3. Wat de dwergen verder zagen.

Het was hevig begonnen te waaien. De wind gierde door de straten,

sloeg hagelkorrels in het rond en deed de boomen in de verte heen en

weer zwiepen. De maan en de sterren waren schuil gegaan achter dichte

zware wolken. Het was heelemaal donker geworden in de dorpsstraten,

waar geen enkele lantaarn brandde.

"Kom!" zei Orleman, "daarheen!" en hij trok zijn muts over de ooren

en greep de hand van zijn kameraad.

Beiden liepen nu tegen den storm en de hageljacht in, alsof ze er heel

niets van bemerkten en hadden zoo weldra het vervallen huisje bereikt.

Soliman wilde de klink oplichten, om dan naar binnen te gluren,

maar Orleman hield hem terug.

"Stil, wacht eens; hier is een pijp van een goot, laten we naar

boven klimmen." In een oogwenk waren ze op het dak. [2] Toen tegen

den schoorsteen op. Orleman was er het eerst. Hij boog zich over de

opening heen en keek naar beneden.

"In orde! Er is geen vuur onder. Ik kan zoo in de kamer zien. Kom

maar!" Meteen liet hij zich naar beneden glijden. Soliman volgde hem

zoo gauw, dat hij geen tijd had om weg te komen en zijn kameraad

op zijn schouders terecht kwam. Maar Orleman stond pal. "Ssst,

stil!" riep hij en op elkaar stonden ze daar als verstijfd onder den

grooten schoorsteen en zagen:--Aan een ruw houten tafel zat bij een

kleine lamp een meisje niet ouder dan een jaar of negen. Het lampje

wierp een zwak schijnsel op het blonde krulkopje en het schamele

jurkje van het kind. Het hoofdje was voorovergebogen, de kleine handjes

peuterden aan een scheur in een paars jakje van een heel klein kind. In

het vertrekje, was verder niets dan nog een stoel, maar het zag er

zindelijk uit. De wind bulderde door den wijden schoorsteen en deed

de wanden kraken.

Angstig keek het meisje op, achter zich naar de bedstee, waarvan de

gordijnen gesloten waren.

Het gezichtje was bleek en vermagerd en tranen kwamen in de oogjes.

"Och, lieve Heer," prevelde zij "als moeder maar niet wakker wordt. Och

ik ben zoo bang alleen. Och, lieve Heer, en we hebben zoo'n honger,

och laat vader toch thuis komen. Als vader maar wist van moeder en van

't broertje. Waarom hebben ze vader ook weggehaald. Hij heeft toch

geen kwaad gedaan. Ik weet niet meer, wat ik nu verkoopen moet. De

lamp is alles. Olie is er toch ook niet. Had ik maar geld voor moeder

en voor broertje." De gevouwen handjes in haar schoot, keek ze angstig

om zich heen.

"Drinken," fluisterde eene stem uit de bedstee. Haastig sprong ze op

en vloog er heen. Ze schoof de gordijnen weg. Het vreeselijk vermagerd

gezicht van een nog jonge vrouw kwam te voorschijn. De donkere oogen

zochten angstig rond: "Is vader daar, lieveling.--Ja hè. Ben je daar

Leendert. Geef me wat drinken."--

"Hier, moesje, hier drinkt u maar eens. Vader komt gauw."

"Ja, gauw dan, gauw," stamelde de zieke, dronk haastig en liet het

moede hoofd weer in de kussens vallen.

"Ja moesje, vader komt," snikte het kind en boog zich over haar moeder

en drukte een kus op haar wang.

"Ja, vader komt, Liesje en dan wordt alles weer goed. Hij is

onschuldig--ze kunnen hem niet langer houden--Ga nu slapen, kindje--of

jij wordt ook ziek. Kom gauw--slapen"--en de zieke sloot de oogen en

sliep zelve weer in.

Door het bulderen van den storm heen klonk nu een zacht steunend

schreien. Liesje greep in de bedstee naast moeder en nam er iets

uit. Het gezichtje van een heel klein kindje kwam uit een wollen doek

te voorschijn. Zij nam het kindje in haar armen greep een fleschje

met een beetje melk er in en deed de speen in het open schreiende

mondje. Maar het kleintje lustte zeker de melk niet, want toen het

een trekje had gedaan, spoog het de speen weer uit en begon heviger

te krijten. "Stil dan, broertje"--suste Liesje, en ze legde het mondje

tegen haar wang en begon heen en weer te loopen en een wiegeliedje te

zingen. Toen werd ze moe en ging zitten, maar dat wilde broertje niet;

hij begon luider te schreien. Liesjes beentjes trilden. Ze stond weer

op en fluisterde sussend: "Stil dan, moesje slaapt. Als vader komt

zullen we een vuurtje maken, dan krijg je een warm fleschje dat is

ook zoo koud hè. Stil maar, suja, suja." En ze suste het hongerige

kind tot het van vermoeienis weer in slaap viel. Toen legde ze het

heel voorzichtig weer naast moeder en schoof de gordijntjes weer dicht.

"Och had ik maar geld dan zou moeder wel beter worden en broertje

niet zoo schreien en wel groeien net als andere kindertjes. Och

als vader thuis komt, wat zal hij verdrietig zijn, dat hij moeder

zoo vindt. Ik weet niet meer, wat ik doen moet zoo alleen. Woonden

we nog maar in ons oude huis aan de vaart in de stad. Dat moeder ook

alles moest verkoopen. Hier kennen we ook niemand. Moeder wou ook niet

vragen. Och, als vader maar terug kwam. Die vreeselijke menschen ook

die vader bestolen hebben--arme vader!" en snikkend liet ze het hoofd

op de armen vallen voorover op de tafel.

Nog steeds stonden de dwergen daar. Liesje had ze niet opgemerkt. De

tranen liepen langs hun wangen. Die van Soliman vielen op Orlemans

neus. Maar ze durfden zich niet bewegen om ze af te regen.

"Ik kan het niet langer aanzien," fluisterde hij. "Ik zal haar even

helpen." Meteen zette hij zijn lippen vooruit en begon heel fijn te

blazen. De krulletjes om Liesjes hoofd woeien op. Ze zuchtte even

en--was in slaap gevallen en droomde. Een heerlijken droom van vader

en moeder en broertje en een prachtigen tuin met lekkere vruchten. Zij

mocht plukken en ze aten er van zooveel ze wilden. En moeder had roode

wangen en lachte en vader keek maar al naar broertje dat, ook lachend,

op zijn arm zat.

"Vooruit nu," zei Orleman, "naar boven!" En Soliman trok zich aan

een langen spijker omhoog. Orleman greep zijn eenen been, trok zich

aan hem op, zoo ook naar boven. In een oogwenk zaten beiden boven op

den schoorsteen. Tranen biggelden langs hun wangen.

"Wacht even," zei Orleman en hij ging op den rand van den schoorsteen

zitten en liet zijn beentjes naar beneden bengelen. Soliman tegenover

hem. Toen namen ze hunne roode zakdoeken en veegden hun tranen af.

"Die is 't" zei Soliman. "Die kan 't zijn!" antwoordde Orleman

voorzichtiger. "We moeten eerst dien vader zien.

"Juist juist! we moeten eerst dien vader zien."

Wat tante Dora vertelde · 第 19 / 35 题