1. Orleman en Soliman vinden den goudklomp.

In een groot bosch woonden de aardmannetjes onder een boom. De ingang

naar hun verblijf was in den hollen stam. Zij werkten daar beneden

heel ijverig. Het was soms zoo'n gehamer en geklop, dat de mieren er

hard voor op de vlucht gingen, omdat ze meenden, dat er onraad was. De

dwergen zochten naar prachtige steenen, waarvan ze dan huizen bouwden

voor de prinsen en prinsessen. Zoo waren er twee van hen, Orleman en

Soliman, weer eens uitgegaan om steenen te zoeken, heel diep in de

aarde. Het baardje van Orleman veegde bij iederen hak over de ruwe

steenen en er kwam al een heel fijn puntje aan, maar hij merkte er

niets van. De voeten van Orleman werden al dunner en dunner van het

schuiven over de puntige rotsblokken, maar hij merkte het ook niet. Ze

waren veel te druk met hun werk bezig en hadden al een groote massa

prachtige, gekleurde steentjes uitgezocht om een nieuw huis te maken

voor de jongste prinses die heel gauw ging trouwen en dan toch een

eigen woning hebben moest.

Doch opeens gaf Orleman een harde gil, zoodat Soliman van schrik zijn

houweel op zijn kleine teen liet vallen en driemaal over zijn hoofd

duikelde, waarbij hij telkens over zijn eigen baard struikelde. Toen

hij wat van de schrik bekomen was, zei hij: "Maar wat is er dan toch

Orleman. Wat heb je dan toch?" Orleman stond als razend in de rondte

te draaien, zoodat je niets anders zien kon dan een enkele roode vlek,

omdat hij een rood pakje aan had.

Orleman hield nu ook op met draaien en daar de ruimte waar hij stond

te klein was om te vallen, bleef hij op zijn beentjes staan, hoewel

hij niets meer zien kon.

"Kijk jij dan," gilde hij uit--"Goud--echt goud."

"Och wat?" zei Soliman, misschien omdat hij nooit gehoord had,

dat de jongens op straat wel eens wat anders zeggen of omdat hij te

fatsoenlijk was, om straattaal te gebruiken, maar hij zei alleen,

"och wat." Hij wipte over een paar steenen naar Orleman toe en bleef

verstomd staan kijken.

"Ja, ja," knikte hij en eindelijk kwam het ook over zijn lippen,

"Ja, ja! 't _is_ echt goud." Toen grepen ze elkaar beet en dansten,

voorover achterover, links en rechts zoo'n echt mooien dwergendans,

zooals niemand ooit heeft gezien en Orleman gilde daarbij zoo hard,

dat het niet veel scheelde of hij had zijn tong ingeslikt. Gelukkig,

dat Soliman het nog net bemerkte en gauw de punt greep en het roode

lapje weer naar buiten trok. Toen besloten ze samen zoo verstandig

te wezen als één menschenkind en te beraadslagen wat ze nu met dien

klomp zouden beginnen.

"Weet je wat," zei Orleman na veel over en weer praten: "Als de

jongens wat uit willen maken, gooien ze altijd hun petten op."

"Goed," zei Soliman, die altijd vond dat Orleman zoo wijs kon

redeneeren, als een schooljongen--en ze gooiden de mutsen op, maar toen

ze voor hen lagen, wisten ze niet verder, want die lange puntmutsjes

vielen aldoor op zij en zoo kon je er geen wijs uit worden, al was

je de knapste schooljongen geweest.

"Nou," zei Orleman weer, "dan weet ik nog wat." En Soliman luisterde

al met een open mond, zoodat Orleman net zien kon, dat hij geen

verstandskies had. "We brengen hem aan den koning." "Ja, aan den

koning, die is een wijs man en zal wel weten, wat we er mee moeten

beginnen."

"Vooruit dan maar laten we hem samen opnemen."

Nu zijn aardmannen altijd heel sterk, net zoo sterk als .... als.... je

ze maar hebben wil, al zijn ze ook nog zoo klein. Maar of ze nu te

hard moesten lachen of dat het ergens anders van was, ze waren toch

niet sterk genoeg, om den klomp op te tillen. Hoe ze rukten en trokken

ze konden hem niet verwikken of verwegen. De goudklomp bleef liggen

waar hij lag. Toen bogen de arme dwergen hunne hoofden diep op hun

borst met den neus in den baard en schreiden van verdriet.

Juist voelden ze een raar gekriebel over hun voeten. Daar kwam een

groot leger mieren aangewandeld.

Orleman, was heel goedig van aard en altijd goede vrienden ook met de

mieren. Dikwijls was hij ergens anders gaan hakken en graven, omdat

hij hen in den weg zat, maar nu, dacht hij, was het hun beurt eens te

toonen, dat ze hem waardeerden. Gelukkig had hij, toen hij nog jong

was, de mierentaal heel goed geleerd; hij bedacht zich niet lang, maar

sprak een baas van het troepje vriendelijk aan en vroeg hem om hulp.

De mieren waren heel blij en zetten vroolijke gezichten, omdat ze

hem nu helpen konden en op bevel van het opperhoofd gingen ze met

hun allen op den klomp goud af.

Het ging wel heel langzaam maar toch ging de klomp vooruit en kwam

ten laatste aan voor het paleis van den koning.

Orleman bedankte de mieren vriendelijk voor de hulp en ging

dadelijk naar het paleis, waar hij vroeg bij den koning te worden

toegelaten. Zijne Majesteit was juist thuis en zat in zijner Majesteits

kamerjapon aan de tafel op zijn rijk met edelsteenen versierden troon

'n gouden pijp te rooken, toen Orleman binnen trad. "Wat--pff--verlangt

gij pff! Orleman?" pff pff!

"Sire," sprak deze, en boog driemaal, zoodat het puntje van zijn baard

den grond raakte; "Sire, we komen tot Uwe Majesteit, omdat we weten,

dat uwe Majesteit niet wijs is--hm--hm--alleen, maar ook goedertierend

en daarom zeker goeden raad zal geven. We hebben bij het zoeken naar

steenen voor het paleis van hare Koninklijke Hoogheid prinses Orélata

een klomp goud gevonden die we voor het paleis hebben laten brengen."

De koning, zooals wijze menschen ook doen, antwoordde niet dadelijk,

omdat het dan net leek of hij diep nadacht. Hij stond op, trok een paar

maal heel geleerd aan zijne lange pijp en ging met afgemeten stappen

naar het venster, waar hij den klomp goud kon zien liggen. Hij sprak

niet, voordat hij wist, wat hij zeggen zou en ook toen wachtte hij

nog, totdat hij weder op zijn troon zat, omdat de woorden dan nog

veel meer indruk maakten. Toen tikte hij met de pijp op tafel en

sprak langzaam deze woorden:

"Orleman, we zijn je dankbaar, voor je vertrouwen.

"Wij hebben reeds zooveel goud en edelsteenen in onze

schatkamers. Breng dezen klomp naar de aarde en geef hem het

menschenkind dat treurt en dit goud noodig heeft voor zijn geluk." Toen

wenkte de koning, dat Orleman kon vertrekken en hij ging. Wel begreep

hij niet, wat de koning bedoelde, maar zoo ging het meestal, dan

moesten de dwergen het maar uitvinden, vragen mochten ze niet.

Toen Orleman buiten kwam en 's konings woorden aan Soliman meedeelde,

krabden beiden hunne baarden en besloten ze, maar eerst te zorgen,

dat de klomp de aarde bereikte. De mieren hielpen weer en met vereende

krachten kwam de klomp bij den hollen boom, en viel eindelijk met

zoo'n harden slag op de aarde neer, dat het gezang van de vogels een

oogenblik verstomde.

"Zie zoo," zei Orleman, "nu niet verder. Laten we nu eerst eens

beraadslagen naar welken kant we hem nu moeten brengen," en hij ging

er boven opzitten om eens uit te rusten en na te denken. Soliman

volgde zijn voorbeeld, terwijl de mieren rechts om keert maakten en

met stille trom den aftocht bliezen.

Toen de beide dwergen wat uitgerust waren, besloten ze den klomp

maar onder den boom te laten liggen en vroegen hem zijne takken

flink er over uit te spreiden, opdat geen roovers hem zouden

ontdekken. Onderwijl zouden zij eerst gaan zoeken naar het

menschenkind, dat de koning bedoeld had.

Zoo togen ze samen op weg.

Wat tante Dora vertelde · 第 17 / 35 题