"Ben je klaar met je zakdoek? kom dan." Weer greep Orleman Solimans
hand maar meteen riep hij nu: "Och! lieve wind, neem ons mee, neem
ons mee!" De bulderende stem van den wind antwoordde vriendelijk:
"komt maar" en meteen greep zijn machtige adem de beide vrienden beet
en voerde ze weg in razende vaart. Daar vlogen zij over bosschen en
velden, langs heuvels en dalen, door dorpen en steden, totdat Orlemans
riep: "Hola! dank je wel. We zijn er." Toen stonden ze ineens stil
op het dak van een groot somber gebouw in een groote stad. Het was
nacht. Beneden in de verlaten straten brandden duizenden lichtjes. In
dit huis was alles donker en stil. De beide dwergen liepen een eind
over het dak en kwamen bij een schoorsteen. In een oogwenk lieten ze
zich naar omlaag glijden en stonden in een gang door een enkel klein
vlammetje verlicht. Die gang liep in de rondte en aan den eenen kant
waren allemaal deuren met tralieluikjes er in. Stilzwijgend liepen ze
een poosje rond en zochten, totdat Orleman zei: "Hier is het," en voor
één der deuren staan bleef. Hij lichtte een houten luikje op en kroop
door de tralies daarachter heen. Zijn vriend volgde hem op de voet.
Juist kwam de maan een oogenblik door de wolken en wierp haar licht
door een klein getralied venster in een somber vertrek op 't gezicht
van een man, die op een bank lag uitgestrekt.
"Slaapt hij?" vroeg Soliman. "Neen," antwoordde Orleman; "hij denkt;
luister!"
"Waarom!? Waarom? Neen, ik wil niet vragen waarom; ik wil dankbaar
wezen. Morgen weer vrij; morgen, zei de advokaat zullen ze mij vrij
laten, omdat er geen bewijzen zijn voor mijn schuld. Geen bewijzen! Hoe
zou 't ook. Ik ben onschuldig--gestolen hebben ze mij het geld dat
mij was toevertrouwd. Niemand wil het gelooven. En toch was ik altijd
een eerlijk man. Heer, gij alleen weet, dat ik onschuldig ben. Had
ik geld, ik zou alles teruggeven aan hen die het verloren hebben,
al is het niet door mijn schuld. Arme vrouw, arme Liesje. Dat zij
zoo lijden moesten dat--o, die schurken--ik zou--neen--neen, ik moet
mijn vijanden vergeven.--Ik dank u Heer, dat ik mijn vrouw en kind
terug zal zien.--Maar zal ik voor hen kunnen werken! Zal ik ergens een
plaats vinden. Jij, mijn lieve vrouw, jij zal het niet gelooven. Jij
niet Liesje. Jij weet wel, dat je vader geen dief is. Och als zij er
maar niet door lijden moesten." Snikkend verborg hij het gezicht in
de handen.
En juist als hij straks gedaan had met het arme Liesje, deed Orleman
nu met den ongelukkigen vader. Zachtjes blies hij zijn adem over
het gezicht van den diep bedroefden man en de arme viel in een
verkwikkenden slaap.
Hij droomde, dat hij goud vond. Dat hij aan al die verloren hadden,
alles terug gaf, dat hij met vrouw en kind een heerlijk leven opnieuw
begon.
De dwergen verlieten zacht de cel weer en liepen door de gang de
trappen af naar beneden. Alle deuren gingen voor hen open en spoedig
verlieten zij het gebouw door de woning van den portier. Zwijgend
gingen zij voort door de straten en bereikten weldra een park. Midden
in een laan hielden ze stil. Orleman stampte driemaal op den
grond. Deze opende zich en pijlsnel schoten zij naar beneden. Door
de aarde heen kwamen ze weldra terug in hun rijk.
Toen eerst sprak Soliman: "Zullen we 't den koning vragen, of 't deze
menschen zijn?"
"Neen, Zijne Majesteit zou ons toch niet antwoorden. Ik weet zeker,
dat we dit arme kind en haren vader helpen moeten en gauw, nog dezen
nacht," antwoordde Orleman.
"Ja, nog dezen nacht. Maar we kunnen dat kind toch dien klomp goud
niet geven. Daar zou ze niets aan hebben" merkte Soliman op, verheugd,
dat hij dit nu eens het eerst had bedacht.
"Dat zullen we ook niet. We hakken er stukjes af, zooals de menschen
ze wel vinden in den grond en zooals zij ze wel meer verkoopen."
Onder het spreken waren ze weer boven de aarde gekomen bij den
vriendelijken hollen boom.
"Goede vriend," zei Orleman. "Wil je ons den klomp alsjeblieft weer
teruggeven?" want hij was altijd vriendelijk ook zelfs tegen oude,
holle boomen.
"Zeker, zeker," antwoordde de boom, die kraakte van den storm en
hij liet zijn beschermende takken los en de klomp lag vrij. "Dank je
wel, hoor."
Met veel moeite rolden ze den klomp nu een eindje op zij.
"Ziezoo," zei Orleman. "Nu zullen we een paar stukjes er af slaan." Zij
zetten hunne lantaarns zóó neer, dat het licht op den goudklomp viel
en haalden hun houweel te voorschijn. Toen Soliman hem ophief riep
Orleman echter: "Wacht nog even. De stukken zouden zoo weg kunnen
vliegen." Hij haalde zijn zakdoek uit den zak en bedekte daar den
klomp mee. Toen gingen zij aan het hakken en hakten wel stukjes van
het goud, maar de zakdoek bleef heel.--Jammer dat jongens zakdoeken
ook niet zoo gemaakt zijn.
"Genoeg!" riep Orleman. De houweel werd neergelegd, de zakdoek
opgelicht. Nu zochten ze de stukjes bij elkaar en deden die in den
zakdoek. De rest rolden ze weer weg en vertrouwden ze weer toe aan
de goede zorgen van den hulpvaardigen boom. Toen rustten ze tegen
zijn stam nog een oogenblikje uit, namen hun lantaarntjes weer op en
gingen het bosch door andermaal naar het huisje van Liesje.