"Grootje, we moeten naar den zolder," riep Bart, "zoo hoog komt het
vast niet." Meteen trok hij zijn kousen uit en stroopte zijn broeken
op. "Gauw Elsje op mijn rug." "Neen, neen, grootmoe nee!" kreet Elsje,
maar nu zei grootmoeder streng. "Elsje moet met Bart mee gaan en zoet
zijn." "Komt grootmoe dan ook?" vroeg ze nog en liet zich wegdragen,
door de kamer en de keuken naar het laddertje, dat naar den zolder
voerde. "Ik ben zoo bang," schreide Elsje, "ik durf niet op den
zolder." "Stil nou," zei Bart, "grootmoe komt ook. Wees nou zoet,
ga even zitten, ik kom zoo terug." Maar Elsje was bang, ze trapte
op den vloer en gilde van angst en wilde de ladder weer af met Bart
mee. "Ga je weg," zei Bart, "je blijft daar, hoor!" en hij duwde
haar weg en holde de ladder af, weer naar de kamer terug. "Grootmoe,
ga op mijn rug zitten, gauw, ik ben sterk. Kijk het water is al zoo
hoog. U zal verdrinken, toe dan," smeekte hij. "Nee jongen, het is te
zwaar, je zou omvallen en zelf omkomen, ga naar Elsje. God behoede je,
mijn jongen." Ze zoende Bart op beide wangen. De tranen sprongen in
zijn oogen.
"Het moet grootmoe, wat zouden vader en moeder zeggen? Gauw dan,
voor het te laat is." Hij pakte grootmoeders beenen en zij gaf zich
eindelijk gewonnen. "Mijn beste jongen," stamelde ze, "'t zal niet
gaan, het zal niet gaan." "Goed vasthouden, zoo, ja, vasthouden hoor,
daar gaat het." Grootmoeder zat op zijn rug, hij; wankelde even,
maar bleef toch staan, boog zich voorover en voorzichtig, voetje voor
voetje, ging hij naar de keuken met zijn lieven last. Grootmoeders
rokken bengelden in het water, werden drijfnat, daar kon hij niets
aan doen.
"Goeie jongen, mijn lieve jongen," mompelde grootje. "Gaat 't wel? het
is te zwaar." Bart kon niet antwoorden. Hij zag vuurrood, maar kwam
toch bij de ladder. Grootje pakte nu zelf de sporten beet en Bart
hield zich ook stevig vast.
"Grootmoe, grootmoe," stond Elsje te roepen en stak haar handjes al
uit, om ook te helpen. Daar was zij bij het luik. Nog een flinken
zet. Grootmoe was op den zolder, waar Elsje dadelijk haar armpjes om
grootmoeders hals sloeg.
"Wat ga je doen Bart, blijf hier!" riep grootmoe buiten adem van de
inspanning. Bart ging de ladder weer af. "Ik kan er nog door, ik haal
nog een paar dekens en kleeren, anders heeft u het te koud." "Och
jongen, je verdrinkt, kom terug."
"Neen, ik kom terug, dadelijk, ik ben nou toch nat," zei Bart en waadde
door de keuken naar de bedstee. Twee dekens en een kussen haalde hij er
uit en laadde het op zijn hoofd. Toen greep hij zijn jas en grootmoe's
Zondagsche japon. Allemaal op zijn hoofd, zoo ging hij terug. Het
water kwam nu over zijn middel. De blokken van zijn bouwdoos dreven
er op en grootmoeders stoel hobbelde heen en weer. "Bart! Bart dan
toch!" riepen grootmoeder en Elsje. "Ja, ik kom." Daar was hij weer
bij de ladder. Elsje pakte al wat aan en sleepte het naar boven.
"Niet weer--naar--beneden," hakkelde grootje, al bibberend van koude
en angst. "Doe dat natte goed uit." "Ja, ik heb mijn jas en hier is uw
japon." Bart deed zijn natte goed uit en trok de jas aan, toen hielp
hij grootmoeder en legde de natte kleeren in een hoek. Hij spreidde één
deken op den grond, legde het kussen er op en samen trokken de kinderen
grootmoe op de deken. Toen dekten ze haar met de andere deken toe.
"Kruip u er maar goed onder, dat u warm wordt."
"Jelui ook," klappertandde grootje en de kinderen kropen dicht tegen
haar aan onder de deken.
De wind bulderde maar door en beneden hoorde je het klotsen van
het water.
"Nou komt het water toch niet meer," zei Elsje, "neen hè?" "Wel nee,"
zei Bart, "zoo hoog niet. Wat zullen moeder en vader wel denken. Ik
zal wat uit het raam hangen, dan zien ze, dat we hier zijn. Zoo'n
handdoek, hè grootmoe," vroeg Bart.
De oude vrouw kon niet praten, ze knikte maar.
Bart trok een handdoek van de drooglijn. Er lag een stukje touw, dat
deed hij in de lus. Heel voorzichtig, maakte hij het openslaande raam
een eindje los en liet den handdoek naar buiten waaien, het touwtje
deed hij in den ring van het haakje. Toen gauw het raam weer dicht.
"Trek--zoo'n--paar--kousen aan," hakkelde grootmoe weer, "en zoo'n
broek, die zijn wel droog." Ja, ze waren droog. Gelukkig maar. Bart
trok den broek en kousen van de lijn aan en kroop weer bij grootmoe
onder de deken. Nu waren ze een poos stil.
"Ik heb honger," zei Bart. "Jongen," grootmoe aaide hem liefkoozend
over het hoofd. Als hij nu toch eens weggegaan was met Krijn en
Jaap. Dan zouden grootmoeder en Elsje zeker verdronken zijn. Hij
rilde er van.--"Komt vader nog niet," vroeg Elsje.
"Ja, vader komt straks. Hij komt ons vast halen."
"Ja, ja," knikte grootje, "vader komt ons halen."--