"Neen, zoo niet, recht op! Toe, dan krijg je een stuk worst!"
"Nee nog niet happen.--Eerst rechtop! Kop hups! Zus, trek hem
eens aan zijn voorpooten.--Ja zóó! Recht kom dan! Nou stil zitten
hoor. Een--twee--drie--vier--vijf--zes--. Mooi zoo! Daar is de
worst! Zie je wel zus, hij kan 't al. Désiré, hier!--Hij komt dadelijk,
leuk hé?"
Op de plaats stonden ze. Désiré was al heelemaal gewend, ja het was
net, of hij er altijd geweest was.
"Nou ik es," zei zus: "Désiré, hier!"
"Zie je wel, hij doet 't niet voor me," en ze stampte met haar voet.
"Je hebt hem gisteren ook geslagen met dien stok," zei Tony, "dat
vindt hij ook niet lief."
"Ja, maar hij had Lijsje stuk gebeten," pruilde zus.
"Hij heeft 't toch niet exprès gedaan; had die pop dan opgeborgen."
"Had jij hem niet in de kamer gelaten. Hij mag mijn pop niet opeten."
"Jij mag hem niet slaan."
"'t Is een naar beest, ik houd niet van hem," snikte zus nu en liep
weg, om haar troost bij moeder te zoeken.
"Moe, Tony is kwaad, omdat ik Désiré heb geslagen, en hij had toch
Lijsje verscheurd. Tony is niks aardig en Désiré is een nare hond."
"Foei," zei moeder, "zus je moet niet zulke leelijke dingen
zeggen. Désiré wist niet, dat hij kwaad deed en Tony of vader zullen
het hem wel leeren, maar zus moet niet met een stok slaan. Lijsje was
een oude pop en je keek er nooit meer naar om. Als zusje zoo doet,
vindt moeder haar niet lief."
"Ik vind Désiré niet lief," hield zus vol "en ik vind het niets
prettig, dat Tony hem gekregen heeft."
"Je meent het niet," zei moe, maar zus ging niet meer naar Tony toe
en bleef pruilen.
Als ze gingen wandelen, mocht Désiré nu ook mee. Wat was hij dan
blij. Eerst ging hij aan een ketting, maar spoedig was hij genoeg
gewend en liep buiten in het bosch los.
Hij volgde de kinderen op de hielen of sprong om hen heen. Soms was
hij zoo woest, dat hij zus haast omver liep, of telkens tegen haar
op sprong en zijn voorpooten op hare schouders zette. Dan was ze bang
voor zijn grooten kop, ofschoon hij nooit kwaad deed.
"Toe laat Désiré nu maar en speel liever met mij," vleide ze eens,
dat ze weer in het bosch waren op een Woensdag middag.
"Ik speel toch immers met je," zei Tony.
"Ja, maar je kijkt aldoor maar naar Désiré en hij loopt voor me
voeten. Ga toch weg, beest! en ze schopte naar hem. Désiré sprong op
zij en rende naar Tony, maar even later was hij weer bij zus terug
en duwde zijn kop liefkoozend tegen haar aan.
"Kijk nou," zei Tony, "je duwt hem ook altijd weg, en bent nooit eens
lief voor hem. Ik vind het niets aardig van je."
"Ik vind jou ook niets aardig en Désiré ook niet. Toe bind hem nu
vast aan een boom, dan kunnen we prettig spelen. Wees nu eens lief,"
vleide ze weer. En Tony, hoewel onwillig, kreeg halsband en ketting
en riep den hond bij zich. Maar het schrandere dier, begreep wat
zijn baas wilde, hij gehoorzaamde, doch sprong om Tony heen en blafte
luid, alsof hij hem smeeken wilde zijn plan niet te volvoeren. Tony
had medelijden met zijn hond, maar wilde zus toch ook graag pleizier
doen. Hij streelde Désiré, klopte hem op den rug, maar deed hem toch
den halsband om en bond hem aan een boom vast. "Nu stil liggen--koest,
hoor."
Désiré staarde hem bedroefd na en stiet een klagend gehuil uit, toen
hij de kinderen zag vliegen over het gras en zelve niet mee mocht doen.
"Stil hoor," riep zus.
"Mag ik hem niet losmaken," vroeg Tony weer.
"Nee hoor, dan heb ik niets geen pret" en Tony gaf het dwingelandje
haar zin.
Was het wonder, dat Tony wel eens alleen met zijn hond uitwipte.
"Waar is Tony, Moesje?" vroeg zusje.
"Uit," zei moeder, "naar de wei met Désiré."
"Hé, Moesje, mocht ik dan niet mee?"
"Maar je wil immers nooit, dat Désiré los is. Het arme beest mag toch
wel eens vrij rondloopen. Daarom is Tony alleen met hem uitgegaan."
Groote tranen! Schokkend snikte ze. "Hoe leelijk van Tony, zie je
wel, dat hij meer van dien naren hond houdt, dan van mij." Ze wierp
zich voorover op de zitting van vaders grooten stoel en snikte haar
verdriet uit, toen moeder de kamer uit was.
Ze voelde zich echt ongelukkig, omdat broer weggegaan was en meer om
den hond gaf dan om haar.
"Ba, die nare hond, die akelige hond! was hij maar nooit hier
gekomen!--"
Tony bleef niet lang weg. Zus lag nog met het hoofd op de zitting,
toen de deur, die aanstond werd opengestooten en ze plotseling een
snuiven en hijgen naast zich hoorde. Désiré stak zijn goedigen kop
door de armleuning en likte haar krullekopje. Sprong toen achter haar
om naar den anderen kant, maar voordat hij haar gezicht kon vinden,
trapte zij achteruit: "Ga je weg! naar beest!" Zóó erg meende zij
het niet! Ze schrok er zelf van. De hond sprong jankend op zij en
liep hinkend op drie pooten de deur uit, de gang in, naar Tony. Zus
keek hem na. "Wat zal Tony zeggen," dacht zij.
"Wat is er gebeurd, Désiré?" hoorde zij Tony vragen.
"Kom hier en laat de baas eens kijken." De hond jankte luider, zeker
bevoelde Tony zijn poot. "Heb je in een spijker getrapt?" Juist kwam
vader uit het kantoor aan den anderen kant van de gang.
"Wat is er, heeft hij zijn poot bezeerd? Het lijkt wel of die in de
knel heeft gezeten."
"Zoo pas liep hij nog op vier pooten naar binnen," antwoordde Tony.
Zus was opgestaan, maar ze ging niet in de gang. Ze durfde vader en
Tony niet onder de oogen komen, maar liep de tuindeuren door naar
moeder, die aardbeien plukte.
"Kindje, wat heb je toch gehuild. Hoe dom, toch," zei moeder.
Toen barstte ze opnieuw in tranen los en verborg snikkend haar hoofd
in moeders rokken.
"Kom, je mag niet zoo jaloersch zijn, Tony komt gauw weer thuis,
help moeder maar plukken," hernam moeder, die dacht, dat het alleen
daarom was. En zus begon haar te helpen, bang dat vader en Tony komen
zouden. Ze vloog niet op, hen te gemoet, toen ze in den tuin kwamen,
om Désiré naar het hok te brengen.
"Wat is er met Désiré," riep moeder tegen hen. Zus hoorde, hoe vader
vertelde, dat de poot gekneusd was en Tony zei, dat hij niet begreep,
hoe het gekomen was. Toen zei moeder, dat ze moest binnen komen.
"Wat zus, ben jij daar? Krijgt vader geen kusje. Ben je zoo ijverig
bezig?" Vader kwam naar haar toe. Zus bukte en bukte, totdat Vader
haar optilde en haar gezichtje tegen zijn lippen drukte. "Heb je
geschreid? Waarom?" Ze antwoordde niet maar sloeg de oogjes neer. Vader
schudde haar boven zijn hoofd heen en weer. "Lach eens gauw, lachen,
zeg ik." Toen droeg hij haar naar binnen en zei, dat ze zich gauw
moest laten wasschen, want dat ze er zoo niets aardig uitzag.
Zus had niet veel te vertellen, maar at zwijgend haar boterham met
aardbeien.
Toen moeder haar 's avonds naar bed bracht en zij op moeders schoot
haar gebedje had opgezegd, nam moeder haar in de armen, boog haar
hoofdje achterover en vroeg: "Is zusje heel lief geweest vandaag?" Toen
snikte ze.
"Maar ik had het zoo erg niet gemeend." "Wat," vroeg moeder
verwonderd. Zij dacht alleen aan haar boosheid, omdat Tony haar niet
had meegenomen. "Ik deed maar even zóó, maar ik wist niet, dat ik hem
zoo'n pijn deed, heusch niet," zei zus. Nu begreep moeder ineens en
vriendelijk maar ernstig zei moeder: "Ik ben blij, dat je er spijt
van hebt. Je moet nooit meer zoo leelijk doen tegen Désiré, omdat
broer zooveel van hem houdt."
Zus zei "neen moesje," kreeg een nachtkus en ging slapen.
Moeder vertelde het beneden aan Tony en vader, maar niemand sprak er
meer over later. Gelukkig werd de poot gauw weer beter en kon Désiré
weer heel gauw draven en springen als vroeger. Zus keek niet naar
hem om, deed hem niets, maar ging hem een beetje uit den weg en vond
het nog steeds niet prettig, als hij mee uit ging. Als broer eens
met haar alleen naar Tante ging, die Désiré liever niet op bezoek
kreeg, dan kon ze niet nalaten te zeggen: "Leuk hè, Tony, weer zoo
samen. Met Désiré is toch zoo vervelend," en Tony zei maar niets,
want hij vond het niets aardig, dat zus zoo weinig met Désiré op had.