"O, Désiré," riep ze smeekend, "houd hem vast, houd hem
vast." "Help! help!" riep ze nog eens en keek om zich heen. Toen
ineens vatte ze moed, kroop op handjes en voetjes omlaag naar den
waterkant naar de plaats waarheen Désiré zwom met zijn zwaren last.
"Lieve hond, zoete hond, toe dan, toe dan," riep ze en het was of het
moed gaf aan het trouwe beest. Het spande nogmaals al zijn krachten
in. Daar was hij er bijna. Het hoofd van Tony zonk lager. "Toe dan,
goeie hond, toe lieve Désiré, toe dan."
"O lieve Heer, laat hem niet verdrinken," bad ze; boog verder voorover
en greep een stuk van Tony's blouse. Ze trok en trok zoo hard ze
kon. De hond spande zich nogmaals in, lichtte den kop wat hooger op en
zette de voorpooten op den oeverrand. Met vereende krachten sleepten
ze den drenkeling tegen den kant op.
Désiré, hijgend van inspanning, likte hem aan alle kanten. Zus boog
zich over hem heen, riep hem bij zijn naam, kuste hem, maar Tony's
oogen waren gesloten en alle liefkoozingen maakten hem niet wakker. Zus
bemerkte niet eens, dat Désiré ook haar belikte en dat zijn groote kop,
vlak naast haar gezichtje over Tony heenboog.
De hond scheen het eerst op den inval te komen, dat het zoo niet kon
blijven. Plotseling hield hij op met likken, liet een luid geblaf
hooren en vloog toen als een pijl uit de boog in de richting van
het bloemenveld.
"Désiré! hier," riep zus in doodsangst, dat hij haar alleen liet met
broertje, die maar al sliep. "O Désiré, loop niet weg, ik zal nooit
meer boos op je zijn, loop niet weg."
"Tony, word toch wakker, Tony, lieve Tony," snikte ze dan en begon
hevig te schreien.
Opeens hoorde Emy den hijgenden adem van Désiré weer in de verte. Ze
keek op. Daar kwam hij om de boomen heen, liep weer terug, rende
nog eens vooruit en achter hem kwam een kleine, dikke man met een
dikken stok in de hand. De hond sprong voor hem uit, bleef staan,
keek of de man hem nog volgde en rende dan weer voort, om even later
nogmaals terug te gaan.
Eindelijk kwam hij hijgend op de kinderen af. De dikke man had
nauwelijks de kinderen in het oog gekregen of hij verhaastte zijn
stap. Hij nam zijn pet van het hoofd en veegde met een rooden
zakdoek het zweet van zijn voorhoofd. Blazend en puffend kwam hij
naderbij en riep: "Wat is er gebeurd? Heeft die jongen in het water
gelegen?" Zus keek hem verstomd aan. "Hoe lang is het al geleden"
vroeg de man verder, terwijl hij snel zijn stok en pet neerwierp,
zijn jas uittrok en bij Tony neerknielde. Hij voelde aan zijn arm,
legde zijne hand op Tony's borst, zijn oor er tegen en begon haastig
zijn kleeren los te maken, terwijl hij mompelde. "Wie ben jelui, ik
ken je niet. Toe zeg toch eens wat meisje, ga je moeder halen. Woon je
vlak bij?" Zus zag hoe de man Tony's armen heen en weer ging bewegen,
ze keek, maar verroerde zich niet. Ze was bang voor dien rooden dikken
man, die zoo raar deed, bang voor Tony, die daar zoo stil lag en ze
greep ineens den grooten kop van Désiré en drukte zich vast tegen
hem aan. Ze voelde, dat hij haar beschermen zou.
"Toe kindje," hijgde de man, "ga toch, daar is een huis. Haal gauw
hulp of het is te laat. Ik kan je broertje alleen niet helpen. Ga,
gauw." Ze keek in de richting, waarin de man wenkte met zijn hoofd
en zag een kleine boerenwoning. Nu scheen ze pas tot bezinning te
komen. Ze keerde zich om en snelde er heen zoo gauw ze loopen kon. De
hond hief den kop op, scheen in twijfel wat hij nu moest doen, bij
zijn zieken baas blijven of met het kleine zusje meeloopen. Hij liet
een klagend gehuil hooren, liep zus na en keerde weer terug naar Tony;
keek naar den man en likte Tony in het gezicht. Toen keek hij weer op
naar zus en schoot eensklaps voort haar na. Bij de boerderij gekomen,
liep zus, gevolgd door den hond, het hek in, maar toen durfde ze niet
verder en draalde besluiteloos. De hond begon te blaffen. Toen kwam
er een meisje naar buiten, vroolijk zingend liep ze op zus af en zei
vriendelijk. "Wel--wat had de jonge juffer?"
Zus wees met het vingertje in de richting, waar broertje lag en zei
zacht. "Die man vraagt of er iemand komt. Hij heeft in het water
gelegen."
"Wie, die man?" zei het meisje verschrikt.
"Neen, Tony, en hij heeft z'n oogen dicht; gaat u mee alsjeblieft,
ik ben zoo bang," riep ze ineens vertrouwelijk, greep de rokken van
het meisje en wilde haar meetrekken."
"Ja, ik ga mee hoor, wacht even. Teun, Jacob!" riep ze naar
binnen, "kom gauw mee, er is een in het water gevallen." Twee lange
boerenjongens, kwamen nieuwsgierig naar buiten loopen en terwijl het
meisje wees en vertelde, trokken ze hunne klompen aan die witgeschuurd
voor het lage deurtje stonden en liepen met hun lange beenen snel
vooruit.
Toen zus en het meisje weer terug kwamen, had de man hun al gewezen
wat ze doen moesten en zat hij zelf even uit te blazen. De meisjes
keken toe. Zus begreep niet, wat er gebeurde, maar stond zacht te
snikken. Het meisje streelde haar wang en zei troostend:
"Kijk, kijk hij komt al bij, hij tilt zijn hoofd op. Huil nou maar
niet, kijk. Vertel nu eens wie je bent?" "Emy, en hij is Tony,"
snikte het kind.
"En waar zijn je vader en moeder." "Naar de kerk."
"Maar bij wie ben jelui hier, dan?" "Bij grootvader, daar," wees zus,
"over het bloemenveld." "O, wacht, op 'Nooit gedacht'".
"Ja," zei zus onverschillig, ze begreep niet eens waarom het haar
werd gevraagd.
Werkelijk daar bewoog Tony zich, zuchtte en opende de oogen. Zus
sprong op hem toe. "Tony, lieve Tony," riep ze en zoende hem. Hij
keek naar al die vreemde gezichten zonder te begrijpen. "Benauwd,"
riep hij toen en begon te braken.
Toen rilde hij. "Ik ben zoo koud, Moeder!" zei hij.
De dikke man tilde hem op. "Kan je hem dragen," vroeg hij Jacob. "Ja,
geef maar op," zei de grootste van de jongens en geen moeder had
haar kind zorgvuldiger kunnen aanpakken en tegen zich aanvleien dan
de knaap deed.
"Hier mijn jas maar over hem heen, het schaap heeft het koud," zei
de dikke man. "Loop jelui maar wat aan, ik kom ook wel, maar ik kan
zoo gauw niet."
De stoet zette zich in beweging. Désiré vroolijk blaffend, nu hij
bemerkte, dat ze naar huis gingen, daarachter Jacob met zijn vracht
en naast hem Teunis die het hoofd van Tony steunde. Daarachter het
meisje met zus aan de hand en eindelijk de goede, dikke man, wiens
korte beentjes moeite deden hen bij te houden.