Een vriendelijk thuis.
"Bart! Bart, kom je? grootmoe roept je." "Ja, ik kom hoor! kijk ereis
Els, kijk, gaat ie niet fijn."
"Nou," antwoordde Elsje met overtuiging. "Veel mooier dan die van
Jaap laatst, niet?" Vergetend, waarom ze naar buiten kwam, bleef het
kleine meisje met aandacht staan kijken naar den tol van haar broertje.
"Nou, boodschap loopen?" vleide ze. Maar Bart had geen ooren voor
haar en volgde aandachtig de beweging van den dikken, gelen tol,
die zoo hard draaide, dat 't leek of hij stil stond.
"Kom, nou Bart," vroeg Elsje weer, zich herinnerend "grootmoe zegt, dat
je moet komen, om hout te hakken; anders gaat de kachel uit." Meteen
keerde ze zich om, huppelde terug naar het huisje bij den dijk en
verdween in de kleine, groene deur.
Grootmoe zat in een houten leunstoel, met de voeten op een krukje,
voor de kleine potkachel, waarop een pan stond.
Hoe vriendelijk keek ze op naar het kleine ding dat op haar
toesprong. "Hij komt zoo." zei Elsje, "brr, wat is het koud!"
"Hij moet voortmaken," antwoordde grootmoeder "anders is ie uit,
als moeder thuis komt. Neen, blijf jij er maar af, kindje. Ik ben
veel te bang voor brand."
"Ja," zei Elsje. "U zou niet kunnen wegloopen, hè grootmoe?" en
ze ging bij de oude vrouw staan en streek haar liefkoozend over de
lamme beenen.
"Maar ik dacht alleen aan jou, kindje," antwoordde de goede vrouw en
streek haar kleinkind over de zachte bruine haren. "Sla mijn doek
even om en roep Bart nog eens; hij moet dadelijk komen." Gewillig
deed het vijfjarig meisje, wat grootmoe zei. "Toe dan Bart, dadelijk
dan. De kachel gaat uit," riep ze, zoo hard ze kon. Bart speelde
op het straatje voor de deur: "Ach!" grauwde hij, "dat gezanik,
ik kom immers al" nijdig pakte hij zijn tol op. "Wat heb ik aan
een tol, als ik er niet eens even mee mag spelen. Wat is er nou,"
gromde hij door, toen hij binnentrad. "Foei," zei grootmoeder, "wat
ben je norsch. Ik wou maar een paar houtjes voor de kachel; die wil
je toch wel even halen." "Ach," bromde Bart, "dat gezeur altijd," en
met een boos gezicht ging hij het keukentje door, de achterdeur uit
naar de schuur en koelde weldra zijn boosheid aan het hout, waarop
hij flink los sloeg. Spoedig zong hij het hoogste lied er bij uit,
een bewijs dat de tienjarige knaap, flinke longen en krachtige armen
had. Met zijn armen vol hout kwam hij binnen en vulde de kachel bij,
die weer begon te snorren.
Elsje zat nu naast grootmoeder op een stoel, nam de aardappels aan,
die zij schilde en wierp ze in den emmer met water: "Grootmoe vertelt,
Bart," zei ze. "Vertel u nu eens, waarom wij maar één grootmoeder
hebben. Gisterenavond zei u, morgen zal ik 't je zeggen," zei Bart.
"Goed, goed, ik zal 't je vertellen.--Nou, je moet dan weten," begon
ze, "dat grootvader--jij hebt hem gekend, dien besten man."--"Ja,"
antwoordde Bart, "ik mocht altijd op zijn knie zitten en naar de
scheepjes kijken, als ik met moeder en vader bij u kwam." "Ik weet
't niet meer," zei Elsje. "Nee, jij was nog te klein, maar ik was al
7 jaar, toen grootvader dood ging." Grootmoeder zuchtte: "Treurig,
zoo treurig." "Toen kon u nog loopen, hè grootmoe, langs 't strand en
met die groote ben met visch naar de stad. Ik weet 't nog goed." "Ja,
je weet 't nog goed," bevestigde grootmoeder en veegde een traan af,
die langs haar magere, bruine wang liep. "Maar toen ze je grootvader
dood thuis brachten, toen ben ik zoo geschrokken en toen kon ik later
niet meer loopen." "Vertel u nou van die eene grootmoeder," zei Bart.
"Ja. Toen waren je vader en moeder nog heel klein. Zoo'n lieve, kleine
dikzak, je vader; zoo lief en gezeggelijk. Hij speelde altijd in
het tuintje voor het huis, daar kon hij de zee zien en de scheepjes;
dan zocht hij schelpjes of kruide zand. Allemaal visschers woonden op
onze rij en naast ons woonde Arie van Dobben en Elsje, die nog met
ons hadden schoolgegaan. En die hadden zoo'n klein meiske Marijtje,
jonger dan onze jongen en die twee speelden altijd samen. Zoo lief,
't was een aardigheid.--Het was ook in 't voorjaar en bar weer; al een
paar dagen en nachten. Een storm! Die zee ging te keer. Je grootvader
was thuis, maar Marijtjes vader nog niet. Op een morgen kwam het
kleine ding binnenloopen, met een benauwd gezicht--Tante Bartje,
moe roept, gauw! gauw!--Nou,--ik ging mee en de kinderen achter me
aan. Daar lag die arme Els, benauwd en naar. Een andere buurvrouw
om den dokter. Vader nam de kinderen mee en dienzelfden nacht stierf
ze in mijn armen. Marijken bleef bij ons op haar vader wachten. Maar
twee dagen later spoelde het wrakhout van de Elsa aan en haar vader
kwam niet weer terug. Wat moest 't arme kind? Natuurlijk hielden we
het schaapje bij ons en ze wist later niet beter of ze was een zusje
van Bart en Nelis en Anne en Mijntje, die later nog kwamen. En toen ze
groot waren en vader in dienst was geweest en terug kwam en goed zijn
brood had, als scheepstimmerman, nou--toen trouwde hij met Marijtje;
en toen hadden ze samen maar één vader en moeder; begrijp je? en nou
heb jelui alleen je grootje, dat dubbel van jelui houdt."--
"O," zei Bart, "zie je nou wel. Jaap zei, dat het niet kon en moeder
had het toch gezeid." "Het kan; het is zoo en niet anders." "En nou
moeten we voor drie van u houden; dat doet moeder ook," zei Elsje.
"Ja, jelui moeder is een engel voor ons allemaal geweest. Zonder je
moeder zou ik--"
"O, is u weer bezig, moeder!" riep een vroolijke stem en een jonge
vrouw met vriendelijk gezicht kwam de deur binnen. Ze trad dadelijk op
grootje toe en kuste haar op het voorhoofd. Elsje sprong tegen haar
op en liet zich ook door haar zoenen. Bart zei alleen, "dag moeder,"
en liep meteen weer naar buiten.
"Bent u weer aan het vertellen en moet u me weer ophemelen!" vroeg
moeder Lubbe aan de oude vrouw.
"Nee, dat is nou maar gekheid. 't Is de waarheid, kind. Je bent een
zegen voor iedereen en ik dank den lieven Heer iederen dag, dat ik
jou in huis heb genomen."
"En ik dan, wat zou ik geweest zijn zonder mijn goeie tweede moeder,"
vroeg de jonge vrouw weer, terwijl ze haar goed afdeed en Elsje wat
aanhaalde, die zich tegen haar aandrong.
"Heb u de aardappelen al geschild?" vervolgde ze. "En waren de kinderen
zoet. Was Bart gehoorzaam!"
"Best hoor," antwoordde grootmoeder, "en hoe was 't met Mevrouw!" "O,'t
gaat veel beter, maar ze mag nog niet loopen van den dokter en
nou vroeg ze of ik morgen ochtend haar nog eens kwam helpen. Ze is
jarig morgen en dan met de kinderen. Nou ik zeg, Mevrouw toen u nog
een meisje was, hebt u ons zoo geholpen, 't zou niet mooi wezen,
als ik u nu niet hielp. U wil toch wel nog een dagje alleen blijven
met de kinderen, Bart is nou toch thuis." "Zeker, natuurlijk, voor
zulke goeie menschen als Mevrouw van den burgemeester moet je ook wat
overhebben. Ik zal me eigen wel redden met Bart. Wat bracht ze me niet
altijd soepjes en lekkers, toen ik zoo ziek was en wat was ze blij,
dat we hier ook kwamen wonen." "Nou dat zeg ik ook," antwoordde moeder
weer. "Kom Elsje, help me gauw, als een kind. Breng de schillen naar
de keuken, dan zal ik grootmoe helpen. Wat is 't slecht weer en dat
tegen Paschen, ik kon op den dijk haast niet blijven staan." Elsje
ging naar de keuken. Zij mocht de aardappels wasschen; op een stoof
kon ze net bij de pomp. Bart speelde buiten met Krijn en Jaap, die in
de andere twee huisjes woonden. Er stonden drie op het pad, dat schuin
naar den dijk liep en aan den anderen kant in de weilanden uitkwam.
Barts vader woonde er nog niet lang. Hij had werk gekregen op den werf
in het dorp. De vaders van Krijn en Jaap waren boerenarbeiders. Krijn
was 12 jaar en Jaap 13, maar ze gingen met hun drieën naar en van
school in het dorp en mochten om twaalf uur bij Barts vader op den
werf hun boterham eten. Zoo speelden ze veel met elkander, al zaten
ze niet in dezelfde klasse. Ze moesten wel een groot half uur loopen,
dat was in den winter een heele tocht langs den dijk, maar ze waren
gezond en flink. Bart zag wel een beetje tegen die groote jongens op,
die nog al brutaal waren en wat vrijer, dan hij. Zijn vader en moeder
keken nog al precies, die van de andere jongens letten niet zooveel
op hen. Nu moest hij zijn nieuwen tol laten zien, dien hij van vader
had gekregen, omdat zijn eerste gedragboekje op deze school zoo goed
was geweest. Er liep voor elk huisje een stukje straat, daar kon je
fijn op tollen, al was 't wat smal.
Onderaan den dijk had je niet zoo'n last van den wind, maar ze moesten
toch soms schreeuwen om elkaar te verstaan. Ze pikten elkaar en lieten
de tol in kuiltjes loopen en vermaakten zich, totdat moeder riep,
dat Bart moest komen eten, omdat vader thuis was.
"Het is een mooie tol, vader. Krijn en Jaap zeggen het ook," was het
eerste, wat Bart zei, toen hij binnen kwam.
"Zoo komaan, gelukkig maar," antwoordde vader, terwijl hij zijn
handen wreef, en hij gaf Bart een klap op den schouder, "Au!" riep
Bart. "U slaat zoo hard, met die groote handen." "Groote handen,"
zei vader lachend, "kijk Els! heeft vader groote handen! Geef me de
vijf, meid, neen de tien. Samen in één hand van vader." Elsje lachte
en grootmoe lachte. "Vader is ook zoo sterk" zei ze, "en dat is maar
goed ook." "Kijk," zei vader, tilde grootmoeder met stoel en al op
en zette haar bij de tafel. "Elsje is ook sterk," zei het kleine
ding, sjouwde de kruk, wipte grootmoes beenen er op en dekte ze weer
toe. "Elsje is een braaf kind," hernam vader, en tilde haar hoog in
de lucht, tot ze het uitschaterde van pleizier.
Toen gingen ze eten. "Morgen moeten jelui weer samen voor grootmoe
zorgen," zei moeder onder het opscheppen en vertelde aan vader, dat ze
bij den burgemeester wat zou gaan helpen in de huishouding. "Mevrouw
vond het wel wat erg, maar ik zei, toen u in ons dorp woonde, hebt
u ons ook geholpen, is 't niet." "Je hebt gelijk hoor," antwoordde
vader, "'t zijn beste menschen, daar gaat niets van af. Wat zeit u,
moeder." "Ja, hoor," antwoordde grootje.
"Nou Bart, dan moet jij morgen er maar eens aan gelooven," vervolgde
vader weer. "Dat is ook lekker," bromde Bart. "We zouen morgen naar
Krijn zijn oom gaan in den polder, die heeft een groote boerderij en
daar zijn allemaal kalveren en biggen."
"Tuut, tuut," zei vader, "we zouen? Heb je het dan aan moeder
gevraagd?" "Aan mij niet," zei moeder.
"Nou, ja, als u het goed vond," bromde Bart.
"Maar we vinden het niet goed. Het is wel jammer voor je, maar
je kan nog wel een anderen dag. Je hebt nog na de Paasch ook
vacantie. Grootmoe kan toch niet alleen blijven, wel?" "Och het is
ook altijd," begon Bart, maar voordat hij had uitgesproken zag hij
grootmoeders gezicht en hoorde haar mompelen, "'t is jammer, voor je,
maar, zie je," en hij sloeg de oogen neer voor vaders blik, keek op
zijn bord en zweeg.--"Het wordt nog slechter weer," zei vader.
"De wind staat recht op den dijk," antwoordde moeder.
"Geef je bord nog eens Bart, of lust je niet meer?"
"Wij zijn den wind wel gewoon, hé moeder." "Nou," antwoordde grootje,
"wij hebben heel wat storm meegemaakt, daar is dit niets bij." En ze
spraken verder over wind en storm en Bart zat stil te eten en dacht
over morgen.
Na het eten, terwijl moeder in de keuken de borden waschte en
grootmoeder zat te breien aan een paar kniekousen met roode randen,
die Bart zoo graag wou hebben, stoeide vader met zijn jongens, zooals
hij Bart en Elsje noemde en klonk hun gelach en gejoel boven den
wind uit, die toch luid om het huisje gierde en door den schoorsteen
bulderde. Toen Elsje met een kleur als een boei in de bedstee in de
keuken lag, zei ze wel even: "He, moesje hoor es, boe, boe gaat 't. Mag
de deur open blijven, tot ik slaap; ik ben bang voor dien wind." "Ik
zal ze op een kiertje zetten, hoor: ga maar gauw slapen. Straks komt
Bart ook," antwoordde moeder en stopte haar lekker toe. Vader las
nog wat voor, totdat Bart ook naar bed moest en hij dacht niet aan
morgen, voordat hij onder de dekens lag. "Wat moest hij tegen de
jongens zeggen?" zoo viel hij in slaap.