Voor dat een uur voorbij was, waren Orleman en Soliman weer bij het
huisje van Liesje in het bosch.
"Aha!" riep Orleman, "ik zie het al. Kijk eens naar boven. Ons
mooie plaatsje is weg. Er ligt vuur in den haard." "Jammer, jammer,"
antwoordde zijn vriend. "Welneen, niets jammer; nu hebben zij het
warm. En wij gaan door de deur."
Orleman deed heel voorzichtig de deur open en ze stonden meteen in
het eenige vertrekje van het huis.
Wat zag het daar anders uit dan den vorigen avond. Op de tafel
lag een wit servet en daarop stond een bord met brood en boter en
kaas. Een kan melk stond er naast en een blad met een theeservies. In
den grooten haard brandde een houtvuur en daarboven hing een ketel,
waarin het water een vroolijk liedje zong. Voor het bed zat Liesje,
maar nu keken haar oogjes niet meer zoo bedroefd. Op haar schoot
lag het kleine broertje en genoot van de warme flesch, die ze hem
voerde. Met verrukking keek ze naar het zuigende kereltje.
"Moes, kijk, kijk, ziet u wel, hij kan heel goed zuigen. Hij is niet
te zwak. Hij lustte het niet, omdat de melk koud was, maar nu lust
hij het wel. Kijkt u eens, wat is er al een boel uit."
En de zieke moeder zat overeind in bed, gesteund door kussens. Op
de deken stond een bordje met pap en ze was bezig met eten, Een lach
kwam op haar gezicht, toen ze broertje zoo zag genieten.
"Heerlijk, kindlief. Wat is het een zegen. Als hij nu toch eens
een flinke jongen werd, wat zou vader blij zijn. Kon hij hem maar
zóó zien."
"Vader komt toch gauw, 't wordt nu alles weer goed."
"Ja, vader schreef het laatst: Woensdag en nu is het al Zaterdag. Hij
zou vrij komen, omdat zijn schuld niet bewezen kan worden en dat
kan ook niet, omdat hij onschuldig is. Wat de menschen ook zeggen
Liesje, wij weten het wel. Je weet wel, die man, hij heeft hem
het geld afgenomen dat van andere menschen hoorde en, dat hij
moest bewaren. Maar eens zal alles wel uitkomen. Vader wil hem
niet beschuldigen. Gelukkig, dat wij hem nu niet zoo in armoede
ontvangen zullen. Misschien hebben we wel genoeg om zoolang hier
te blijven, totdat ik beter ben en dan zal vader voor ons werken en
wordt alles weer anders. O, kind, ik ben zoo dankbaar. Die, lieve,
beste aardmannetjes. Ik wou, dat ik ze ook eens kon bedanken." "Ja,"
zei Liesje, "die lieve aardmannetjes!"
Soliman en Orleman hoorden het wel en wreven zich in de handen van
pleizier, omdat ze het allemaal hoorden, zonder dat moeder of Liesje
het bemerkte, maar ze hielden zich doodstil.
Daar klonk buiten een stap.
"Stil," zei moeder en wierp de lepel op haar bord, "pak eens aan
Liesje. Daar is hij!" en doodsbleek viel ze in de kussens. Liesje greep
het bordje, legde broertje in moeders arm en wilde naar de deur loopen,
maar deze werd zachtjes geopend en daar stond hij, druipend van regen.
Vragend zag hij naar binnen: "Vader!" gilde Liesje en wierp zich
in zijn armen. Snikkend nam hij haar op en bedekte haar gezichtje,
haar haren, haar oogen met kussen, terwijl hij naar de bedstee liep.
"Leendert!" stamelde de zieke en vader boog zich nu over haar en
zeide schor van het schreien: "Ben je ziek, Elsje, ziek en--" toen
zag hij het kleintje in haar armen.
"Een jongen. Leendert, die jouw naam draagt." En vader nam ook dit
kind in zijn armen en kuste het. Toen ging hij voor het bed zitten
met de hand van de zieke in de zijne en Liesje klom op zijn knie en
vleide zich tegen hem aan en aaide hem in het gezicht en veegde met
haar zakdoek zijn tranen af. Toen begonnen ze te vertellen, heel zacht,
maar de dwergen wisten wel wat ze vertellen zouden en wachtten totdat
ze kwamen aan het verhaal van de stukjes goud.
"Och kom," zei vader, "was het goud?"
"Ja, heusch, de mijnheer in het witte huis zei het ook en hij heeft
me er geld voor gegeven en ik heb nog meer." Ze sprong van vaders
schoot en haalde de goudklompjes uit de kast. Vader stond nu ook op
en greep den zak, die hij achteloos op de tafel geworpen had.
"Zou het toch?" prevelde hij, hij greep er in en haalde den anderen
klomp goud er uit, dien hij onder de lamp bekeek.
"Dit lijkt ook goud, maar--dan moet ik te weten komen, wie dat in het
park verloren heeft. Nu begrijp ik er niets meer van." Hij bekeek de
kleine stukjes en dan weer den grooten klomp.
Nu vonden de dwergen het tijd zich er mee te bemoeien. Ze traden naar
voren en bleven voor vader en Liesje staan.
"O, daar zijn die lieve, goeie aardmannetjes weer, vader. Och, wat ben
ik blij, dat u ze nu ook eens kan bedanken. Kijk moeder, daar zijn ze."
"Dat is heelemaal niet noodig," zei Orleman. "Wij hebben slechts onzen
plicht gedaan. Onze wijze koning had ons gezegd, dat we dit goud en
dat andere ook moesten geven aan menschenkinderen, die er gelukkig door
zouden worden. En wij zijn heel blij, dat we die gevonden hebben. Het
is voor u.--Weest gelukkig."
"Is het werkelijk voor mij. Dan zal ik eerst al het geld terug geven
aan de menschen, van wie ik het in bewaring had. En met de rest gaan
we naar een vreemd land, waar we een nieuw leven kunnen beginnen. Ge
zult zien, dat ge het geen onwaardigen hebt gegeven."
"Dan is alles goed; anders verlangen wij niet. Onze zending is
volbracht. Weest gelukkig!" antwoordde Orleman en met een vriendelijken
groet verdwenen zij, onder de dankbetuigingen van vader en moeder
en Liesje.
De koning zat juist voor het raam te kijken, toen zijn kleine
onderdanen terug kwamen van den langen tocht. Hij wenkte, dat ze
binnen moesten komen.
"Wel?" vroeg zijne Majesteit. "Hebt ge hen gevonden."
"Sire, door den klomp goud, hebben we een geheel gezin liet verloren
geluk weergegeven," zei de Orleman en ze moesten alles haarfijn
vertellen.
"Zoo is het goed. Aan deze menschen is het goud goed besteed. Ge hebt
me uitstekend begrepen en uw plicht gedaan. Gij verdient beloond te
worden; ik benoem u beiden tot eerste raadgevers van hare koninklijke
Hoogheid." Zijne Majesteit reikte hun beiden de hand, die zij kusten
en dankbaar verlieten zij het paleis. De goudklomp had ook hun geluk
gebracht.