Het was hevig begonnen te waaien. De wind gierde door de straten,
sloeg hagelkorrels in het rond en deed de boomen in de verte heen en
weer zwiepen. De maan en de sterren waren schuil gegaan achter dichte
zware wolken. Het was heelemaal donker geworden in de dorpsstraten,
waar geen enkele lantaarn brandde.
"Kom!" zei Orleman, "daarheen!" en hij trok zijn muts over de ooren
en greep de hand van zijn kameraad.
Beiden liepen nu tegen den storm en de hageljacht in, alsof ze er heel
niets van bemerkten en hadden zoo weldra het vervallen huisje bereikt.
Soliman wilde de klink oplichten, om dan naar binnen te gluren,
maar Orleman hield hem terug.
"Stil, wacht eens; hier is een pijp van een goot, laten we naar
boven klimmen." In een oogwenk waren ze op het dak. [2] Toen tegen
den schoorsteen op. Orleman was er het eerst. Hij boog zich over de
opening heen en keek naar beneden.
"In orde! Er is geen vuur onder. Ik kan zoo in de kamer zien. Kom
maar!" Meteen liet hij zich naar beneden glijden. Soliman volgde hem
zoo gauw, dat hij geen tijd had om weg te komen en zijn kameraad
op zijn schouders terecht kwam. Maar Orleman stond pal. "Ssst,
stil!" riep hij en op elkaar stonden ze daar als verstijfd onder den
grooten schoorsteen en zagen:--Aan een ruw houten tafel zat bij een
kleine lamp een meisje niet ouder dan een jaar of negen. Het lampje
wierp een zwak schijnsel op het blonde krulkopje en het schamele
jurkje van het kind. Het hoofdje was voorovergebogen, de kleine handjes
peuterden aan een scheur in een paars jakje van een heel klein kind. In
het vertrekje, was verder niets dan nog een stoel, maar het zag er
zindelijk uit. De wind bulderde door den wijden schoorsteen en deed
de wanden kraken.
Angstig keek het meisje op, achter zich naar de bedstee, waarvan de
gordijnen gesloten waren.
Het gezichtje was bleek en vermagerd en tranen kwamen in de oogjes.
"Och, lieve Heer," prevelde zij "als moeder maar niet wakker wordt. Och
ik ben zoo bang alleen. Och, lieve Heer, en we hebben zoo'n honger,
och laat vader toch thuis komen. Als vader maar wist van moeder en van
't broertje. Waarom hebben ze vader ook weggehaald. Hij heeft toch
geen kwaad gedaan. Ik weet niet meer, wat ik nu verkoopen moet. De
lamp is alles. Olie is er toch ook niet. Had ik maar geld voor moeder
en voor broertje." De gevouwen handjes in haar schoot, keek ze angstig
om zich heen.
"Drinken," fluisterde eene stem uit de bedstee. Haastig sprong ze op
en vloog er heen. Ze schoof de gordijnen weg. Het vreeselijk vermagerd
gezicht van een nog jonge vrouw kwam te voorschijn. De donkere oogen
zochten angstig rond: "Is vader daar, lieveling.--Ja hè. Ben je daar
Leendert. Geef me wat drinken."--
"Hier, moesje, hier drinkt u maar eens. Vader komt gauw."
"Ja, gauw dan, gauw," stamelde de zieke, dronk haastig en liet het
moede hoofd weer in de kussens vallen.
"Ja moesje, vader komt," snikte het kind en boog zich over haar moeder
en drukte een kus op haar wang.
"Ja, vader komt, Liesje en dan wordt alles weer goed. Hij is
onschuldig--ze kunnen hem niet langer houden--Ga nu slapen, kindje--of
jij wordt ook ziek. Kom gauw--slapen"--en de zieke sloot de oogen en
sliep zelve weer in.
Door het bulderen van den storm heen klonk nu een zacht steunend
schreien. Liesje greep in de bedstee naast moeder en nam er iets
uit. Het gezichtje van een heel klein kindje kwam uit een wollen doek
te voorschijn. Zij nam het kindje in haar armen greep een fleschje
met een beetje melk er in en deed de speen in het open schreiende
mondje. Maar het kleintje lustte zeker de melk niet, want toen het
een trekje had gedaan, spoog het de speen weer uit en begon heviger
te krijten. "Stil dan, broertje"--suste Liesje, en ze legde het mondje
tegen haar wang en begon heen en weer te loopen en een wiegeliedje te
zingen. Toen werd ze moe en ging zitten, maar dat wilde broertje niet;
hij begon luider te schreien. Liesjes beentjes trilden. Ze stond weer
op en fluisterde sussend: "Stil dan, moesje slaapt. Als vader komt
zullen we een vuurtje maken, dan krijg je een warm fleschje dat is
ook zoo koud hè. Stil maar, suja, suja." En ze suste het hongerige
kind tot het van vermoeienis weer in slaap viel. Toen legde ze het
heel voorzichtig weer naast moeder en schoof de gordijntjes weer dicht.
"Och had ik maar geld dan zou moeder wel beter worden en broertje
niet zoo schreien en wel groeien net als andere kindertjes. Och
als vader thuis komt, wat zal hij verdrietig zijn, dat hij moeder
zoo vindt. Ik weet niet meer, wat ik doen moet zoo alleen. Woonden
we nog maar in ons oude huis aan de vaart in de stad. Dat moeder ook
alles moest verkoopen. Hier kennen we ook niemand. Moeder wou ook niet
vragen. Och, als vader maar terug kwam. Die vreeselijke menschen ook
die vader bestolen hebben--arme vader!" en snikkend liet ze het hoofd
op de armen vallen voorover op de tafel.
Nog steeds stonden de dwergen daar. Liesje had ze niet opgemerkt. De
tranen liepen langs hun wangen. Die van Soliman vielen op Orlemans
neus. Maar ze durfden zich niet bewegen om ze af te regen.
"Ik kan het niet langer aanzien," fluisterde hij. "Ik zal haar even
helpen." Meteen zette hij zijn lippen vooruit en begon heel fijn te
blazen. De krulletjes om Liesjes hoofd woeien op. Ze zuchtte even
en--was in slaap gevallen en droomde. Een heerlijken droom van vader
en moeder en broertje en een prachtigen tuin met lekkere vruchten. Zij
mocht plukken en ze aten er van zooveel ze wilden. En moeder had roode
wangen en lachte en vader keek maar al naar broertje dat, ook lachend,
op zijn arm zat.
"Vooruit nu," zei Orleman, "naar boven!" En Soliman trok zich aan
een langen spijker omhoog. Orleman greep zijn eenen been, trok zich
aan hem op, zoo ook naar boven. In een oogwenk zaten beiden boven op
den schoorsteen. Tranen biggelden langs hun wangen.
"Wacht even," zei Orleman en hij ging op den rand van den schoorsteen
zitten en liet zijn beentjes naar beneden bengelen. Soliman tegenover
hem. Toen namen ze hunne roode zakdoeken en veegden hun tranen af.
"Die is 't" zei Soliman. "Die kan 't zijn!" antwoordde Orleman
voorzichtiger. "We moeten eerst dien vader zien.
"Juist juist! we moeten eerst dien vader zien."