9. De Redding.

"O, Désiré," riep ze smeekend, "houd hem vast, houd hem

vast." "Help! help!" riep ze nog eens en keek om zich heen. Toen

ineens vatte ze moed, kroop op handjes en voetjes omlaag naar den

waterkant naar de plaats waarheen Désiré zwom met zijn zwaren last.

"Lieve hond, zoete hond, toe dan, toe dan," riep ze en het was of het

moed gaf aan het trouwe beest. Het spande nogmaals al zijn krachten

in. Daar was hij er bijna. Het hoofd van Tony zonk lager. "Toe dan,

goeie hond, toe lieve Désiré, toe dan."

"O lieve Heer, laat hem niet verdrinken," bad ze; boog verder voorover

en greep een stuk van Tony's blouse. Ze trok en trok zoo hard ze

kon. De hond spande zich nogmaals in, lichtte den kop wat hooger op en

zette de voorpooten op den oeverrand. Met vereende krachten sleepten

ze den drenkeling tegen den kant op.

Désiré, hijgend van inspanning, likte hem aan alle kanten. Zus boog

zich over hem heen, riep hem bij zijn naam, kuste hem, maar Tony's

oogen waren gesloten en alle liefkoozingen maakten hem niet wakker. Zus

bemerkte niet eens, dat Désiré ook haar belikte en dat zijn groote kop,

vlak naast haar gezichtje over Tony heenboog.

De hond scheen het eerst op den inval te komen, dat het zoo niet kon

blijven. Plotseling hield hij op met likken, liet een luid geblaf

hooren en vloog toen als een pijl uit de boog in de richting van

het bloemenveld.

"Désiré! hier," riep zus in doodsangst, dat hij haar alleen liet met

broertje, die maar al sliep. "O Désiré, loop niet weg, ik zal nooit

meer boos op je zijn, loop niet weg."

"Tony, word toch wakker, Tony, lieve Tony," snikte ze dan en begon

hevig te schreien.

Opeens hoorde Emy den hijgenden adem van Désiré weer in de verte. Ze

keek op. Daar kwam hij om de boomen heen, liep weer terug, rende

nog eens vooruit en achter hem kwam een kleine, dikke man met een

dikken stok in de hand. De hond sprong voor hem uit, bleef staan,

keek of de man hem nog volgde en rende dan weer voort, om even later

nogmaals terug te gaan.

Eindelijk kwam hij hijgend op de kinderen af. De dikke man had

nauwelijks de kinderen in het oog gekregen of hij verhaastte zijn

stap. Hij nam zijn pet van het hoofd en veegde met een rooden

zakdoek het zweet van zijn voorhoofd. Blazend en puffend kwam hij

naderbij en riep: "Wat is er gebeurd? Heeft die jongen in het water

gelegen?" Zus keek hem verstomd aan. "Hoe lang is het al geleden"

vroeg de man verder, terwijl hij snel zijn stok en pet neerwierp,

zijn jas uittrok en bij Tony neerknielde. Hij voelde aan zijn arm,

legde zijne hand op Tony's borst, zijn oor er tegen en begon haastig

zijn kleeren los te maken, terwijl hij mompelde. "Wie ben jelui, ik

ken je niet. Toe zeg toch eens wat meisje, ga je moeder halen. Woon je

vlak bij?" Zus zag hoe de man Tony's armen heen en weer ging bewegen,

ze keek, maar verroerde zich niet. Ze was bang voor dien rooden dikken

man, die zoo raar deed, bang voor Tony, die daar zoo stil lag en ze

greep ineens den grooten kop van Désiré en drukte zich vast tegen

hem aan. Ze voelde, dat hij haar beschermen zou.

"Toe kindje," hijgde de man, "ga toch, daar is een huis. Haal gauw

hulp of het is te laat. Ik kan je broertje alleen niet helpen. Ga,

gauw." Ze keek in de richting, waarin de man wenkte met zijn hoofd

en zag een kleine boerenwoning. Nu scheen ze pas tot bezinning te

komen. Ze keerde zich om en snelde er heen zoo gauw ze loopen kon. De

hond hief den kop op, scheen in twijfel wat hij nu moest doen, bij

zijn zieken baas blijven of met het kleine zusje meeloopen. Hij liet

een klagend gehuil hooren, liep zus na en keerde weer terug naar Tony;

keek naar den man en likte Tony in het gezicht. Toen keek hij weer op

naar zus en schoot eensklaps voort haar na. Bij de boerderij gekomen,

liep zus, gevolgd door den hond, het hek in, maar toen durfde ze niet

verder en draalde besluiteloos. De hond begon te blaffen. Toen kwam

er een meisje naar buiten, vroolijk zingend liep ze op zus af en zei

vriendelijk. "Wel--wat had de jonge juffer?"

Zus wees met het vingertje in de richting, waar broertje lag en zei

zacht. "Die man vraagt of er iemand komt. Hij heeft in het water

gelegen."

"Wie, die man?" zei het meisje verschrikt.

"Neen, Tony, en hij heeft z'n oogen dicht; gaat u mee alsjeblieft,

ik ben zoo bang," riep ze ineens vertrouwelijk, greep de rokken van

het meisje en wilde haar meetrekken."

"Ja, ik ga mee hoor, wacht even. Teun, Jacob!" riep ze naar

binnen, "kom gauw mee, er is een in het water gevallen." Twee lange

boerenjongens, kwamen nieuwsgierig naar buiten loopen en terwijl het

meisje wees en vertelde, trokken ze hunne klompen aan die witgeschuurd

voor het lage deurtje stonden en liepen met hun lange beenen snel

vooruit.

Toen zus en het meisje weer terug kwamen, had de man hun al gewezen

wat ze doen moesten en zat hij zelf even uit te blazen. De meisjes

keken toe. Zus begreep niet, wat er gebeurde, maar stond zacht te

snikken. Het meisje streelde haar wang en zei troostend:

"Kijk, kijk hij komt al bij, hij tilt zijn hoofd op. Huil nou maar

niet, kijk. Vertel nu eens wie je bent?" "Emy, en hij is Tony,"

snikte het kind.

"En waar zijn je vader en moeder." "Naar de kerk."

"Maar bij wie ben jelui hier, dan?" "Bij grootvader, daar," wees zus,

"over het bloemenveld." "O, wacht, op 'Nooit gedacht'".

"Ja," zei zus onverschillig, ze begreep niet eens waarom het haar

werd gevraagd.

Werkelijk daar bewoog Tony zich, zuchtte en opende de oogen. Zus

sprong op hem toe. "Tony, lieve Tony," riep ze en zoende hem. Hij

keek naar al die vreemde gezichten zonder te begrijpen. "Benauwd,"

riep hij toen en begon te braken.

Toen rilde hij. "Ik ben zoo koud, Moeder!" zei hij.

De dikke man tilde hem op. "Kan je hem dragen," vroeg hij Jacob. "Ja,

geef maar op," zei de grootste van de jongens en geen moeder had

haar kind zorgvuldiger kunnen aanpakken en tegen zich aanvleien dan

de knaap deed.

"Hier mijn jas maar over hem heen, het schaap heeft het koud," zei

de dikke man. "Loop jelui maar wat aan, ik kom ook wel, maar ik kan

zoo gauw niet."

De stoet zette zich in beweging. Désiré vroolijk blaffend, nu hij

bemerkte, dat ze naar huis gingen, daarachter Jacob met zijn vracht

en naast hem Teunis die het hoofd van Tony steunde. Daarachter het

meisje met zus aan de hand en eindelijk de goede, dikke man, wiens

korte beentjes moeite deden hen bij te houden.

Wat tante Dora vertelde · 第 13 / 35 题