Het was Zondag en prachtig weer.
Bruin werd voor den tentwagen gespannen. Koo ging op den bok zitten
met de Zondagsche spullen aan. Hij zou grootvader, grootmoeder, moeder
en vader met het gerij naar de kerk brengen, die veel te ver was,
om er heen te loopen. Het was stil op de boerderij, alles blonk tegen
je aan--tot zelfs het straatje voor de deur glom op zijn Zondags. De
kinderen stonden voor het hekje met Trijntje de huismeid en wuifden
de vertrekkenden na.
"Dag, jongens!" riep vader en boog zich nog even uit het wagentje. "Ga
niet te ver uit de buurt, hoor!"
"Dag zus, zoet zijn," riep moeder en wuifde met de hand, boog zich
om het zeil van den kap, nog eens en nog eens. "Dag! dag!!"
Toen de kerkgangers om den hoek waren verdwenen, holden Tony en Désiré
het erf op en lieten zich onder luid gejuich en geblaf door zus en
Trijntje nazetten.
Toen ze allen buiten adem waren, gingen ze de laan een eindje
inwandelen. Maar Trijntje kon niet ver van het hek, want ze was
maar alleen thuis. Ze ging weer terug, want ze moest nog voor het
eten zorgen.
"Mogen wij nog even verder," vroeg Tony. "Even naar het bloemenveld."
"Ja, dat is goed," zei Trijntje, "dat is niet zoo ver. Maar dan weer
thuis komen, hoor."
"Ja, we gaan alleen naar het bloemenveld, een boeketje plukken voor
grootmoeder," zei zus.
"Ja, heerlijk." Trijntje ging langzaam terug en Tony, zus en Désiré
gingen de laan weer in, staken den rijweg over die naar het dorp
voerde, en kwamen op een voetpad dat door de wei- en bouwlanden
liep. Spoedig waren ze op een groote vlakte, die bezaaid was met
allerlei wilde bloemen. Hier konden ze naar hartelust plukken.
Zus ging dadelijk aan den gang. Tony liep met Désiré wat op. Hij
wou eens zien, waar die laan eigenlijk op uit liep, en wat er achter
die hooge boomen was aan de andere zijde van het bloemenveld, zooals
moeder het voor de grap noemde.
Désiré scheen het warm te hebben van het hollen; hij liep met de tong
uit den bek langzaam naast Tony voort. Doch eensklaps snoof hij in
de lucht, bleef even stilstaan, nam toen een sprong en stoof recht
op de boomen af.
"Wat moet dat? Wat heb je," riep zijn kleine baas verwonderd en volgde
hem wat langzamer.
Toen hij bij de boomen kwam achter het struikgewas uit, hoorde hij
een klokkend geluid en zag Désiré aan den kant van een vrij breed
water lustig staan drinken.
"O, is daar de rivier al. Is die zoo dicht bij. Dat wist ik niet
eens," zei Tony bij zich zelven. "Wacht, jongetje, je kon wel weer
eens zwemmen, net als gisteren met vader.
"Kom hier, Désiré." Hij zocht een grooten tak, ging naar den kant
en wilde hem in het water gooien, maar bedacht zich ineens, dat hij
eerst wel eens naar zus mocht kijken. Die zou het ook zeker graag zien.
"Zus! zus!" riep hij terugkeerend naar het bloemenveld. Hij zag haar
niet. Ze was achter de hooge struiken verborgen. Hij zette zijn
handen als roeper aan zijn mond en riep "zus, zus, Emy!!" Désiré
snelde hem vooruit en had heel gauw haar spoor gevonden. Daar kwam
hij weer tusschen de struiken uit, gevolgd door zus, die de beide
armen vol bloemen had.
"Kijk, Tony, mooi hè," draag jij ook wat, dan maken we er thuis een
boeket van."
"Ja prachtig," antwoordde Tony, "leg ze maar even neer en kom eens
mee, zeg. Daar achter die boomen, vlak bij, is een groot water. Je
weet wel, dat we laatst ook gezien hebben, toen we wandelden. Daar
zullen we Désiré even in laten zwemmen, niet. Kom mee" en hij trok
zus haastig mee naar de rivier.
Spoedig stonden ze aan den oever. Tony wierp nu een tak in het water
en riep: "Désiré pak ze." Désiré bedacht zich niet en met aandacht
keken de kinderen toe, hoe de hond heenzwom en met den stok in den
bek terugkeerde.
Wat lachte zus om het afschudden van de druppels.
"Kijk," zei ze, "nu moet je daar verder op eens gaan. Daar waar die
punt uitsteekt, gooi daar nog eens, dan komt de stok misschien aan
den overkant."
"Ja," zei Tony, "dat is leuk, kom mee!"
Langs den schuinen kant ging hij naar beneden. Hij dacht er niet aan,
dat hij iets verkeerds deed. Een smalle strook steenachtige grond
stak een eind de rivier in.
"Ik durf eigenlijk niet verder," zei hij nog.
"He flauw!" zei zus.
"Nou ga jij dan."
"Ja maar ik ben een klein meisje," zei de wijsneus.
"Nou vooruit," zei Tony, die graag een held was in zusjes oogen.
Voorzichtig sprong hij van den eenen steen op den anderen en kwam
zoo een aardig eindje naar voren.
Désiré stond aan den kant en blafte jankend.
Zus klapte in haar handen van pleizier: "Gooi nou!" riep ze.
"Désiré! pak ze!" riep Tony, slingerde zijn arm en wierp met zoo'n
kracht, dat hij zijn evenwicht verloor en voordat hij besefte wat er
gebeurde, links afgleed en met een plons in het water terecht kwam.
"Tony! O, moeder, help!" riep zus en snelde naar den kant. Maar Tony
was een heel eind af.... "Moeder! Vader!" gilde ze in haar angst.
"Vader," gilde Tony ook spartelend met handen en voeten.
Hij trachtte de steenen te grijpen, maar of hij daardoor zichzelf
afduwde of dat de stroom hem weg voerde, hij schoot in eens verder
de rivier in. Zooals hij van Désiré gezien had, sloeg hij met handen
en voeten en hield zich zoo nog boven, schreeuwend om hulp.
Zus liep wanhopig heen en weer.
De hond echter had zich niet lang bedacht. Hij was te water gesprongen
en zwom met alle kracht naar de plaats, waar zijn kleine baas dreef.
"Gauw, Désiré, gauw," riep het kind, voelend, dat hij zonk.
Zus gilde maar steeds door. Ze zag haar lieve Tony al dieper en
dieper in het water zinken, ze zag, dat hij verdween, voordat de
hond hem nog had bereikt en ze sloeg de handen voor de oogen. Toen
kwam het ineens in haar op, dat ze iemand moest gaan halen. Ze had
een boerderij gezien, daar bij de laan. Ze wilde er heen gaan, maar
het was of ze niet kon loopen. Ze keek weer naar het water. Daar
kwam Désiré terug. Heel langzaam. Zijn kop hield hij hoog op. In den
bek had hij den riem van Tony. Zijn hoofd kwam even boven het water
uit. Zijn lijf en zijn beenen hingen er in.