Tony had vacantie gekregen. Hij was opgetogen met een mooi rapport
thuis gekomen en vader en moeder waren ook heel blij.
"Nu!" zei moeder. "Wat dunkt u, vader, zoo'n flinke jongen mag wel
eens een extra'tje hebben."
"Ja, zullen we het dan maar doen?" vroeg vader lachend.
"Wat doen," zei Tony en keek van vader naar moeder, maar zij lachten
en zeiden nog niets.
"Watte, moesje?" vleide zus.
"Och, ik denk, dat ze toch niet graag willen."
"Wat niet graag willen?"
"Nu, dan zal ik het je maar vertellen. Wie wil er van jelui tweeën
mee naar grootvader en grootmoeder?"
"O heerlijk! Ik! en ik!" riepen ze allebei en vlogen hun ouders om
den hals.
Opeens voelde Tony den kop van Désiré onder zijn arm.
"Désiré! we gaan naar grootvader en -moeder. Ga je mee? Kijk, vader,
Désiré lacht ook, ziet u wel. Hè, mag hij ook mee. Grootvader heeft
hem nog nooit gezien en het huis is toch groot genoeg, op het erf
kan hij zoo heerlijk rondloopen en dan--hè, ja vader, mag dat?"
"Ik denk wel, dat het goed zal zijn. De reis is niet zoo lang en als
we derde klas gaan kan hij mee."
Het gezichtje van zus betrok wat, maar Tony was dol van blijdschap
en vloog met Désiré de gang door naar de keuken om Jans de heerlijke
tijding te brengen.
"Eenig zeg Jans. We gaan naar grootvader en Désiré gaat mee!"
"Och kom," zei Jans. "Désiré mee, hoe kan dat nou?"
"Ja, ja, vader neemt ook een kaartje voor hem. Wat zal grootvader
wel zeggen. Ik heb hem toch immers ook van grootvader gekregen en
hij heeft hem nooit gezien. Dat is toch ook gek!"
"Nou dan zal je opa het ook wel prettig vinden. Het is er immers nog
veel meer buiten dan hier. Hij zal wel gauw zorgen den weg te kennen,
dat hij los kan loopen."
"Ja natuurlijk, hij is zoo slim," antwoordde Tony trotsch op zijn
lieveling. En de hond keek alsof hij alles begreep en trok zijn baas
mee den tuin in en holde met hem om het hardst om de perken om zijn
vreugde uit te buitelen.
De lang gewenschte dag brak aan. Gepakt en gezakt ging de geheele
familie naar den trein.
Hoe verrukkelijk was die reis. Désiré zat als een deftig passagier
voor het raampje te kijken en hield zich voornaam stil. Al de
andere reizigers nam hij wel goed op uit zijn hoekje, maar hij
scheen heel tevreden met het gezelschap en deed verder net of ze
niet bestonden. Hij voelde zich blijkbaar recht op zijn gemak en in
zijn nopjes.
Enkele menschen gingen terug, als ze den hond zagen zitten en wilden
niet in de coupée, al verzekerde Tony ook: "hij doet heusch geen kwaad,
komt u maar gerust."
Désiré trok zich ook daarvan niets aan. Tony had schik voor zes.
Wat stond grootvader te kijken, toen hij behalve de gevraagde ook
nog een onverwachte logé zag uitstijgen.
"Is dat nu Désiré," zei hij, toen hij kinderen en kleinkinderen
hartelijk had verwelkomd.
"Ja, grootvader, 't mocht wel, niet?"
"Zeker, zeker, jongen, ik ben heel blij, dat ik hem ook eens zie. 't
Is een prachtbeest en een best dier ook. Hij kan bij ons eens goed
genieten. Kom, nu maar gauw in den tentwagen. Hij kan wel naast je op
den bok zitten. Dan gaan we gauw kijken, of grootmoeder de pannekoeken
al klaar heeft."
Ook door grootmoeder werd Désiré hartelijk ontvangen.
"Hij hoort toch bij de familie," zei de lieve vrouw, "en was in de
uitnoodiging begrepen," en ze was verrukt over hem, toen zij bemerkte,
dat hij zoo gehoorzaam was en zoo netjes, dat hij zijn pooten op de
mat veegde--en dat hij al evenveel van haar pannekoeken hield als
de kleinkinderen.
Spoedig waren kinderen en hond ook met de meiden en knechts van
de boerenplaats de beste maatjes. Het was een flinke boerderij
"Nooit gedacht". Keurig zag alles er uit. Heerlijke boomen op het
erf. Pere- en appelboomen--kersen en aardbeien--een lief tuintje
met bloemen. Uitgestrekte weilanden er om heen met koeien en
paarden en verderop bouwland en hooiland. Voor dag en dauw haast
liepen de kinderen al mee naar het veld, of trokken ze mee naar het
hooiland. Désiré vloog als een dolleman door het hooi, hapte er in,
wierp het met zijn kop omhoog, kroop er onder, zoodat zijn krulharen
en zijn staart er soms onder zaten. En als de wagens naar huis gingen,
zaten de kinderen en de hond er boven op.
Gingen ze verre wandelingen maken met grootvader en vader, dan ging
Désiré ook mee. Alleen met de koeien kon hij het niet te best vinden of
eigenlijk de koeien niet met hem. Als ze op een pad kwamen, dat door
een weiland liep, nam vader hem maar even aan den halsband, vooral
als de koeien met de koppen over de hekken stonden, of er geen hek
of sloot was. Dan werd Désiré onrustig en kroop zelve dicht bij hen.
Dikwijls aten ze onder een grooten boom voor het huis. Dat vond Désiré
heerlijk, want dan kreeg hij af en toe wel een beentje of hapje mee.
"Jongens, hij zal heelemaal verwennen," zei moeder, "dan gaat hij
thuis nog bedelen."
"Ja, moeder," antwoordde Tony "en wij worden hier ook verwend."
"Daar ben ik ook hard bang voor," hernam moeder weer, "en dan hebben
we thuis met drie in plaats van met twee wat te stellen."
Grootvader lachte er wat om en wierp den kinderen nog wat bessen op
het bord en gooide den hond een been toe.
Moeder dreigde hem met den vinger, doch het hielp niets. Grootvader
bleef lachen: "'t zal zoo'n vaart niet loopen, thuis is thuis--maar
ze zijn nu ook op 'Nooit gedacht.'"
Grootmoeder schudde het hoofd en merkte tegen vader op: "Zoo sprak
je vader ook niet, toen jij klein was, Antoon," en vader antwoordde:
"Neen, toen deed u het" en hij boog zich over grootmoeder heen en
kuste haar, dat het klapte.
"Foei, foei, wat moeten de kinderen wel denken," zei ze.
"Dat u een lieve grootmoeder bent," zei Tony, greep grootmoeders
hoofd en stopte haar een paar lekkere donkere vruchten in den mond,
"en dat grootvader, de beste grootvader is van de heele wereld,
hè Désiré, wat zeg jij."
En Désiré zei niets, maar kwispelstaartte; hij was het toch heelemaal
met Tony eens.
Er kwamen wel eens regendagen, dan hadden de kinderen genoeg pret in
huis, want vader en moeder hadden nu veel tijd om met hen te spelen
en grootvader kon zoo eenig, heerlijk vertellen. Maar Désiré zat
dan treurig voor het raam, alsof hij wachtte, totdat het ophield,
om zich buiten te kunnen verlustigen. Of hij sloop stilletjes weg en
ging in zijn eentje een wandeling maken, maar dan kwam hij toch meest
heel gauw terug; en toen hij bemerkte, dat hij dan in de keuken moest
blijven, om op te drogen en niet mocht binnen komen, beviel hem dat
ook al niet en deed hij het niet meer.