Trijntje had al niet begrepen, waar de kinderen toch bleven. Ze durfde
de laan niet uit te gaan. Had al eens over den rijweg getuurd langs
het pad en was weer terug gekeerd, bij zich zelve overleggend, of ze de
deur maar zou sluiten en eens gaan kijken. Toen zag ze net de stoet de
laan inkomen. Zus liet de hand van het meisje los en snelde op Trijntje
toe. "O Trijntje, ze dragen Tony, hij is in het water gevallen."
Trijntje verbleekte. "In het water en" .... ze liep de mannen
tegemoet. Op het zien van haar angstig gezicht riep het meisje:
"Hij is gelukkig weer bij, hoor, Siem de zwemmer heeft hem geholpen."
Trijntje lichtte de jas op en keek naar het bleeke gezicht.
Tony keek haar even aan, maar zei niets. Ze vroeg, en het meisje
vertelde wat zij wist.
"Wat zullen ze zeggen, wat zullen ze zeggen," lamenteerde Trijntje
en sloeg jammerend de handen in elkaar. "Er is niemand thuis."
Ze nam Tony op schoot en met hun allen deden ze zijn natte kleeren
uit. "Ziezoo," zei Siem, "nou afdrogen en in een wollen deken in
bed." Tony klappertande. Het andere meisje had een kruik met heet
water gevuld en Tony werd in de wollen deken gewikkeld, met de kruik
in de bedstee gestopt.
"Wat warme koffie of thee," zei Siem.
En hoewel Tony geen trek had, werd hem de warme thee met een
theelepeltje ingegoten.
"Waar is moeder," vroeg hij nog eens.
"Ja, die komt zoo," zei Siem, "ga nou maar eerst wat slapen."
"Waar ben ik?" vroeg hij weer en wreef met zijn hand over zijn hoofd.
"Hier," zei zus, "bij grootmoe in de bedstee."
Hij bekeek de bedstee, maar scheen het toch niet goed te begrijpen.
"Ik zal even naar het dorp gaan, om ze te waarschuwen," vroeg Teun. "Is
er niet een fiets van een van de jongens."
"Zeker," zei Trijn, "pak hem maar. Voorzichtig zeggen hoor, dat
de boerin niet te veel schrikt. Nou ik bedank jelui wel hoor. Siem
blijf je niet tot het volk thuis komt. Dat zullen ze niets mooi van
je vinden."
Maar Siem wou niet blijven, hij kwam nog wel eens hooren, later,
zei hij en ging nu met Teun en Jaap weg. Anneke bleef bij Trijntje
wachten, want die was bang alleen met Tony. Ze was geen kinderen
gewend. Trijntje nam zus op schoot en ze gingen met hun drieën voor
het bed zitten.
Désiré legde zijn grooten kop in den schoot van zus, en zij duwde hem
niet weg, maar streek met haar handjes liefkoozend over zijn hals. Zoo
zaten ze stil en het duurde niet lang of zusjes hoofd, viel op zij en
steunend op den kop van den hond, viel het kleine kind in slaap. In
de bedstee werd het ook stil. Tony was eveneens in slaap gevallen.
De beide meisjes spraken fluisterend met elkaar, totdat Trijntje
opsprong. "Daar ben ze!" Zus werd door den schok wakker. Ze droomde
dat Tony in het water viel en toen Trijntje haar op den stoel voor
de bedstee neerzette, riep ze: "Désiré, help dan toch."
De hond was ook ontwaakt. Zij liep op hem toe en terwijl zus zich
over hem heenboog, fluisterde zij: "Lieve goede Désiré, jij hebt hem
er uitgehaald," en ze nam zijn kop in haar armen.
Zoo vonden vader en moeder hunne kinderen terug. Zus sprong dadelijk
op en vloog schreiend op hen toe. "We konden het niet helpen! maar
Désiré heeft hem er uitgehaald," riep ze en vertelde aan één stuk,
wat er was gebeurd.
Moeder kuste haar schreiend; vader liep dadelijk naar het bed, greep
de afhangende hand van Tony en streelde zijn gezicht. Ook Désiré kwam
bij het bed en duwde zijn kop onder moeders arm door, om Tony te zien.
"Désiré," zei moeder en streelde hem, weer greep zus zijn kop en legde
haar krullebol er tegen. Zoo stonden ze toen Tony de oogen open deed.
"Vader, moeder," riep hij zacht en begon te schreien, "ik dacht,
dat ik verdronken was, ik zal het nooit weer doen."
Toen viel zijn oog op zus en den hond en hij lachte door zijn tranen
heen.
"Hij heeft je er uit gehaald," zei zus nog eens weer. "Zoete hond."
"Heb ik het niet gedroomd?" vroeg Tony.
"Neen," zei vader, "hoe is het nu? Hoe voel je je?"
"Goed vader, ik kan wel opstaan," en hij wilde overeind komen, maar
dat mocht niet.
"Hoe heeft hij den jongen tegen den kant opgekregen, dat begrijp ik
maar niet," zei grootmoeder.
"Ik heb getrokken," zei zus nu, "want hij was zoo moe, hij kon haast
niet meer."
De tranen sprongen moeder in de oogen. "Die kleine zus en die goeie
hond."
"Je bent een flinke meid, hoor," zei grootvader. "Samen heb jelui
hem dus gered."
"Wat zal je een angst gehad hebben, zoo alleen," merkte grootmoeder
weer op.
"Maar, Désiré was er toch bij," zei zus weer.
"Wat is zoo'n beest toch slim, om hulp te halen."
"Gelukkig maar, Antoon, dat we zoo'n dier hebben genomen. Eerst heeft
hij zus gered en nu Tony weer. Hij is meer dan zijn geld waard." zei
grootvader.
"Dat is zeker, ik ben blij dat we hem hebben. Kom, hier trouw beest. Je
zult het altijd goed bij ons hebben, hoor," en iedereen op zijn beurt
haalde den hond aan, die kwispelstaartte van plezier. "Désiré!" riep
Tony.
Toen sprong zus naar hem toe, bracht hem bij Tony wipte op de
teenen, boog zich over hem heen met haar arm om Désiré's hals
en fluisterde--"Nu houd ik ook van Désiré, hoor. Net zooveel
als allemaal--net zooveel als jij." En Tony kwam overeind en in
een omarming nam hij zus en Désiré. "Ja, jelui hebt me samen er
uitgehaald. Wat ben ik blij--wat ben ik blij."
En de groote menschen zagen elkander aan en grootmoeder zei: "Dat is
een zegen des Heeren," en moeder knikte van ja.
Spoedig was Tony weer hersteld. Hij was er prachtig afgekomen. Met
vader en moeder gingen de kinderen en de hond naar Siem den zwemmer,
om hem een cadeautje te brengen en naar Anneke en Teunis en Jacob,
om ook hen te bedanken. Iedereen in het dorp sprak over Désiré en
hij werd overal nagewezen: Dat is die hond. Zonder Désiré gingen de
kinderen niet meer uit, en stonden ze op het punt om heen te gaan, en
was Désiré niet te vinden, dan was zus de eerste, om te zeggen: "Wacht
u alsjeblieft nog even. Désiré is er nog niet." Hoe ver de hond ook
was, het leek wel, of hij het fijne stemmetje van zus overal hoorde.
Toen de familie weer naar huis terug gekeerd was, wist iedereen daar
ook al spoedig van de heldenfeiten van Désiré en zus. Hij kwam nu
niet alleen in de vrije uren van Tony op straat, maar iederen dag
tegen twaalf en vier uur kwam Emy met Désiré de deur uit en gingen
ze samen naar de school om Tony af te halen.
"Moeder," zei Tony, "ik geloof, dat ik nu jaloersch moet worden,
want Désiré lijkt wel meer van zus te houden dan van mij, en zij
houdt ook meer van den hond."
"Neen," zei zus ernstig, "ik houd alleen zooveel van hem, omdat hij
mijn lieven schat uit het water heeft gehaald."
"Tony maakt maar gekheid," antwoordde moeder, "hij weet wel beter."
"Och ja," zei Tony lachend, "ik ben er veel te blij om. Wij zijn nu
drie trouwe kameraden. Kom hier" en hij tilde zus op den rug van
Désiré en de drie trouwe kameraden gingen den tuin in en vader en
moeder keken hen dankbaar lachend na.