Een jaar was voorbij gegaan sedert Désiré bij Tony kwam en het was
een prachtige, groote hond geworden. Tony was ook flink gegroeid en
hoe langer hoe meer was hij van Désiré gaan houden, die zeer gehecht
was aan zijn kleinen baas. Désiré was ook voor zus heel lief maar haar
afkeer van den hond was eer toe- dan afgenomen. Zij beantwoordde zijn
liefkoozingen nooit en als hij te dicht bij haar kwam, zei ze steeds:
"Tony, roep hem dan toch. Hij wil me likken."
"Maar je hoeft niet bang te zijn, hij doet je geen kwaad," zei Tony.
"Ja, maar ik vind het een naar beest. Toe ga weg, ga naar den baas,"
en ze liep weg. Soms wilde ze niet meer met Tony uit, omdat hij Désiré
meenam en al schreide ze dan ook niet, toch vond ze het naar, dat hij
liever met den hond uitging en haar thuis liet. Hij deed het, omdat
moeder niet wilde, dat ze altijd haar zin kreeg, maar het hinderde
hem altijd.
't Was een warme zomerdag. Alle deuren en vensters van het huis
stonden open, zooals ze buiten zoo dikwijls doen. Moeder zat in de
tuinkamer te naaien. Vader was op het kantoor aan dan anderen kant
van het huis, dat een afzonderlijken ingang had en met een deur in
de gang uitkwam van het woonhuis. Tony was op school. De vacantie was
nog niet begonnen, maar iedereen verlangde er naar, want het was zulk
heerlijk weer om in het bosch te liggen of te wandelen.
Juist kwam Jans aan de voordeur, om melk te nemen, toen de veldwachter
voorbij ging.
"Hebben jelui hem al, van Buren?" riep de melkboer hem toe.
"Nee," antwoordde de veldwachter, "maar je mag de voordeur wel dicht
houden, Jans, want het is een gevaarlijk, brutaal sinjeur, en hij
kon best eens binnen komen, als je hem zoo uitnoodigt."
"Over wien heb je 't nou?" vroeg Jans.
"Nou, je zal toch ook wel gehoord hebben van dien landlooper, die
bij Japik naar binnen is gegaan en bezig was de zilverkast leeg te
stelen. De knecht kwam er net op af, maar hij is verdwenen voor ze
hem pakken konden. Nou zeggen ze, dat hij weer gezien is in de buurt."
"Ja, dat is secuur, 't moet hem zijn." antwoordde de veldwachter,
"en hij zal me geen tweeden keer ontloopen."
Jans zette de handen in de zij, om de zaak eens terdege te bepraten,
want ze was bang voor landloopers en moest het fijne ervan weten.
Zus was met haar poppenwagen den tuin ingegaan.
Achter den grooten pereboom was het prieeltje, dat was altijd haar
huisje. Daar kon ze zoo eenig spelen. Niemand kon er haar zien van het
huis af. Om den tuin was een groene haag en er achter was een smal
pad, dat naar den eenen kant op de groote wei en naar den anderen
kant naar het bosch voerde. Er kwam haast nooit iemand anders langs
dan een enkele boer, die in de wei zijn koeien liet grazen en bij
het bosch woonde.
De vogeltjes zongen luid in de hooge boomen, krekeltjes piepten in het
gras langs den weg en verder was het stil, heel stil. Zus ging op den
houten grond van het prieeltje zitten en begon zacht een wiegeliedje
voor de poppen te neuriën. Zachtjes aan werd ze zelve slaperig,
legde haar hoofdje op een voetenbankje en dommelde in.
Eensklaps hief ze verschrikt haar hoofdje op.
Een ruwe hand werd op haar mondje gelegd. Ze opende verschrikt de
oogen en gaf een gil, die dadelijk werd gesmoord. Een afschuwelijk
gezicht was over haar heengebogen. Een man in vuile lompen gekleed,
lag naast haar op zijn knieën. Ze beefde van afgrijzen, wilde de hand
wegduwen. "Houd je mond, mormel," siste hij door zijn vuile tanden en
ze voelde zijn adem op haar hoofd. Tegelijk rukte hij aan het gouden
kettinkje, dat ze om haar halsje had. "Jelui alles en ik niks hè,"
mompelde hij en stak het in zijn zak. Toen greep hij naar haar oortjes
en wilde de belletjes er uit trekken, zonder er zich om te bekommeren
of hij daarbij haar oorlelletjes doorscheurde, maar ineens trok hij
de hand terug, uitte een half gesmoorde gil en greep naar zijn been.
Désiré, die een eind verder in den tuin onder de struiken had liggen
slapen en door den dief niet was opgemerkt was door de gil van zus,
hoe zacht ook, toch ontwaakt en met een paar sprongen op den aanvaller
afgevlogen, die hij in zijn been beet.
Zus vloog overeind en rende luid schreiend naar huis. Ze hoorde Désiré
woedend blaffen, de man vloeken en tieren, de haag kraken, maar keek
niet om en liep onder 't geroep van "Moeder! moeder een dief!" zoo
gauw ze kon, het huis in, terwijl Jans net de kamer in kwam. Moeder
was op het geschrei toegesneld, maar begreep niet zoo gauw. Jans
nog onder den indruk van het gehoorde, liep zoo hard mogelijk de
gang weer in, naar de voordeur en gilde "Van Buren, Van Buren--hier,
hier!" De veldwachter wilde juist den hoek omgaan, maar kwam nu terug.
Moeder was ondertusschen den tuin ingeloopen op het geblaf af en zag
Désiré in woedend gevecht met een haveloozen man, die half over den
haag geklommen was en beproefde den hond zijn keel dicht te knijpen,
daar het beest hem niet wilde loslaten.
"Ga vader halen," riep moeder tegen zus "gauw!" maar juist kwam de
veldwachter, die spoedig gevolgd werd door vader en een besteller
door Jans van het kantoor gehaald. "Houd hem, Désiré," riep de
veldwachter. De man wilde zijn vuist met kracht op den kop van den
hond doen neervallen, maar het was te laat. De veldwachter had hem beet
en met hulp van de anderen werd den man, hoe hij ook tegenstribbelde,
over den haag teruggetrokken.
"Laat los Désiré, kom hier," riep moeder, die zag hoe hij den man
gebeten had. Désiré gehoorzaamde en vloog naar moeder, die zijn
grooten kop tusschen haar handen nam en hem liefkoosde. "Beste hond,
goed beest." Brr, ze rilde. Zoo'n vreeselijke man. Wie weet wat hij
haar kind had gedaan, als Désiré er niet was geweest.
"Kom, hier, beest, kom hier, je krijgt wat lekkers van de vrouw,"
en de hond drukte zich tegen haar aan.
Jans kwam met zus hem tegemoet. Nauwelijks zag hij haar of hij vloog
op haar af, sprong tegen haar op en wilde haar in haar gezicht likken.
"Nee weg, weg," riep ze. "Foei zus, aai hem dan, haal hem dan eens
aan. Als hij er niet was geweest, brr! wie weet wat die leelijke man
gedaan zou hebben."
"Kom hier" en ze nam zus in den eenen arm, knielde neer nam den kop
van Désiré in den anderen en liet het kind den hond aaien, om hem te
bedanken voor zijn trouwe hulp. Hij besnuffelde haar aan alle kanten,
alsof hij onderzoeken wilde, of haar niets kwaads was overkomen.
Vader kwam even later weer terug--een paar boeren hadden den man met
den veldwachter, naar den toren gebracht. Juist kwam Tony thuis.
"Moeder, ze zeggen dat van Buren een landlooper in den toren heeft
en dat Désiré hem gepakt heeft, is dat waar?"
"Ja," zei moeder, "dat is waar, hier zus, geef hem een stuk worst."
"O, wat is dat lief van je Désiré," riep Tony. "Nu hou je toch wel
van hem, hè."
Zus antwoordde niet, ze stak even de hand uit met de worst, maar trok
die ook weer dadelijk terug, toen Désiré ze had aangepakt en vluchtte
bij moeder, die haar op schoot nam en tegen zich aan drukte.
Maar Tony sloot vol verrukking zijn vriend in de armen, die zijn lief
zusje gered had.
"Moeder," zei hij nadenkend. "Weet u wat ik zoo jammer vind. Als
een menseh iets voor je heeft gedaan, waar je erg blij mee bent,
kan je het hem zeggen en er hem wat voor geven, wat hij graag hebben
wil. Maar bij een hond kan het niet."
"Neen," zei moeder, "dat is waar, maar we kunnen lief en goed voor
hem zijn en veel van hem houden, dat voelt hij wel."
Voortaan zeide zus er niets meer van als Désiré mee uit ging, ze was
niet onvriendelijk voor hem, maar haalde hem toch nooit aan zooals
vader en moeder, en de anderen deden of speelde niet met hem. Het
kostte haar nog steeds moeite hem niet weg te duwen, als hij tegen
haar opsprong of zijn goedigen kop in haren schoot legde.