"Moesje, toe, zegt u
maar ja,"
Vleien Hans en Jantje,
En het kleintje streelt
haar wang
Met zijn dikke handje.
"Neen," zegt Moeder,
"Janneman
Jullie moet niet zeuren,
'k Moet eerst weten,
wat je wilt,
Of 't zal niet gebeuren."
"Treintje spelen,
Moesje toe!
'k Heb zoo'n heel
mooi fluitje.
Dan ben ik de conducteur;
Machinist is Truitje.
Anna zit aan het loket
Kaartjes te verkoopen.
Hansje wil met vaders tasch
Met de kranten loopen.
"U en zus zijn passagiers,
En dan nog de poppen.
Aap en beertje zal ik in
Beestenwagens stoppen."
Moeder lacht en Moeder knikt.
"O, het mag, gauw stoelen!
Zet ze alle op een rij,"
Zie ze eens krioelen!
Eindlijk is de trein gereed.
"Hola, conducteurtje!"
Roept Moe hijgend van de haast
"Doe--gauw open--'t deurtje."
Jantje zegt: "Stap in, Mevrouw,"
Opent het portiertje.
--"Maar de trein vertrekt nog niet,--
'k Zet het op een kiertje."
Waarlijk daar komt grootmoe ook,
Loopend op een vaartje.
"'k Moet ook mee naar Amsterdam,
Geef me gauw een kaartje."
Lijsje gaat in d' eerste klas
In de derde Jetje.
"Mag ik ook nog mee," zegt Pa
Nu dat wordt een pretje!
"Kranten, Heeren, 't Nieuws!" zegt Hans,
"'t Handelsblad of 't Leven!"
Jantje zegt: "'t portier moet dicht,"
Vader: "wacht nog even!"
"Daar komt nog een juffrouw aan
In een wit toiletje."
Jan kijkt om, wie dat mag zijn?
Wel, 't is poes Minetje.
Jan tilt poes ook in den trein
En gaat kaartjes knippen.
Daarvoor moet hij iederen keer
Op de treeplank wippen.
"Nu--vertrek! 't is klaar! Vooruit!"
Roept hij dan tot Truitje.
En hij blaast zoo hard hij kan,
Op zijn schelle fluitje.
Oef! oef! oef! oef! oef! oef! oef!
Ja, dat moet zoo, weet je.
De machine stampt en blaast
Hansje helpt een beetje.
En do machinist roept: "Tuu!"
"Dag! Dag!" wat een leven!
Jongens, zou de echte trein
Zooveel pret wel geven?