4. Gevonden.

"Ben je klaar met je zakdoek? kom dan." Weer greep Orleman Solimans

hand maar meteen riep hij nu: "Och! lieve wind, neem ons mee, neem

ons mee!" De bulderende stem van den wind antwoordde vriendelijk:

"komt maar" en meteen greep zijn machtige adem de beide vrienden beet

en voerde ze weg in razende vaart. Daar vlogen zij over bosschen en

velden, langs heuvels en dalen, door dorpen en steden, totdat Orlemans

riep: "Hola! dank je wel. We zijn er." Toen stonden ze ineens stil

op het dak van een groot somber gebouw in een groote stad. Het was

nacht. Beneden in de verlaten straten brandden duizenden lichtjes. In

dit huis was alles donker en stil. De beide dwergen liepen een eind

over het dak en kwamen bij een schoorsteen. In een oogwenk lieten ze

zich naar omlaag glijden en stonden in een gang door een enkel klein

vlammetje verlicht. Die gang liep in de rondte en aan den eenen kant

waren allemaal deuren met tralieluikjes er in. Stilzwijgend liepen ze

een poosje rond en zochten, totdat Orleman zei: "Hier is het," en voor

één der deuren staan bleef. Hij lichtte een houten luikje op en kroop

door de tralies daarachter heen. Zijn vriend volgde hem op de voet.

Juist kwam de maan een oogenblik door de wolken en wierp haar licht

door een klein getralied venster in een somber vertrek op 't gezicht

van een man, die op een bank lag uitgestrekt.

"Slaapt hij?" vroeg Soliman. "Neen," antwoordde Orleman; "hij denkt;

luister!"

"Waarom!? Waarom? Neen, ik wil niet vragen waarom; ik wil dankbaar

wezen. Morgen weer vrij; morgen, zei de advokaat zullen ze mij vrij

laten, omdat er geen bewijzen zijn voor mijn schuld. Geen bewijzen! Hoe

zou 't ook. Ik ben onschuldig--gestolen hebben ze mij het geld dat

mij was toevertrouwd. Niemand wil het gelooven. En toch was ik altijd

een eerlijk man. Heer, gij alleen weet, dat ik onschuldig ben. Had

ik geld, ik zou alles teruggeven aan hen die het verloren hebben,

al is het niet door mijn schuld. Arme vrouw, arme Liesje. Dat zij

zoo lijden moesten dat--o, die schurken--ik zou--neen--neen, ik moet

mijn vijanden vergeven.--Ik dank u Heer, dat ik mijn vrouw en kind

terug zal zien.--Maar zal ik voor hen kunnen werken! Zal ik ergens een

plaats vinden. Jij, mijn lieve vrouw, jij zal het niet gelooven. Jij

niet Liesje. Jij weet wel, dat je vader geen dief is. Och als zij er

maar niet door lijden moesten." Snikkend verborg hij het gezicht in

de handen.

En juist als hij straks gedaan had met het arme Liesje, deed Orleman

nu met den ongelukkigen vader. Zachtjes blies hij zijn adem over

het gezicht van den diep bedroefden man en de arme viel in een

verkwikkenden slaap.

Hij droomde, dat hij goud vond. Dat hij aan al die verloren hadden,

alles terug gaf, dat hij met vrouw en kind een heerlijk leven opnieuw

begon.

De dwergen verlieten zacht de cel weer en liepen door de gang de

trappen af naar beneden. Alle deuren gingen voor hen open en spoedig

verlieten zij het gebouw door de woning van den portier. Zwijgend

gingen zij voort door de straten en bereikten weldra een park. Midden

in een laan hielden ze stil. Orleman stampte driemaal op den

grond. Deze opende zich en pijlsnel schoten zij naar beneden. Door

de aarde heen kwamen ze weldra terug in hun rijk.

Toen eerst sprak Soliman: "Zullen we 't den koning vragen, of 't deze

menschen zijn?"

"Neen, Zijne Majesteit zou ons toch niet antwoorden. Ik weet zeker,

dat we dit arme kind en haren vader helpen moeten en gauw, nog dezen

nacht," antwoordde Orleman.

"Ja, nog dezen nacht. Maar we kunnen dat kind toch dien klomp goud

niet geven. Daar zou ze niets aan hebben" merkte Soliman op, verheugd,

dat hij dit nu eens het eerst had bedacht.

"Dat zullen we ook niet. We hakken er stukjes af, zooals de menschen

ze wel vinden in den grond en zooals zij ze wel meer verkoopen."

Onder het spreken waren ze weer boven de aarde gekomen bij den

vriendelijken hollen boom.

"Goede vriend," zei Orleman. "Wil je ons den klomp alsjeblieft weer

teruggeven?" want hij was altijd vriendelijk ook zelfs tegen oude,

holle boomen.

"Zeker, zeker," antwoordde de boom, die kraakte van den storm en

hij liet zijn beschermende takken los en de klomp lag vrij. "Dank je

wel, hoor."

Met veel moeite rolden ze den klomp nu een eindje op zij.

"Ziezoo," zei Orleman. "Nu zullen we een paar stukjes er af slaan." Zij

zetten hunne lantaarns zóó neer, dat het licht op den goudklomp viel

en haalden hun houweel te voorschijn. Toen Soliman hem ophief riep

Orleman echter: "Wacht nog even. De stukken zouden zoo weg kunnen

vliegen." Hij haalde zijn zakdoek uit den zak en bedekte daar den

klomp mee. Toen gingen zij aan het hakken en hakten wel stukjes van

het goud, maar de zakdoek bleef heel.--Jammer dat jongens zakdoeken

ook niet zoo gemaakt zijn.

"Genoeg!" riep Orleman. De houweel werd neergelegd, de zakdoek

opgelicht. Nu zochten ze de stukjes bij elkaar en deden die in den

zakdoek. De rest rolden ze weer weg en vertrouwden ze weer toe aan

de goede zorgen van den hulpvaardigen boom. Toen rustten ze tegen

zijn stam nog een oogenblikje uit, namen hun lantaarntjes weer op en

gingen het bosch door andermaal naar het huisje van Liesje.

Wat tante Dora vertelde · 第 20 / 35 题