10. Désiré overwint.

Trijntje had al niet begrepen, waar de kinderen toch bleven. Ze durfde

de laan niet uit te gaan. Had al eens over den rijweg getuurd langs

het pad en was weer terug gekeerd, bij zich zelve overleggend, of ze de

deur maar zou sluiten en eens gaan kijken. Toen zag ze net de stoet de

laan inkomen. Zus liet de hand van het meisje los en snelde op Trijntje

toe. "O Trijntje, ze dragen Tony, hij is in het water gevallen."

Trijntje verbleekte. "In het water en" .... ze liep de mannen

tegemoet. Op het zien van haar angstig gezicht riep het meisje:

"Hij is gelukkig weer bij, hoor, Siem de zwemmer heeft hem geholpen."

Trijntje lichtte de jas op en keek naar het bleeke gezicht.

Tony keek haar even aan, maar zei niets. Ze vroeg, en het meisje

vertelde wat zij wist.

"Wat zullen ze zeggen, wat zullen ze zeggen," lamenteerde Trijntje

en sloeg jammerend de handen in elkaar. "Er is niemand thuis."

Ze nam Tony op schoot en met hun allen deden ze zijn natte kleeren

uit. "Ziezoo," zei Siem, "nou afdrogen en in een wollen deken in

bed." Tony klappertande. Het andere meisje had een kruik met heet

water gevuld en Tony werd in de wollen deken gewikkeld, met de kruik

in de bedstee gestopt.

"Wat warme koffie of thee," zei Siem.

En hoewel Tony geen trek had, werd hem de warme thee met een

theelepeltje ingegoten.

"Waar is moeder," vroeg hij nog eens.

"Ja, die komt zoo," zei Siem, "ga nou maar eerst wat slapen."

"Waar ben ik?" vroeg hij weer en wreef met zijn hand over zijn hoofd.

"Hier," zei zus, "bij grootmoe in de bedstee."

Hij bekeek de bedstee, maar scheen het toch niet goed te begrijpen.

"Ik zal even naar het dorp gaan, om ze te waarschuwen," vroeg Teun. "Is

er niet een fiets van een van de jongens."

"Zeker," zei Trijn, "pak hem maar. Voorzichtig zeggen hoor, dat

de boerin niet te veel schrikt. Nou ik bedank jelui wel hoor. Siem

blijf je niet tot het volk thuis komt. Dat zullen ze niets mooi van

je vinden."

Maar Siem wou niet blijven, hij kwam nog wel eens hooren, later,

zei hij en ging nu met Teun en Jaap weg. Anneke bleef bij Trijntje

wachten, want die was bang alleen met Tony. Ze was geen kinderen

gewend. Trijntje nam zus op schoot en ze gingen met hun drieën voor

het bed zitten.

Désiré legde zijn grooten kop in den schoot van zus, en zij duwde hem

niet weg, maar streek met haar handjes liefkoozend over zijn hals. Zoo

zaten ze stil en het duurde niet lang of zusjes hoofd, viel op zij en

steunend op den kop van den hond, viel het kleine kind in slaap. In

de bedstee werd het ook stil. Tony was eveneens in slaap gevallen.

De beide meisjes spraken fluisterend met elkaar, totdat Trijntje

opsprong. "Daar ben ze!" Zus werd door den schok wakker. Ze droomde

dat Tony in het water viel en toen Trijntje haar op den stoel voor

de bedstee neerzette, riep ze: "Désiré, help dan toch."

De hond was ook ontwaakt. Zij liep op hem toe en terwijl zus zich

over hem heenboog, fluisterde zij: "Lieve goede Désiré, jij hebt hem

er uitgehaald," en ze nam zijn kop in haar armen.

Zoo vonden vader en moeder hunne kinderen terug. Zus sprong dadelijk

op en vloog schreiend op hen toe. "We konden het niet helpen! maar

Désiré heeft hem er uitgehaald," riep ze en vertelde aan één stuk,

wat er was gebeurd.

Moeder kuste haar schreiend; vader liep dadelijk naar het bed, greep

de afhangende hand van Tony en streelde zijn gezicht. Ook Désiré kwam

bij het bed en duwde zijn kop onder moeders arm door, om Tony te zien.

"Désiré," zei moeder en streelde hem, weer greep zus zijn kop en legde

haar krullebol er tegen. Zoo stonden ze toen Tony de oogen open deed.

"Vader, moeder," riep hij zacht en begon te schreien, "ik dacht,

dat ik verdronken was, ik zal het nooit weer doen."

Toen viel zijn oog op zus en den hond en hij lachte door zijn tranen

heen.

"Hij heeft je er uit gehaald," zei zus nog eens weer. "Zoete hond."

"Heb ik het niet gedroomd?" vroeg Tony.

"Neen," zei vader, "hoe is het nu? Hoe voel je je?"

"Goed vader, ik kan wel opstaan," en hij wilde overeind komen, maar

dat mocht niet.

"Hoe heeft hij den jongen tegen den kant opgekregen, dat begrijp ik

maar niet," zei grootmoeder.

"Ik heb getrokken," zei zus nu, "want hij was zoo moe, hij kon haast

niet meer."

De tranen sprongen moeder in de oogen. "Die kleine zus en die goeie

hond."

"Je bent een flinke meid, hoor," zei grootvader. "Samen heb jelui

hem dus gered."

"Wat zal je een angst gehad hebben, zoo alleen," merkte grootmoeder

weer op.

"Maar, Désiré was er toch bij," zei zus weer.

"Wat is zoo'n beest toch slim, om hulp te halen."

"Gelukkig maar, Antoon, dat we zoo'n dier hebben genomen. Eerst heeft

hij zus gered en nu Tony weer. Hij is meer dan zijn geld waard." zei

grootvader.

"Dat is zeker, ik ben blij dat we hem hebben. Kom, hier trouw beest. Je

zult het altijd goed bij ons hebben, hoor," en iedereen op zijn beurt

haalde den hond aan, die kwispelstaartte van plezier. "Désiré!" riep

Tony.

Toen sprong zus naar hem toe, bracht hem bij Tony wipte op de

teenen, boog zich over hem heen met haar arm om Désiré's hals

en fluisterde--"Nu houd ik ook van Désiré, hoor. Net zooveel

als allemaal--net zooveel als jij." En Tony kwam overeind en in

een omarming nam hij zus en Désiré. "Ja, jelui hebt me samen er

uitgehaald. Wat ben ik blij--wat ben ik blij."

En de groote menschen zagen elkander aan en grootmoeder zei: "Dat is

een zegen des Heeren," en moeder knikte van ja.

Spoedig was Tony weer hersteld. Hij was er prachtig afgekomen. Met

vader en moeder gingen de kinderen en de hond naar Siem den zwemmer,

om hem een cadeautje te brengen en naar Anneke en Teunis en Jacob,

om ook hen te bedanken. Iedereen in het dorp sprak over Désiré en

hij werd overal nagewezen: Dat is die hond. Zonder Désiré gingen de

kinderen niet meer uit, en stonden ze op het punt om heen te gaan, en

was Désiré niet te vinden, dan was zus de eerste, om te zeggen: "Wacht

u alsjeblieft nog even. Désiré is er nog niet." Hoe ver de hond ook

was, het leek wel, of hij het fijne stemmetje van zus overal hoorde.

Toen de familie weer naar huis terug gekeerd was, wist iedereen daar

ook al spoedig van de heldenfeiten van Désiré en zus. Hij kwam nu

niet alleen in de vrije uren van Tony op straat, maar iederen dag

tegen twaalf en vier uur kwam Emy met Désiré de deur uit en gingen

ze samen naar de school om Tony af te halen.

"Moeder," zei Tony, "ik geloof, dat ik nu jaloersch moet worden,

want Désiré lijkt wel meer van zus te houden dan van mij, en zij

houdt ook meer van den hond."

"Neen," zei zus ernstig, "ik houd alleen zooveel van hem, omdat hij

mijn lieven schat uit het water heeft gehaald."

"Tony maakt maar gekheid," antwoordde moeder, "hij weet wel beter."

"Och ja," zei Tony lachend, "ik ben er veel te blij om. Wij zijn nu

drie trouwe kameraden. Kom hier" en hij tilde zus op den rug van

Désiré en de drie trouwe kameraden gingen den tuin in en vader en

moeder keken hen dankbaar lachend na.

Wat tante Dora vertelde · 第 14 / 35 题