5. Voldoening.

Bart had geen rust. Hij ging weer eens naar het venster. Het regende

niet meer, maar je zag alleen water en hier en daar stak een punt

of een boom een eindje uit. Het was een troosteloos gezicht. Een

schuitje zag hij niet. Toen ging hij naar het luik. "Hier blijven,"

riep grootje.

"Ja, ik ga niet naar beneden, eventjes kijken." Nog één sport van de

ladder kwam er uit. Als het nu toch nog eens tot den zolder kwam. "Och

nee, dat mocht niet. Toe vader kom dan toch." Weer naar het venster. De

wind leek wel wat te bedaren. Wat was dat in de verte. Hoorde hij

klokken luiden. Ja, en dat daar, was 't een schuitje. "Ja, ja! grootje

daar komt vader! Ik zie een schuitje," juichte Bart. Hij gooide het

venster open en riep zoo hard hij kon: "Vader, vader!"

Ze konden hem nog niet hooren in het schuitje en hij kon niet zien,

of het vader was. Nu zag hij drie menschen. Eén stond overeind,

twee roeiden heel hard. Ja, het was vader! en moeder stond.

"Moeder! Vader!" gilde hij. Elsje stond nu naast hem en riep ook mee

en moeder stak de armen omhoog on riep: "Bartje, Elsje!" "Alle drie,"

riep Bart terug. "Grootje!" riep vader. "Ja, ook, grootje ook!"

"God zij dank," zei vader en liet de riemen los. Ze waren nu met het

bootje vlak voor het zoldervenster.

"Voorzichtig nou, wacht even," riep vader tegen moeder, die schreiend

naar boven greep en niet bemerkte, dat het bootje opzij ging. Toen

heesch vader zich tegen het raam omhoog en sprong naar binnen. Hij

drukte de kinderen in zijn armen, terwijl hij den zolder rond

keek. "Moeder," riep hij, "ik kom." Hier pak aan! vervolgde hij tot

den anderen man en reikte Elsje uit het raam aan, die dadelijk in

moeders armen vloog.

"Mijn schat, mijn engel," zei moeder. Bart klom zelf naar beneden en

werd ook opgevangen.

"Jongen, beste jongen," zei moeder en zoende hem.

"Kalm aan," zei de man "ga zitten, achteraan. De oude vrouw moet hier

in het midden." "Hier, doe om," zei moeder en pakte beide kinderen

in doeken, die ze bij zich had. Daar stond vader al met grootje in

de deken gewikkeld.

"Voorzichtig aan nu. Hou het schuitje wat tegen, vrouw Lubbe. Wacht,

eerst het touw daarom! Zoo! Ja, geef haar nu maar aan. Zitten blijven,

jongens! Wees maar niet bang, het gaat goed zoo." Eén schok, daar

zat grootje, tegen moeder aan op het middelste bankje. Vader gooide

de andere deken ook in het schuitje, sprong er toen zelf in en nam

de riemen weer. "De Heer zij gedankt," stamelde grootmoeder, terwijl

moeder de haren uit haar oogen streek en snikte, "Arme moeder, hoe

bent u boven gekomen?"

"Bart," zei grootmoeder. "Bart heeft me gedragen."

"Goed zoo," zei vader. "Brave jongen," zei de andere man, en moeder

knikte hem toe, maar Bart zei niets. Hij hield Elsje stijf vast en

keek naar het huisje, en dacht: "Als ik toch eens was weg geloopen."

Heel voorzichtig stuurden de beide mannen de kleine boot die soms

stootte tegen een boompje of een paal.

Uitstekende boomen wezen den weg naar de sloot. Toen ze die eenmaal

bereikt hadden, ging het sneller voort. Moeder schreide en aaide

grootje af en toe en knikte haar en de kinderen toe. Daar zag het zwart

van menschen in de verte. "Hoo ie hoo!" schreeuwde vader en zwaaide

met zijn pet. Een luid gejuich steeg op, uit de menigte. "Ze zijn

gered," riep men elkaar toe. "De oude vrouw ook," zei Krijns moeder

die vooraan stond en dadelijk Elsje aanpakte. Meteen staken allen

de handen uit. Iedereen wilde helpen en grootje aanpakken. "Nee,"

zei vader, "dank jelui wel hoor. Ik zal moeder dragen." Bart werd

ook opgetild; een man droeg hem het dorp in. Als een loopend vuurtje

ging het van mond tot mond. "Hij heeft zijn grootmoeder gered!" en in

menig oog blonk een traan. Vergezeld van een groote menigte ging het

in optocht naar het huis van den burgemeester. De goede burgervader

liep vooruit en opende de deur. "Hierheen met je moeder, Lubbe. Breng

haar naar boven, ze moet naar bed, anders wordt ze nog ziek.--Droge

kleeren," antwoordde de burgemeester, toen het dienstmeisje, dat met

een warme kruik kwam aandragen, hem vroeg of er nog iets anders moest

zijn. "Ga jelui gauw aan moeder zeggen, dat ze allemaal gered zijn,"

vervolgde hij tegen zijn jongens, die ook kwamen kijken, en op dit

gezegde dadelijk vroolijk naar binnen vlogen. Grootmoeder en Bart

werden naar boven gedragen, van droge kleeren voorzien en in bed

gestopt. Toen bracht het dienstmeisje hun een kop heerlijke bouillon

en een paar boterhammen met koffie, wat ze zich allemaal best lieten

smaken. Daarna moesten ze wat slapen, "dat was goed voor de schrik

en alles," zei moeder, die eerst met Elsje bij de Burgemeestersche

was binnen geweest en nu kwam kijken bij grootje en Bart. Ze stopte

haar jongen er eens goed onder en zoende hem hartelijk. "Mijn beste

jongen," zei ze. Plotseling sprong Bart overeind, sloeg zijn armen

om moeders hals en hevig snikkend bracht hij er hortend en stootend

uit. "Ik-had-stil-met Krijn en Jaap-willen-meegaan. Ik zal-het-nooit

weer doen." Eerst begreep moeder het niet en dacht, dat hij wat in

de war was van alle angst. Ze was al vergeten, dat hij naar dien

oom van Krijn zou gaan, maar toen werd het haar opeens duidelijk en

ook zij stelde zich plotseling voor, wat er dan van moeder en Elsje

had moeten worden. Ze werd er bleek van, maar zei alleen: "Gelukkig

jongen, dat je het niet deed. Alles is nu goed. Ga gauw wat slapen,

grootmoeder is al onder zeil." Nogmaals kuste ze hem en met de tranen

nog op de wangen viel hij in slaap.

Hij droomde van water en nog eens water. Zag grootje er in zakken,

zooals de koeien en paarden Elsje riep om hulp, maar hij kon niet bij

haar komen want Krijn en Jaap hielden hem vast en riepen; "Wat geef

je er om, ga mee!" Hij wilde zich losrukken en vloog overeind. Met

verwilderde oogen keek hij rond niet dadelijk beseffend, waar hij was.

Moeder stond met een heer voor zijn bed.

"Zoo, heb je lekker geslapen, ventje? Ik zou er hem maar een dagje in

houden." Het was de dokter, zag hij nu. Hij werd beklopt en beluisterd

en moest toen weer gaan liggen.

Toen moeder den dokter had uitgelaten en weer bij het bed kwam,

vroeg hij, hoe lang hij had geslapen.

"Het is goede Vrijdag," zei moeder, "gisteren middag ben je in slaap

gevallen en morgen mag je er weer uit." "En grootmoeder?" "Is ook in

bed gebleven vandaag, maar ze is best hoor. Kijk ereis wat ik hier

voor je heb. Een paar heerlijke boterhammen, een groot stuk taart en

een glas lekkere melk."

Dat smaakt overheerlijk. "Gaan we nu niet weer naar huis, moeder. Hoe

is het met ons huis?" vroeg Bart.

"O, het water daalt al, maar we zullen er vooreerst niet in kunnen. Wij

zijn zoolang bij Jansen in en morgen komen Grootje en jij er ook en

met Paschen gaan we met ons allen naar tante Mijntje, waar grootje

zal blijven, totdat ons huis weer in orde is."--"Het is jammer van

alles. Zou het allemaal bedorven zijn?" vroeg Bart.

"Dat hindert minder," antwoordde vader, die ook eens naar hem kwam

kijken. "Jelui bent allemaal gered en er is niemand omgekomen. Alleen

eenige koeien en paarden. Arme dieren! en een paar varkens nog. We

hebben den geheelen nacht doorgewerkt, maar nu is de dijk ook

gestopt. Het zal nog wel een tijdje duren, eer we weer in huis kunnen

en er zal misschien wel een en ander bedorven zijn, maar wij zijn nog

allemaal bij elkaar. En wat ik ook zoo heerlijk vind, onze Bart heeft

bewezen, dat hij een flinker jongen is, dan hij zelf heeft gedacht."

Ook vader zoende zijn jongen en Bart voelde zich gelukkig. "Die lieve,

beste grootmoeder" mompelde hij.

Wat tante Dora vertelde · 第 28 / 35 题