden, elk met een'
verbazenden bessentak in de hand. "De regen heeft al lang opgehouden;
kom, laat ons nu gaan."
Wij stonden op; het rijke loof der mossen, welke de vochtige wanden
bedekten, glinsterde, door den regen verfrischt, in den helderen
zonneschijn. Buiten, in 't bosch, scheen eene nieuwe vreugd op
planten en vogels neergedaald. De kinderen van Linnaeus zonden ons
hun' welriekenden adem tegen en de sparren goten hunne geuren over
ons uit. Het bosch was vol van vogelenzang en gejubel; in elken
top zat een lijster mij uit te lachen over mijne verliefdheid, de
tuinkoninkjes zongen om strijd mee en verheugden zich in hun geluk;
slechts een eenzaam roodborstje zat klagend in 't dichtste loover.
Terwijl wij door 't bosch gaande de berghelling afdaalden, lag
Opper-Romerike vóór ons in den zonneschijn; boven de westelijke
heuveltoppen hing nog de regen als een grauwe sluier, maar naar
't noorden was de lucht helder als een spiegel. De Mistberg, de
lieveling dezer streek, hief zijn' ronden top als een azuren koepeldak
ten hemel; heuvels en bosschen, kerken en landhoeven vertoonden zich
aan onzen blik, en de jongens herkenden zelfs reeds den rooden stal
der ouderlijke woning.
't Ging nu met spoed naar beneden; Marie hield een' wedloop met
de jongens, ik kwam slenterend achteraan, staarde neerslachtig
op 't waterlooze landschap en stilde mijn' dorst met sappige
boschbessen. Weldra waren wij dicht bij de hoeve, maar toen wij
den tuin naderden, stak de middagzon zoo brandend heet, dat wij een
oogenblik de schaduw opzochten. Marie zette zich in 't gras neder onder
den ouden eik, en wij volgden haar voorbeeld. Daar golfde plotseling
een stroom van klanken boven onze hoofden. Verbaasd leende Marie het
oor en staarde naar de donkere bladerrijke kroon, alsof zich daarin
alle gevleugelde zangers des wouds hadden verborgen. Ik herkende die
tonen; zij kwamen van een' zeldzamen gast in deze streek: 't was de
goudleeuwerik die dit concert gaf. Hij was in den besten luim; zijn
toon was doordringend als die van den valk en zoet als de zang van
't sijsje. De trillers van den leeuwerik, 't wijsje van de musch,
het gekweel der zwaluw gaf hij ons beurtelings ten beste; hij kende
de tonen van den lijster zoo goed, als die van elken anderen zanger in
't loof. 't Was eene ware potpourri van vooglenliederen, nu jubelend,
dan treurig.
"Hoort ge dat?" riep Marie, terwijl zij opsprong en rondom den boom
danste, "in die tonen herken ik mijn' Huldrenaard; ik voel, dat ik
hier thuis behoor, evenals gij u te huis gevoelt in de stad en in de
boeken, bij tooneelvertooningen en draaiorgels."