2. De verzoeking.

Toen hij wakker werd, scheen de zon, "hè," dacht Bart weer.--Prachtig

weer, om uit te gaan. Zullie gaan natuurlijk.--

Moeder kwam in de keuken, om water op 't stel te zetten.

"Zoo jongen, ben je wakker? Sta dan maar gauw op, dan kan je me

helpen. Vader moet zoo weg." "Morgen, Moe," zei Bart en sprong het

bed uit.--Als vader weg is--dacht hij--ga ik naar Krijn toe.

Om half acht ging vader de deur uit. Eerst had hij grootmoe uit de

bedstee getild en weer op haar stoel gezet; dat vond hij voor moeder te

zwaar. Toen had Elsje in haar paars nachtjaponnetje nog even op zijn

knie gezeten en een hapje met hem mee gegeten. Nu wuifde ze vader na

door het zijraam, waarmee je op den dijk kon zien en waarvoor grootmoe

ook zat. Bart was ook klaar met zijn boterham en toen vader uit het

gezicht was, ging hij door de keuken de achterdeur uit, wip over het

hekje van den kleinen moestuin en bij Krijn de achterdeur in. Baar

stond Krijn bij zijn moeder in de keuken. "Ben je er al?" vroeg hij

met zijn mond vol. "Moeder pakt me brood in." "Heb je niets bij je,"

vroeg Krijns moeder. "En moet je geen jas aan? 't Is veel te guur

en je krijgt nog wel regen ook." Bart schudde van neen; hij had wel

kunnen huilen: hij durfde niets zeggen, omdat hij zich niet goed kon

houden. "Dag moeder," zei Krijn en hij stapte de deur uit naar het

huisje van Jaap.

"Ik ga niet mee," zei Bart nu bedrukt. "Hè, mag je niet, da's gemeen,"

was 't antwoord, "je hoeft toch niet op je zusje te passen."

"Moeder is niet thuis vandaag," antwoordde Bart. "Nou, je grootje is

er toch. Wat zou dat? Kom ga maar mee!" "Grootmoeder kan niet alleen

blijven," antwoordde Bart terwijl hij zijn tranen inslikte.

"Och, dat lamme mensch laat er ophoepelen," antwoordde Krijn. Bart

schrok er van; gelukkig dat vader en moeder 't niet hoorden,

anders zou hij niet meer met Krijn mogen loopen misschien. "Ze kan

het toch niet helpen," antwoordde hij aarzelend. "Is je vader al

weg?" vroeg Krijn. "Ja," knikte Bart. "Je moeder ook al?" "Neen,

die nog niet." "Nou, weet je wat, dan wachten we tot je moeder weg

is en dan kom je stil door de achterdeur. Ze kan je toch niet naloopen.

"Je bent ook zoo'n flauwerd. Ga nou gauw terug, dat je moeder niks

merkt; ik wacht met Jaap bij de schuur."

Bart ging schoorvoetend naar huis terug. Zou hij dat doen? Als hij

maar terug was vóór vader en moeder. Grootmoe zou 't misschien niet

eens vertellen. Ze kon nooit velen, dat vader erg knorde op hem. Zou

hij het groot je vragen? Nee, dat toch maar niet; hij mocht niet van

vader en moeder, dan zou grootmoe het ook niet willen.

"Waar zat je toch?" vroeg moeder, toen hij de kamer weer binnen

kwam. "Toe veeg jij even gauw de keuken aan en je zet om half vijf de

aardappels op het stel. De boontjes staan in de pan, die moeten maar

binnen op de kachel. Jelui brood staat klaar in de kast. Hoor es, wat

steekt de wind weer op. Je mag blij wezen, dat je niet uit bent. De

lucht is zoo donker geworden. Je moet maar niet buiten spelen ook,

ga maar wat bouwen of lezen."

Bart deed wat moeder zei, zonder te antwoorden.

"Nog iets moe?" vroeg hij, toen hij klaar was. "Neen, jongen. Ik ben

ook klaar. Jongens, kijk eens!" Een hevige windvlaag deed het huisje

schudden en de regen viel bij stroomen neer. "Kind, wat een weer,"

zei grootmoeder. "Je mag je wel goed instoppen. Het was zoo mooi

bedaard van morgen en nou begint het weer."

"Ja, ik zal maar gauw heengaan. Daar komt net de zon weer. Misschien

hou ik het nog droog," antwoordde moeder. "De lucht is anders pikzwart

daar in de verte. 't Is mooi lenteweer, hoor," hernam grootmoe.

"Nou, dag moeder, dag jongens. Lief zijn hoor. Misschien breng

ik wel wat lekkers voor jelui mee." "Een paaschei moes," vleide

Elsje. "Misschien wel, als jelui zoet bent."

"Ik zal heel, heel zoet zijn, dag moesje," zei Elsje.

"Nou Bart en jij doet alles wat grootmoe zegt hoor."

Met hun drieën keken ze moeder na, die op den dijk zich nog eens

omkeerde, naar de lucht wees en een leelijk gezicht trok.

"Kijk, Moes rokken," zei Elsje. "Straks waait haar doek nog weg. Zou

ons huis niet om kunnen waaien?"

"Wel nee," zei Bart, "dat gebeurt nooit. Wel een pan van het dak." "Dan

wordt de zolder nat," zei Elsje.

Bart talmde en draaide wat. Hij durfde toch niet heengaan en ook niet

tegen Krijn zeggen, dat hij niet kwam. Zou hij heengaan en grootmoe

toch alleen laten met Elsje. En als ze hem zochten en grootmoe wist

niet, waar hij was.--Elsje zou hem roepen.--Ze zou misschien naar

het huisje van Krijn gaan.--

"Hoor es, grootmoe, hè, alles schudt van den wind. En het is zoo

donker," merkte Elsje op.--Hij kon toch wel gauw terug komen. Hij

hoefde alleen de aardappels op te zetten; de kachel brandde. Een

schepje kolen kon Elsje er wel op gooien. Hij keek eens naar

grootmoe. 't Was toch naar, als je niet loopen kon. Hij wist nog, hoe

grootmoe met de zware ben met visch liep en altijd in huis werkte. Toen

hadden ze grootvader voor 'n paar jaar terug, dood thuis gebracht. Hij

had andere menschen van een schip gered en toen een stuk wrakhout tegen

zijn hoofd gekregen. Toen was grootmoeder erg ziek geworden en toen kon

ze niet meer loopen. Moeder en vader zeien altijd, we moeten maar heel

lief voor grootmoeder zijn.--Daar stonden Krijn en Jaap. Ze wenkten

hem. "Moet u niet lezen, grootmoe," vroeg Bart. "Ja," zei grootmoeder,

"dat is goed" en Bart bracht haar haar bril en haar boek. Elsje speelde

met haar pop en wagentje. Het duurde niet lang of grootmoeder zat met

het boek op schoot, geheel verdiept in het lezen, bij wijzend met den

vinger en halfluid spellend. Bart kon nu best ongemerkt door de keuken

weg gaan. Heel zachtjes deed hij de achterdeur open. Bulderend sloeg

de wind naar binnen, gauw de deur dicht! Brr, wat was het koud. Krijn

liep al op hem af. "Nou vooruit! wat laat je ons lang wachten. Moet

je geen jas aan, heb je je brood?" Hij dacht niet anders of Bart

ging mee. "Hij heb em stikum gesmeerd, natuurlijk," lachte Jaap. "Heb

't lamme, ouwe wijf 't niet in de gaten gehad?" dat was Bart toch te

kras. Hij schaamde zich, dat ze het tegen hem durfden zeggen, draaide

zich om en snauwde: "ga jelui maar alleen hoor." "Toe nou, flauwerd,"

riep Krijn hem nog na, maar hij liep nog wat harder en verdween weer

in de keuken. "Mispunt! lafferd!" hij hoorde het haast niet door den

wind en trok de deur met een smak dicht. "Wat een slag," zei grootmoe,

"was je aan de buitendeur." "Eventjes," antwoordde Bart verlegen. "Nou,

blijf maar binnen, hoor, het is veel te slecht weer."

Wat tante Dora vertelde · 第 25 / 35 题