Bart had geen rust. Hij ging weer eens naar het venster. Het regende
niet meer, maar je zag alleen water en hier en daar stak een punt
of een boom een eindje uit. Het was een troosteloos gezicht. Een
schuitje zag hij niet. Toen ging hij naar het luik. "Hier blijven,"
riep grootje.
"Ja, ik ga niet naar beneden, eventjes kijken." Nog één sport van de
ladder kwam er uit. Als het nu toch nog eens tot den zolder kwam. "Och
nee, dat mocht niet. Toe vader kom dan toch." Weer naar het venster. De
wind leek wel wat te bedaren. Wat was dat in de verte. Hoorde hij
klokken luiden. Ja, en dat daar, was 't een schuitje. "Ja, ja! grootje
daar komt vader! Ik zie een schuitje," juichte Bart. Hij gooide het
venster open en riep zoo hard hij kon: "Vader, vader!"
Ze konden hem nog niet hooren in het schuitje en hij kon niet zien,
of het vader was. Nu zag hij drie menschen. Eén stond overeind,
twee roeiden heel hard. Ja, het was vader! en moeder stond.
"Moeder! Vader!" gilde hij. Elsje stond nu naast hem en riep ook mee
en moeder stak de armen omhoog on riep: "Bartje, Elsje!" "Alle drie,"
riep Bart terug. "Grootje!" riep vader. "Ja, ook, grootje ook!"
"God zij dank," zei vader en liet de riemen los. Ze waren nu met het
bootje vlak voor het zoldervenster.
"Voorzichtig nou, wacht even," riep vader tegen moeder, die schreiend
naar boven greep en niet bemerkte, dat het bootje opzij ging. Toen
heesch vader zich tegen het raam omhoog en sprong naar binnen. Hij
drukte de kinderen in zijn armen, terwijl hij den zolder rond
keek. "Moeder," riep hij, "ik kom." Hier pak aan! vervolgde hij tot
den anderen man en reikte Elsje uit het raam aan, die dadelijk in
moeders armen vloog.
"Mijn schat, mijn engel," zei moeder. Bart klom zelf naar beneden en
werd ook opgevangen.
"Jongen, beste jongen," zei moeder en zoende hem.
"Kalm aan," zei de man "ga zitten, achteraan. De oude vrouw moet hier
in het midden." "Hier, doe om," zei moeder en pakte beide kinderen
in doeken, die ze bij zich had. Daar stond vader al met grootje in
de deken gewikkeld.
"Voorzichtig aan nu. Hou het schuitje wat tegen, vrouw Lubbe. Wacht,
eerst het touw daarom! Zoo! Ja, geef haar nu maar aan. Zitten blijven,
jongens! Wees maar niet bang, het gaat goed zoo." Eén schok, daar
zat grootje, tegen moeder aan op het middelste bankje. Vader gooide
de andere deken ook in het schuitje, sprong er toen zelf in en nam
de riemen weer. "De Heer zij gedankt," stamelde grootmoeder, terwijl
moeder de haren uit haar oogen streek en snikte, "Arme moeder, hoe
bent u boven gekomen?"
"Bart," zei grootmoeder. "Bart heeft me gedragen."
"Goed zoo," zei vader. "Brave jongen," zei de andere man, en moeder
knikte hem toe, maar Bart zei niets. Hij hield Elsje stijf vast en
keek naar het huisje, en dacht: "Als ik toch eens was weg geloopen."
Heel voorzichtig stuurden de beide mannen de kleine boot die soms
stootte tegen een boompje of een paal.
Uitstekende boomen wezen den weg naar de sloot. Toen ze die eenmaal
bereikt hadden, ging het sneller voort. Moeder schreide en aaide
grootje af en toe en knikte haar en de kinderen toe. Daar zag het zwart
van menschen in de verte. "Hoo ie hoo!" schreeuwde vader en zwaaide
met zijn pet. Een luid gejuich steeg op, uit de menigte. "Ze zijn
gered," riep men elkaar toe. "De oude vrouw ook," zei Krijns moeder
die vooraan stond en dadelijk Elsje aanpakte. Meteen staken allen
de handen uit. Iedereen wilde helpen en grootje aanpakken. "Nee,"
zei vader, "dank jelui wel hoor. Ik zal moeder dragen." Bart werd
ook opgetild; een man droeg hem het dorp in. Als een loopend vuurtje
ging het van mond tot mond. "Hij heeft zijn grootmoeder gered!" en in
menig oog blonk een traan. Vergezeld van een groote menigte ging het
in optocht naar het huis van den burgemeester. De goede burgervader
liep vooruit en opende de deur. "Hierheen met je moeder, Lubbe. Breng
haar naar boven, ze moet naar bed, anders wordt ze nog ziek.--Droge
kleeren," antwoordde de burgemeester, toen het dienstmeisje, dat met
een warme kruik kwam aandragen, hem vroeg of er nog iets anders moest
zijn. "Ga jelui gauw aan moeder zeggen, dat ze allemaal gered zijn,"
vervolgde hij tegen zijn jongens, die ook kwamen kijken, en op dit
gezegde dadelijk vroolijk naar binnen vlogen. Grootmoeder en Bart
werden naar boven gedragen, van droge kleeren voorzien en in bed
gestopt. Toen bracht het dienstmeisje hun een kop heerlijke bouillon
en een paar boterhammen met koffie, wat ze zich allemaal best lieten
smaken. Daarna moesten ze wat slapen, "dat was goed voor de schrik
en alles," zei moeder, die eerst met Elsje bij de Burgemeestersche
was binnen geweest en nu kwam kijken bij grootje en Bart. Ze stopte
haar jongen er eens goed onder en zoende hem hartelijk. "Mijn beste
jongen," zei ze. Plotseling sprong Bart overeind, sloeg zijn armen
om moeders hals en hevig snikkend bracht hij er hortend en stootend
uit. "Ik-had-stil-met Krijn en Jaap-willen-meegaan. Ik zal-het-nooit
weer doen." Eerst begreep moeder het niet en dacht, dat hij wat in
de war was van alle angst. Ze was al vergeten, dat hij naar dien
oom van Krijn zou gaan, maar toen werd het haar opeens duidelijk en
ook zij stelde zich plotseling voor, wat er dan van moeder en Elsje
had moeten worden. Ze werd er bleek van, maar zei alleen: "Gelukkig
jongen, dat je het niet deed. Alles is nu goed. Ga gauw wat slapen,
grootmoeder is al onder zeil." Nogmaals kuste ze hem en met de tranen
nog op de wangen viel hij in slaap.
Hij droomde van water en nog eens water. Zag grootje er in zakken,
zooals de koeien en paarden Elsje riep om hulp, maar hij kon niet bij
haar komen want Krijn en Jaap hielden hem vast en riepen; "Wat geef
je er om, ga mee!" Hij wilde zich losrukken en vloog overeind. Met
verwilderde oogen keek hij rond niet dadelijk beseffend, waar hij was.
Moeder stond met een heer voor zijn bed.
"Zoo, heb je lekker geslapen, ventje? Ik zou er hem maar een dagje in
houden." Het was de dokter, zag hij nu. Hij werd beklopt en beluisterd
en moest toen weer gaan liggen.
Toen moeder den dokter had uitgelaten en weer bij het bed kwam,
vroeg hij, hoe lang hij had geslapen.
"Het is goede Vrijdag," zei moeder, "gisteren middag ben je in slaap
gevallen en morgen mag je er weer uit." "En grootmoeder?" "Is ook in
bed gebleven vandaag, maar ze is best hoor. Kijk ereis wat ik hier
voor je heb. Een paar heerlijke boterhammen, een groot stuk taart en
een glas lekkere melk."
Dat smaakt overheerlijk. "Gaan we nu niet weer naar huis, moeder. Hoe
is het met ons huis?" vroeg Bart.
"O, het water daalt al, maar we zullen er vooreerst niet in kunnen. Wij
zijn zoolang bij Jansen in en morgen komen Grootje en jij er ook en
met Paschen gaan we met ons allen naar tante Mijntje, waar grootje
zal blijven, totdat ons huis weer in orde is."--"Het is jammer van
alles. Zou het allemaal bedorven zijn?" vroeg Bart.
"Dat hindert minder," antwoordde vader, die ook eens naar hem kwam
kijken. "Jelui bent allemaal gered en er is niemand omgekomen. Alleen
eenige koeien en paarden. Arme dieren! en een paar varkens nog. We
hebben den geheelen nacht doorgewerkt, maar nu is de dijk ook
gestopt. Het zal nog wel een tijdje duren, eer we weer in huis kunnen
en er zal misschien wel een en ander bedorven zijn, maar wij zijn nog
allemaal bij elkaar. En wat ik ook zoo heerlijk vind, onze Bart heeft
bewezen, dat hij een flinker jongen is, dan hij zelf heeft gedacht."
Ook vader zoende zijn jongen en Bart voelde zich gelukkig. "Die lieve,
beste grootmoeder" mompelde hij.