In een wip waren ze weer op den schoorsteen. Nog niet dadelijk gingen
ze omlaag. Ze staken hun beenen in de pijp en gingen tegenover elkaar
op den rand zitten. De zakdoek namen ze tusschen zich in en als twee
jongens, die onder een brugleuning, steentjes in het water werpen,
zoo gooiden zij de stukjes goud door den schoorsteen naar beneden.
Liesje was nog niet ontwaakt, de lamp brandde nog.
In de bedstee was het ook stil. Alleen de wind bromde en blies den
hagel in hun gezicht. Maar zij lachten er om en verkneukelden zich
bij de gedachte wat Liesje wel zeggen zou, als ze straks dat goud
zou vinden.
Eindelijk lagen alle stukjes beneden, maar Liesje had er nog niets
van bemerkt.
"Ga mee kijken, kom," riep Orleman, die niet langer wachten wilde. "Ik
zal haar wakker maken," en ze lieten zich weer naar beneden glijden
en stonden nu naast elkander hand aan hand onder den schoorsteen.
Orleman maakte een paar sprongen en riep: Psst! psst!
Liesje bewoog zich even, verlegde haar hoofdje, dat op haar armen
rustte, maar deed de oogen niet open. Ze was zeker erg koud geworden,
want ze huiverde in haar slaap.
"Arm schaap. Ze zal ziek worden van de kou. Ze moet wakker worden,
dan zal ik haar naar bed sturen," zei Orleman; meteen nam hij een
goudklompje en wierp het juist tegen haar neus.
Liesje droomde, dat de Engelen sterretjes uit den hemel naar beneden
wierpen en dat zij ze mocht opvangen. Eén viel juist op haar neus. Ze
tilde het hoofdje op, wreef zich de oogen uit, nog eens, nog eens.
Droomde ze nog? Daar lag een goud sterretje op de tafel. En
wat schitterde daar allemaal onder den schoorsteen. Allemaal
sterretjes!? Ze durfde niet opstaan, uit vrees van dien mooien droom
te verstoren en staarde maar voor zich uit. Toen ontdekte ze de beide
dwergen en bleef met open mond hen aankijken, stom van verbazing.
Nu lachten de aardmannetjes en knikten tegen Liesje.
"Kom," zei Orleman zacht, "neem het maar. Het is goud voor jou, lief
kind. Omdat je alleen aan je moeder denkt en je broertje, daarom
krijg je dit van de aardmannetjes."
"Voor mij," vroeg ze nu.--"Is het heusch goud voor mij? Mag ik daar
eten voor koopen. Melk voor moeder en voor broertje, hout voor den
haard en--."
"Ja, alles mag je er voor koopen. Dan zal moeder weer beter worden
en broertje groeien en jij geen honger meer hebben, en als je vader
terug komt, zal hij jelui niet zoo treurig vinden."
Nu stond Liesje op en kwam naar de dwergjes toe.
"Komt vader terug? Kent u vader? Hij heeft geen kwaad gedaan, dat
kan niet, ik weet het zeker. Moeder weet het zeker," riep ze haastig
achter elkaar.
"Neen, kind je vader heeft geen kwaad gedaan. Hij zal wel komen. Koop
morgen ochtend gauw alles, wat je noodig hebt. Neem een paar van die
goudstukjes, breng ze bij dien heer in het witte huis en hij zal
je er geld voor geven. De rest bewaar je maar. Ga nu gauw slapen,
want anders wordt je nog ziek en je moet je kracht bewaren."
"O, lieve, lieve dwergjes, wat ben ik blij, wat ben ik blij. Ik dank
u wel" en ze vloog op de mannetjes toe en kuste hen op de beide wangen.
"Neen, neen," riep Orleman "dat zijn we niet gewend" en meteen zetten
ze het op een loopen en verdwenen door den schoorsteen. Boven keken
ze nog even om.
Liesje kleedde zich vlug uit, blies de lamp uit en stapte in bed. Toen
hoorden ze nog heel zacht: "Dank u, lieve Heer. Wil u mijn moeder
beter maken en vader bij ons laten komen en mij helpen. Amen."--Toen
werd het stil en de kleine vrienden gingen dankbaar naar huis.
Den volgenden avond, toen de zon onderging stonden de beide vrienden in
het park van de groote stad, waar zij den vorigen nacht de gevangenis
bezocht hadden. Ze zetten zich neer, op een steenen bank onder
een paar groote boomen, alsof het een heerlijke zomeravond was. De
beentjes trokken ze omhoog, de ellebogen steunden ze op de knieën en
met de handen onder het hoofd, bleven ze stil zitten. Menschen gingen
met vluggen tred voorbij. Meest mannen, die van hun werk kwamen en
verlangend naar huis, naar vrouw en kinderen, zich haasten er te
komen. Het regende fijntjes. De grond was nat, de boomen dropen,
maar de dwergen bleven rustig zitten en wachtten. Een paar meisjes
kwamen voorbij hollen: "Ik ben zoo bang," zei het eene. "Hoe durf
je eigenlijk nu nog door het park met dat vuile weer." "Och, kom,
gauw maar, deze weg is veel korter," en weg waren ze. Langen tijd
kwam er niemand meer langs. Daar klonk opeens weer een mannenstap.
"Hij is 't," zei Orleman. "Ja, ja!" zei Soliman. Ze schoven een
beetje in het hoekje van de bank en bleven weer zitten. De man kwam
nader. Hij liep net alsof hij vermoeid was en keek naar alle kanten
rond. Hij had een zak op den rug. Langzaam naderde hij de bank en
mompelde in zich zelf:
"Zou ik dat heusch verleerd zijn, of ben ik zoo zwak geworden. Ik
moet een oogenblik rusten. Ik ben toch vroeg genoeg voor den trein,"
en hij sleepte zich haast naar de bank en viel er op neer.
De dwergen zaten doodstil in hun hoekje in het donker van de hooge
leuning. Hij zag hen niet, maar rustte, stil om zich heen ziende. Toen
hief hij eensklaps zijn hoofd omhoog, naar den hemel, vouwde de handen
en snikkend boog hij het hoofd. Daar ritselde iets en met een doffen
klank viel een steen voor zijn voeten neer. Hij keek er naar en bleef
kijken. Niettegenstaande de vallende duisternis glinsterde de steen
hem tegen.
Hij wreef zich over het voorhoofd. "Wat heb ik nu?" mompelde hij. "Dat
heb ik vannacht gedroomd. Ik slaap toch niet meer." Hij stampte op
den grond.
Hij kneep zich in zijn arm. Hij beproefde op te staan, maar zonk
weer terug op de bank; zijn beenen voelden loodzwaar. Hij raakte met
zijn voet den steen aan.--"Kom, ik ben een dwaas," zei hij tot zich
zelf. "Het is natuurlijk een steen. Het komt door dien droom. Ik moet
verder, of ik kom te laat aan den trein."
Met inspanning gelukte het hem weer overeind te komen, maar hij
kon zijn oogen niet van den steen afhouden. Hij wilde er om heen
loopen, maar bleef staan. "Och, wat is dat dan toch. Het lijkt net
goud. Waarom zou ik hem niet meenemen? 't kan toch geen kwaad, al is
het een dwaasheid." Hij bukte zich, raapte den steen op en stak hem
in den zak, die hij weer op zijn rug hing. Toen ging hij verder.
Orleman en Soliman kwamen nu van hun zitplaats.
"Zie zoo--hij begrijpt het nog niet," zei Soliman.
"Maar hij zal het wel zien en ik wil er bij wezen. Ga je mee, dan
zijn we er eerder dan hij."
Weer stampte hij driemaal op den grond. Andermaal ging deze vaneen
en de dwergen verdwenen in de diepte, terwijl Liesjes vader zijn reis
vervolgde naar huis.