Aan den rand van den weg zaten eenige veldarbeiders uit te rusten. Ze
spraken luid met elkaar en lachten, maar één zat een eind van de
anderen af en scheen droevig gestemd. Soliman stootte Orleman aan en
achter een paar hooge planten bleven ze luisteren. Niet naar hetgeen
die anderen zeiden, maar naar dat wat de eenzame dacht.
"Als ik rijk was, ik stak geen hand meer uit, ik keek naar 't veld niet
om. De boer lijkt wel mal, dat hij zich er nog om vermoeit. Als die
boerderij van mij was. Ik zou de knechts wel voortjagen. Ze moesten
eens bij me komen om hooger loon! en zijn paarden te sparen! Met de
zweep voortjagen zou ik ze. Zijn oude moeder houdt hij ook thuis en
dat lamme kind van zijn zuster. Ik zou ze, neen hoor, ik nam het er
beter van. Ik wou, dat ik geld had--en die anderen, ze lachen maar,
en ze werken maar en--". "Kom," zei Orleman, "hij is het niet. Geld
kan hem niet gelukkig maken."--Soliman was ook al opgestaan. Dezen
man kon de koning niet bedoeld hebben; en ze gingen verder.
Daar zat aan den rand van een groot water een eenzaam man. Hij zag
er deftig gekleed uit, maar vroolijk keek hij niet, het leek wel of
hij groot verdriet had zelfs en hierheen was gegaan, om dat verdriet
lucht te geven. De dwergen verscholen zich in zijne nabijheid, ze
moesten minstens op tien passen afstand komen, anders konden ze de
gedachten niet hooren.
"Mijn kind, mijn eenig kind. Ik had je zoo lief. O, hoe kon je je
vader zoo bedriegen. Och, wat helpen me al mijn schatten, nu mijn
kind slecht is...."
"Ga mee," zei Orleman, terwijl de tranen hem langs de wangen liepen,
"ik heb medelijden met den man, misschien kunnen we hem later helpen;
maar de klomp goud kan hem zijn geluk niet weergeven."
En ze gingen verder, zwijgend, vervuld van medelijden met den
rijken man.
Daar stond op den weg een kermiswagen. Een troepje havelooze kinderen
stoeide in het gras. Vader zat aan den kant van den weg aardappelen
te schillen. Moeder stond bij een kleine kachel in den wagen en roerde
in een pan, terwijl ze een liedje zong.
Soliman zei: "Die konden wel wat geld gebruiken" en Orleman antwoordde:
"Kan zijn, maar ze treuren niet. Hen kan de koning niet bedoeld hebben"
en ze liepen ze voorbij, zonder dat de menschen er iets van bemerkten.
Daar kwamen twee jongens aanwandelen. De eene praatte druk, maar
de ander scheen bedroefd en gaf weinig antwoord. De aardmannetjes
spitsten hunne ooren.
"Kom, je hebt toch je verstand. Zet je er over heen.
"Wie weet het volgend jaar, dan krijg je hem misschien wel. Spaar er
dan voor."
"Ja," antwoordde de bedroefde, "jij hebt goed praten. Jij kan je
fiets koopen en je roeiboot en alles wat je wilt, maar als het altijd
maar is:--Je krijgt geen fiets, dan moet je eerst mooier cijfers
hebben.--Jij hebt niet het land aan leeren, maar ik wel. Als ik geld
had, kocht ik er zelf een, en gaf ik de brui aan goeie cijfers en ik
ging de wijde wereld in en reizen en--"
"Vooruit maar," zei Orleman en ze gingen weer verder. "Die moet vooral
geen geld hebben."
Twee vrouwen stonden op den weg te praten. De eene schreide: "Ach,
al gaf je me vandaag alles wat je bezat, morgen was het toch weer
op. Al mijn verdiensten, al wat hij zelf verdient, alles wat de
jongens thuis brengen, het gaat aan drank. Wat hadden we het vroeger
niet best en nu--".
"Daar zal het ook al niet helpen," zei Orleman, "die kunnen we niet
met goud helpen."
"Neen," zuchtte Soliman, "maar laat die man voorzichtig zijn, dat
hij mij uit den weg blijft. Den drank meer lief te hebben dan zijn
vrouw en kinderen, 't is--'t is een--een schande voor een man," en
hij schudde net zoolang met het hoofd heen en weer tot Orleman het
vast hield, omdat die er duizelig van werd.
Den geheelen dag liepen ze rond en telkens zagen ze menschen en
kinderen, die bedroefd waren en ieder keer hoorden ze de woorden of
gedachten: "Als ik maar geld had." Maar de bedroefden waren meest met
geld niet te helpen en degenen die geld verlangden, zouden er niet
wezenlijk gelukkiger door worden, of moesten wachten, totdat ze het
verdiend hadden.
Eindelijk waren ze zoo moe van het zoeken, dat ze even moesten
uitrusten.
"Had je nu gedacht, dat het zoo moeielijk was," zei Soliman, toen
hij een beetje op adem was gekomen.
"Ik wist het wel, ik wist het wel. Ze verlangen allemaal naar, wat
ze niet krijgen kunnen. Zelfs kinderen denken wel, dat als ze iets
moois konden koopen, ze veel gelukkiger zouden zijn. Maar hen meent
de koning niet, hen niet. Wat zullen we doen?"
Het was reeds heelemaal donker geworden. Ze zaten aan het einde van
een klein dorp dicht bij het bosch waar ze woonden. Het was juist
de tijd, waarop al de aardmannetjes naar boven komen, om zich met
de zaken der menschenkinderen te gaan bemoeien. Overal werden de
lichten uitgeblazen en gingen de groote menschen slapen, om kracht
te verzamelen voor het werk van den volgenden dag.
"Hier zullen we niet vinden, wat we zoeken, we moeten eigenlijk
naar die groote stad ginds. Hier zijn de menschen tevreden met hun
dagelijksch brood en wie eens niet genoeg heeft, krijgt het van
anderen," merkte Soliman op.
Maar Orleman hoorde niet, wat hij zei, want juist keek hij in de
verte naar een klein lichtje, dat bleef schijnen door een oud verweerd
venstertje van een klein, vervallen huis.
Ssst! Ssst! deed hij tusschen de tanden en zette zijn vinger tegen
zijn neus, alsof hij dacht, dat hij nu eens een goeden inval had.