Het was net of de wind weer erger te keer ging. Weer begon het te
regenen. "Foei, foei!" zei grootmoe en schudde het hoofd. "Wat spookt
het." Bart antwoordde niet meer; hij kreeg de kindercourant uit de
kast, ging aan de tafel zitten met zijn handen onder zijn hoofd en zijn
vingers in zijn ooren. Hij hoorde niets meer of deed net, of hij niets
hoorde. Grootmoeder vervolgde haar lezing. Elsje zat naast haar voor
het raam met haar pop op schoot en keek naar buiten, naar de koeien
en paarden, die met dekken om al in het land liepen. Er kwam geen
mensch meer over den dijk. Het werd maar steeds donkerder. Bart kon
haast niet meer lezen bij de tafel. Zwarte wolken pakten zich samen
en joegen in groote vaart door de lucht. Weldra kletterde de regen
in stroomen neer, zoodat je haast niet in de verte kon zien. De wind
nam in hevigheid toe en bulderde en gierde dat Elsje er bang van werd.
Ze trok grootje aan haar mouw. "Grootmoe," zei ze zacht. "Het is hier
zoo stil en de wind schreeuwt zoo hard."
Grootmoeder legde haar boek op het tafeltje, dat naast haar stoel stond
en trok Elsje naar zich toe. "Zal ik je eens wat vertellen?" zei ze
vriendelijk. "Je moet niet bang zijn voor den wind. Jongens, jongens,
't is wel heel erg," vervolgde ze, toen een nieuwe windvlaag alles
rammelen deed en de kachel ineens rood verfde.
"Bart, doe het schuifje wat dicht. Bartje!" riep ze.
Bart stond op en temperde de kachel wat. "Het waait ineens weer
harder," zei hij en ging ook bij het zijraam staan, om uit te kijken.
Anders zag je nog wel menschen op het land bezig; nu was er niemand. De
paarden en koeien waren bij elkaar gekropen, zoo dicht mogelijk tegen
den dijk aan onder een groepje boomen, wat hen nog wel niet tegen
den regen beschutten kon, maar zeker wel tegen den wind. Niemand
op den dijk te zien. Wat joegen die wolken door de lucht, net of
ze mekaar achterna zaten. Brr, het was griezelig weer. "We konden
de lamp wel opsteken, grootmoe," zei Elsje, "'t is zoo donker. Hè,
ik word er bang van." Ze drukte haar hoofdje tegen grootmoe aan en
gluurde onder de haren door angstig naar buiten.
"Grootmoe, kijk u eens," riep Bart opeens. "Wat is dat daar tusschen
het gras. Kijk, allemaal kletsnat van den regen, 't lijkt wel een
sloot."
"Ja," antwoordde grootmoe, "het regent ook zoo, 't lijkt wel groote
schoonmaak daarboven. De grond kan het niet ineens verzwelgen." "Kijk
grootmoe, er komen golfjes in, hè, hoor es!" "Kom hier maar," zei
Grootmoe verschrikt door de vreeselijke windvlaag.--"De ruit kon wel
eens inwaaien. Ga er niet zoo dicht bij staan. Hier kan je ook kijken."
"Het water komt al verder. Straks kan moeder er niet eens door als
ze thuis komt," merkte Bart op.
"Welnee," zei grootmoe, "dat duurt nog zoo lang. Als de regen temet
ophoudt, trekt het wel weer weg."
"Anders moet ze maar een schuitje nemen, er zijn wel bij vader op de
werf," zei Bart weer, schertsend.
"Het zakt zóó wel," stelde grootmoeder gerust.
"Maar nou nog niet. Het komt verder. Kijk die koeien, 't is net of
ze wegzinken in den grond. Ze probeeren weg te loopen, maar ze kunnen
niet. Kijk, het paard wil tegen den dijk op. Wat spat dat water. Het
gaat er onder, Grootje, ze verdrinken geloof ik." Bart drong weer naar
het raam, om beter te zien. "Het water staat tot aan het straatje en
het golft tegen den dijk op, het komt al dichter bij."
"Och, jongen, 't is toch niet zoo?" vroeg grootje wat angstig en
zachtjes zei ze: "Er zal toch geen gat in den dijk geslagen zijn." "Ga
es kijken door het keukenraam," vervoegde ze tegen Bart, "of het
aan den anderen kant ook zoo is, bij Krijn zijn huis." Donderend
geweld in den schoorsteen, gieren en blazen, rammelen van de ruiten,
allerlei onheilspellende geluiden. Elsje begon te snikken. "Lieve
Heer!" stamelde grootmoeder, "het zal toch niet zoo zijn!"
"Ik hoor schreeuwen," zei Bart, "hoort u het ook?"
"Dat is de wind," antwoordde grootmoe. "Neen," zei Bart, "toch niet"
en hij ging naar de keuken, om daar door het raam te kijken, waar hij
Krijns huis zien kon. Daar zag hij Krijns moeder met de rokken hoog
opgeschort, op iederen arm een kind, ze trachtte tegen den wind op
te komen en waadde tot de knieën door 't water. "Vrouw Lubbe! vrouw
Lubbe!" gilde ze, zoo hard ze kon. "Kom dan! het water!" meer kon
Bart niet hooren. Daar kwam Jaaps moeder ook met kleine Koosje op
den eenen en den hond onder den anderen arm. Ze gleden haast uit,
maar ze liepen toch door en gingen naar den dijk toe. Bart trilde
van angst. Wat moest hij doen. Grootmoe! zijn bloed stond stil van
schrik. Het was vast niet van den regen. Het leek wel een rivier en het
bruiste en golfde en kwam hooger en hooger. Bart keerde zich om. Was
het verbeelding? Nee, toch niet, daar door de keukendeur, daar kwam
het water met kleine golfjes naar binnen. Gauw, gauw, hij moest naar
grootmoe. Nog was het droog tot bij de deur van de kamer; hij gooide
de deur open. Rillend stond hij daar en kon haast niet spreken.
"Grootje, grootje," snikte hij, "het water staat in de keuken. Krijn en
Jaap hun moeders zijn weggeloopen en wij zijn hier alleen," snikkend
viel hij grootmoeder om den hals. "Och Heere, Heere!" bad de oude
vrouw, "loop gauw, neem Elsje mee, misschien kan je er nog door,
gauw! gauw dan! Het is toch een gat in den dijk."
"'t Kan niet grootmoe, en u dan," vroeg Bart, en klemde zich aan haar
vast. "Ga, Bart, voor het te laat is," antwoordde grootje met trillende
lippen. Maar het was al te laat. Daar kwam het water ook door de andere
deur het kamertje in. "O Hemelsche Vader, help ons," kreet de arme oude
vrouw, "de kinders, de kinders! mijn arme Marijke, mijn goeie jongen,
wat een verdriet!" en wanhopig vouwde ze haar handen. Elsje was op haar
schoot geklommen, Bart zat op een stoel. Half versuft keken ze naar het
water, dat maar aldoor naar binnen liep en al hooger en hooger steeg.
"Grootje, kan het zoo hoog komen, dat we--dat we verdrinken?" vroeg
Bart opeens en wachtte vol angst op het antwoord. "Ik weet 't niet,
jongen, 't is in korten tijd zoo gestegen. Ik weet het niet. Mijn
arme kinders!"