In een groot bosch woonden de aardmannetjes onder een boom. De ingang
naar hun verblijf was in den hollen stam. Zij werkten daar beneden
heel ijverig. Het was soms zoo'n gehamer en geklop, dat de mieren er
hard voor op de vlucht gingen, omdat ze meenden, dat er onraad was. De
dwergen zochten naar prachtige steenen, waarvan ze dan huizen bouwden
voor de prinsen en prinsessen. Zoo waren er twee van hen, Orleman en
Soliman, weer eens uitgegaan om steenen te zoeken, heel diep in de
aarde. Het baardje van Orleman veegde bij iederen hak over de ruwe
steenen en er kwam al een heel fijn puntje aan, maar hij merkte er
niets van. De voeten van Orleman werden al dunner en dunner van het
schuiven over de puntige rotsblokken, maar hij merkte het ook niet. Ze
waren veel te druk met hun werk bezig en hadden al een groote massa
prachtige, gekleurde steentjes uitgezocht om een nieuw huis te maken
voor de jongste prinses die heel gauw ging trouwen en dan toch een
eigen woning hebben moest.
Doch opeens gaf Orleman een harde gil, zoodat Soliman van schrik zijn
houweel op zijn kleine teen liet vallen en driemaal over zijn hoofd
duikelde, waarbij hij telkens over zijn eigen baard struikelde. Toen
hij wat van de schrik bekomen was, zei hij: "Maar wat is er dan toch
Orleman. Wat heb je dan toch?" Orleman stond als razend in de rondte
te draaien, zoodat je niets anders zien kon dan een enkele roode vlek,
omdat hij een rood pakje aan had.
Orleman hield nu ook op met draaien en daar de ruimte waar hij stond
te klein was om te vallen, bleef hij op zijn beentjes staan, hoewel
hij niets meer zien kon.
"Kijk jij dan," gilde hij uit--"Goud--echt goud."
"Och wat?" zei Soliman, misschien omdat hij nooit gehoord had,
dat de jongens op straat wel eens wat anders zeggen of omdat hij te
fatsoenlijk was, om straattaal te gebruiken, maar hij zei alleen,
"och wat." Hij wipte over een paar steenen naar Orleman toe en bleef
verstomd staan kijken.
"Ja, ja," knikte hij en eindelijk kwam het ook over zijn lippen,
"Ja, ja! 't _is_ echt goud." Toen grepen ze elkaar beet en dansten,
voorover achterover, links en rechts zoo'n echt mooien dwergendans,
zooals niemand ooit heeft gezien en Orleman gilde daarbij zoo hard,
dat het niet veel scheelde of hij had zijn tong ingeslikt. Gelukkig,
dat Soliman het nog net bemerkte en gauw de punt greep en het roode
lapje weer naar buiten trok. Toen besloten ze samen zoo verstandig
te wezen als één menschenkind en te beraadslagen wat ze nu met dien
klomp zouden beginnen.
"Weet je wat," zei Orleman na veel over en weer praten: "Als de
jongens wat uit willen maken, gooien ze altijd hun petten op."
"Goed," zei Soliman, die altijd vond dat Orleman zoo wijs kon
redeneeren, als een schooljongen--en ze gooiden de mutsen op, maar toen
ze voor hen lagen, wisten ze niet verder, want die lange puntmutsjes
vielen aldoor op zij en zoo kon je er geen wijs uit worden, al was
je de knapste schooljongen geweest.
"Nou," zei Orleman weer, "dan weet ik nog wat." En Soliman luisterde
al met een open mond, zoodat Orleman net zien kon, dat hij geen
verstandskies had. "We brengen hem aan den koning." "Ja, aan den
koning, die is een wijs man en zal wel weten, wat we er mee moeten
beginnen."
"Vooruit dan maar laten we hem samen opnemen."
Nu zijn aardmannen altijd heel sterk, net zoo sterk als .... als.... je
ze maar hebben wil, al zijn ze ook nog zoo klein. Maar of ze nu te
hard moesten lachen of dat het ergens anders van was, ze waren toch
niet sterk genoeg, om den klomp op te tillen. Hoe ze rukten en trokken
ze konden hem niet verwikken of verwegen. De goudklomp bleef liggen
waar hij lag. Toen bogen de arme dwergen hunne hoofden diep op hun
borst met den neus in den baard en schreiden van verdriet.
Juist voelden ze een raar gekriebel over hun voeten. Daar kwam een
groot leger mieren aangewandeld.
Orleman, was heel goedig van aard en altijd goede vrienden ook met de
mieren. Dikwijls was hij ergens anders gaan hakken en graven, omdat
hij hen in den weg zat, maar nu, dacht hij, was het hun beurt eens te
toonen, dat ze hem waardeerden. Gelukkig had hij, toen hij nog jong
was, de mierentaal heel goed geleerd; hij bedacht zich niet lang, maar
sprak een baas van het troepje vriendelijk aan en vroeg hem om hulp.
De mieren waren heel blij en zetten vroolijke gezichten, omdat ze
hem nu helpen konden en op bevel van het opperhoofd gingen ze met
hun allen op den klomp goud af.
Het ging wel heel langzaam maar toch ging de klomp vooruit en kwam
ten laatste aan voor het paleis van den koning.
Orleman bedankte de mieren vriendelijk voor de hulp en ging
dadelijk naar het paleis, waar hij vroeg bij den koning te worden
toegelaten. Zijne Majesteit was juist thuis en zat in zijner Majesteits
kamerjapon aan de tafel op zijn rijk met edelsteenen versierden troon
'n gouden pijp te rooken, toen Orleman binnen trad. "Wat--pff--verlangt
gij pff! Orleman?" pff pff!
"Sire," sprak deze, en boog driemaal, zoodat het puntje van zijn baard
den grond raakte; "Sire, we komen tot Uwe Majesteit, omdat we weten,
dat uwe Majesteit niet wijs is--hm--hm--alleen, maar ook goedertierend
en daarom zeker goeden raad zal geven. We hebben bij het zoeken naar
steenen voor het paleis van hare Koninklijke Hoogheid prinses Orélata
een klomp goud gevonden die we voor het paleis hebben laten brengen."
De koning, zooals wijze menschen ook doen, antwoordde niet dadelijk,
omdat het dan net leek of hij diep nadacht. Hij stond op, trok een paar
maal heel geleerd aan zijne lange pijp en ging met afgemeten stappen
naar het venster, waar hij den klomp goud kon zien liggen. Hij sprak
niet, voordat hij wist, wat hij zeggen zou en ook toen wachtte hij
nog, totdat hij weder op zijn troon zat, omdat de woorden dan nog
veel meer indruk maakten. Toen tikte hij met de pijp op tafel en
sprak langzaam deze woorden:
"Orleman, we zijn je dankbaar, voor je vertrouwen.
"Wij hebben reeds zooveel goud en edelsteenen in onze
schatkamers. Breng dezen klomp naar de aarde en geef hem het
menschenkind dat treurt en dit goud noodig heeft voor zijn geluk." Toen
wenkte de koning, dat Orleman kon vertrekken en hij ging. Wel begreep
hij niet, wat de koning bedoelde, maar zoo ging het meestal, dan
moesten de dwergen het maar uitvinden, vragen mochten ze niet.
Toen Orleman buiten kwam en 's konings woorden aan Soliman meedeelde,
krabden beiden hunne baarden en besloten ze, maar eerst te zorgen,
dat de klomp de aarde bereikte. De mieren hielpen weer en met vereende
krachten kwam de klomp bij den hollen boom, en viel eindelijk met
zoo'n harden slag op de aarde neer, dat het gezang van de vogels een
oogenblik verstomde.
"Zie zoo," zei Orleman, "nu niet verder. Laten we nu eerst eens
beraadslagen naar welken kant we hem nu moeten brengen," en hij ging
er boven opzitten om eens uit te rusten en na te denken. Soliman
volgde zijn voorbeeld, terwijl de mieren rechts om keert maakten en
met stille trom den aftocht bliezen.
Toen de beide dwergen wat uitgerust waren, besloten ze den klomp
maar onder den boom te laten liggen en vroegen hem zijne takken
flink er over uit te spreiden, opdat geen roovers hem zouden
ontdekken. Onderwijl zouden zij eerst gaan zoeken naar het
menschenkind, dat de koning bedoeld had.
Zoo togen ze samen op weg.