3. De dijkbreuk.

Het was net of de wind weer erger te keer ging. Weer begon het te

regenen. "Foei, foei!" zei grootmoe en schudde het hoofd. "Wat spookt

het." Bart antwoordde niet meer; hij kreeg de kindercourant uit de

kast, ging aan de tafel zitten met zijn handen onder zijn hoofd en zijn

vingers in zijn ooren. Hij hoorde niets meer of deed net, of hij niets

hoorde. Grootmoeder vervolgde haar lezing. Elsje zat naast haar voor

het raam met haar pop op schoot en keek naar buiten, naar de koeien

en paarden, die met dekken om al in het land liepen. Er kwam geen

mensch meer over den dijk. Het werd maar steeds donkerder. Bart kon

haast niet meer lezen bij de tafel. Zwarte wolken pakten zich samen

en joegen in groote vaart door de lucht. Weldra kletterde de regen

in stroomen neer, zoodat je haast niet in de verte kon zien. De wind

nam in hevigheid toe en bulderde en gierde dat Elsje er bang van werd.

Ze trok grootje aan haar mouw. "Grootmoe," zei ze zacht. "Het is hier

zoo stil en de wind schreeuwt zoo hard."

Grootmoeder legde haar boek op het tafeltje, dat naast haar stoel stond

en trok Elsje naar zich toe. "Zal ik je eens wat vertellen?" zei ze

vriendelijk. "Je moet niet bang zijn voor den wind. Jongens, jongens,

't is wel heel erg," vervolgde ze, toen een nieuwe windvlaag alles

rammelen deed en de kachel ineens rood verfde.

"Bart, doe het schuifje wat dicht. Bartje!" riep ze.

Bart stond op en temperde de kachel wat. "Het waait ineens weer

harder," zei hij en ging ook bij het zijraam staan, om uit te kijken.

Anders zag je nog wel menschen op het land bezig; nu was er niemand. De

paarden en koeien waren bij elkaar gekropen, zoo dicht mogelijk tegen

den dijk aan onder een groepje boomen, wat hen nog wel niet tegen

den regen beschutten kon, maar zeker wel tegen den wind. Niemand

op den dijk te zien. Wat joegen die wolken door de lucht, net of

ze mekaar achterna zaten. Brr, het was griezelig weer. "We konden

de lamp wel opsteken, grootmoe," zei Elsje, "'t is zoo donker. Hè,

ik word er bang van." Ze drukte haar hoofdje tegen grootmoe aan en

gluurde onder de haren door angstig naar buiten.

"Grootmoe, kijk u eens," riep Bart opeens. "Wat is dat daar tusschen

het gras. Kijk, allemaal kletsnat van den regen, 't lijkt wel een

sloot."

"Ja," antwoordde grootmoe, "het regent ook zoo, 't lijkt wel groote

schoonmaak daarboven. De grond kan het niet ineens verzwelgen." "Kijk

grootmoe, er komen golfjes in, hè, hoor es!" "Kom hier maar," zei

Grootmoe verschrikt door de vreeselijke windvlaag.--"De ruit kon wel

eens inwaaien. Ga er niet zoo dicht bij staan. Hier kan je ook kijken."

"Het water komt al verder. Straks kan moeder er niet eens door als

ze thuis komt," merkte Bart op.

"Welnee," zei grootmoe, "dat duurt nog zoo lang. Als de regen temet

ophoudt, trekt het wel weer weg."

"Anders moet ze maar een schuitje nemen, er zijn wel bij vader op de

werf," zei Bart weer, schertsend.

"Het zakt zóó wel," stelde grootmoeder gerust.

"Maar nou nog niet. Het komt verder. Kijk die koeien, 't is net of

ze wegzinken in den grond. Ze probeeren weg te loopen, maar ze kunnen

niet. Kijk, het paard wil tegen den dijk op. Wat spat dat water. Het

gaat er onder, Grootje, ze verdrinken geloof ik." Bart drong weer naar

het raam, om beter te zien. "Het water staat tot aan het straatje en

het golft tegen den dijk op, het komt al dichter bij."

"Och, jongen, 't is toch niet zoo?" vroeg grootje wat angstig en

zachtjes zei ze: "Er zal toch geen gat in den dijk geslagen zijn." "Ga

es kijken door het keukenraam," vervoegde ze tegen Bart, "of het

aan den anderen kant ook zoo is, bij Krijn zijn huis." Donderend

geweld in den schoorsteen, gieren en blazen, rammelen van de ruiten,

allerlei onheilspellende geluiden. Elsje begon te snikken. "Lieve

Heer!" stamelde grootmoeder, "het zal toch niet zoo zijn!"

"Ik hoor schreeuwen," zei Bart, "hoort u het ook?"

"Dat is de wind," antwoordde grootmoe. "Neen," zei Bart, "toch niet"

en hij ging naar de keuken, om daar door het raam te kijken, waar hij

Krijns huis zien kon. Daar zag hij Krijns moeder met de rokken hoog

opgeschort, op iederen arm een kind, ze trachtte tegen den wind op

te komen en waadde tot de knieën door 't water. "Vrouw Lubbe! vrouw

Lubbe!" gilde ze, zoo hard ze kon. "Kom dan! het water!" meer kon

Bart niet hooren. Daar kwam Jaaps moeder ook met kleine Koosje op

den eenen en den hond onder den anderen arm. Ze gleden haast uit,

maar ze liepen toch door en gingen naar den dijk toe. Bart trilde

van angst. Wat moest hij doen. Grootmoe! zijn bloed stond stil van

schrik. Het was vast niet van den regen. Het leek wel een rivier en het

bruiste en golfde en kwam hooger en hooger. Bart keerde zich om. Was

het verbeelding? Nee, toch niet, daar door de keukendeur, daar kwam

het water met kleine golfjes naar binnen. Gauw, gauw, hij moest naar

grootmoe. Nog was het droog tot bij de deur van de kamer; hij gooide

de deur open. Rillend stond hij daar en kon haast niet spreken.

"Grootje, grootje," snikte hij, "het water staat in de keuken. Krijn en

Jaap hun moeders zijn weggeloopen en wij zijn hier alleen," snikkend

viel hij grootmoeder om den hals. "Och Heere, Heere!" bad de oude

vrouw, "loop gauw, neem Elsje mee, misschien kan je er nog door,

gauw! gauw dan! Het is toch een gat in den dijk."

"'t Kan niet grootmoe, en u dan," vroeg Bart, en klemde zich aan haar

vast. "Ga, Bart, voor het te laat is," antwoordde grootje met trillende

lippen. Maar het was al te laat. Daar kwam het water ook door de andere

deur het kamertje in. "O Hemelsche Vader, help ons," kreet de arme oude

vrouw, "de kinders, de kinders! mijn arme Marijke, mijn goeie jongen,

wat een verdriet!" en wanhopig vouwde ze haar handen. Elsje was op haar

schoot geklommen, Bart zat op een stoel. Half versuft keken ze naar het

water, dat maar aldoor naar binnen liep en al hooger en hooger steeg.

"Grootje, kan het zoo hoog komen, dat we--dat we verdrinken?" vroeg

Bart opeens en wachtte vol angst op het antwoord. "Ik weet 't niet,

jongen, 't is in korten tijd zoo gestegen. Ik weet het niet. Mijn

arme kinders!"

Wat tante Dora vertelde · 第 26 / 35 题