Er kwamen wel eens jongens bij Tony in den tuin spelen, maar als zus
niet mee mocht doen, konden ze wel heengaan. Daarom moest zus leeren
slootje springen; op een smallen plank loopen over de sloot, knikkeren
op z'n jongens; hoepelen, duikelen in het gras en aan den rekstok;
in een boom klimmen, hardloopen en meer van die jongensspelen. En ze
kon heel aardig meedoen, want Tony leerde het haar en hij vond het
heerlijk als het kleine ding hooger durfde schommelen, dan de groote
jongens. Toch was hij heel voorzichtig met haar. "Ja," zei hij dan,
"het is toch een meisje en ze is nog zoo klein ook."
Als Tony op school was, speelde zus met haar poppen, maar was hij
thuis dan lagen de arme kinderen vergeten in een hoekje of Tony moest
mee huishoudentje spelen; anders was zij jongen mee.
Het liefst had ze een oud pakje van Tony aan, dat hij haar met de
schoonmaak eens voor de grap had aangetrokken. Dat stond zoo leuk
vond Tony, bij die lange, blonde krullen, dan was ze net kleine
lord Fauntleroy. Toch was zus niet jongensachtig, maar heel zacht
en bedaard. Soms kon ze tijden met haar poppen in een hoekje zitten
moedertje spelen, of met de kleintjes in den tuin wandelen. Ook hield
ze dol van poppenwasch. Moeder had haar ook breien geleerd.
Eens zat ze in haar eigen rieten stoeltje in den tuin voor Tony,
die gauw jarig was, een knikkerzakje te breien. Moeder naaide aan
een mooie jurk voor haar en ze vond zich zelve erg groot, dat ze nu
ook een werkje maakte en zat een tijdlang ijverig te peuteren zonder
iets te zeggen.
"Moeder," vroeg ze op eens "wat krijgt Tony van U en van Vader?"
"Wat denk je?" antwoordde moeder.
"Ik weet wel iets, dat hij heel, heel graag hebben wil. Maar dat
krijgt hij natuurlijk niet," zei ze weer.
"Zoo, vrouwtje. Wat is dat dan voor vreeselijks?"
"Ik zal het u influisteren," antwoordde zus, wierp haar breiwerk
neer in 't gras en sprong naar moeder. Ofschoon er niemand bij was,
zei ze 't heel zacht aan moeders oor en keek moeder toen met een
ernstig ondervragenden blik aan. Moeder lachte. "Jongens, jongens,
dat is geen kleinigheid," zei ze, "dat is heel duur."
Emy's gezicht betrok. "Maar hij zou het zoo heel, heel erg graag
hebben," zei ze, "en hij is toch zoo lief, moesje."
"Houdt zus zooveel van broer? Ik geloof nog meer dan van moeder en
vader, hè?" was moeders wedervraag, terwijl ze haar naaiwerk in den
schoot liet vallen en het lieve gezichtje tusschen hare handen nam,
om het te kussen.
"Neen," antwoordde zus dadelijk. "Ik houd van vader, van moeder en van
Jans en van de poes en van Lijsje en Truitje en al de andere poppen
en van grootmoe ook en van tante Sjaak en van grootvader en o, van
een heeleboel menschen meer. Ook van den kruideniersjongen, want die
brengt altijd balletjes voor me mee en ik mag op zijn fiets rijden."
"Nu," antwoordde moeder, "als je van vader en moeder net zooveel houdt,
als van den kruideniersjongen, dan mogen we toch tevreden wezen,"
en zij lachte hartelijk.
"Krijgt Tony dan een hond, hé toe, moesje?"
"Maak jij je knikkerzakje maar af, dan zullen we nog eens zien, kleine
vleister," zei moeder en zette zus, die op haar schoot geklommen was,
tot groot gevaar voor de jurk, weer op den grond. Ze liet de naalden
weer tikken, zoo gauw de kleine ongeoefende handjes het konden en
dacht: "hij krijgt hem wel," hardop zei ze: "Wat zal hij blij zijn!"