"Och nee, Pa!"
"Neen? waarom niet. Je bent toch ook niet ziek?" zegt moeder.
"Nee, moe, maar ik wou wat met zus spelen, ik heb het beloofd, dat
ik mijn soldaten zou opzetten."
"Ja, dan moet zus maar eerst wat anders spelen. Een gezonde jongen den
geheelen dag in die warme kamer is niet goed. En vader heeft veel te
graag, dat je mee gaat." Moe krijgt zijn jas en pet en zus begint te
pruilen. "Hij heeft het beloofd.--Vader is groot, maar zus is klein."
"Neen," zegt moeder, "zus is niet lief. Tony gaat met vader mee en
zus mag niet pruilen en gaat zoet met de poppen spelen, totdat Tony
thuis komt. Kijk Sientje is niet eens aangekleed. Wat is je wiegje
slordig. We zullen het samen eens opknappen", en moeder gaat mee
naar het speelhoekje en zus vergeet haar verdriet. Tony gaat met
vader mee. Voor het raam kijkt hij nog eens naar binnen, drukt zijn
neus tegen de ruiten, om te zien of zus al getroost is. Zij kijkt
om en lacht om den platgedrukten neus en zegt: "Straks gaat Tony mee
spelen." "Zeker," zegt moeder, "straks" en zus weet, dat hij het doen
zal en is tevreden.
"Maar Tony, jongen wat heb je nu weer uitgevoerd?" zegt moeder
verschrikt. "Kind, ben je gevallen? Pas op, niet met dien vuilen
zakdoek."
"Nee moe--nee!--ja!" snikt Tony. Hij wrijft zijn vuilen zakdoek over
zijn bebloeden neus en vuil gezicht, wat het niet beter maakt.
"O, Tony!" roept zusje verschrikt "het bloedt, het bloedt allemaal"
en ze zet het op een schreien. "Stil kindje, kom, gauw mee naar de
pomp Tony," en moeder houdt het hoofd onder den helderen waterstraal,
wat beter helpt. Nu kan ze zien, dat Tony's neus is opgezet en een
schram over zijn wang bloedt.
"O kijk, moesje, zijn blouse is gescheurd," zegt zus en steekt haar
vingertje door een winkelhaak in zijn rug. "En heelemaal vuil moe, O!"
"Hoe komt het dan toch," zegt moeder weer, terwijl ze zijn neus met
watten dicht stopt.
"O, die Bert, die naarheid; maar ik heb hem lekker te pakken genomen,"
en hij balde zijn vuisten.
"O, dus je hebt gevochten, dan heb ik heelemaal geen medelijden met
je; dan moet je maar niet vechten. Dat zijn straatjongensmanieren."
"Ja, maar ik moest wel, moeder--hij zei--hij zei--"
"Nu?"
"Hij zei, wat van zus--en, dat laat ik niet zeggen, hij zei: 'ze is
een akelige kribbekat.'" Zijn oogen stonden zoo kwaad; hij balde de
vuisten of Bert weer voor hem stond.
"Maar nu heb je toch bewezen, door je bebloeden neus en zijn blauw oog
of wat je hem hebt gegeven, dat het niet waar is," zei moeder ernstig.
Tony zag moeder eens aan, hij begreep niet of moeder wel meende,
wat ze zei.
"Laat ze toch praten, jongen, ze zeggen het immers, om je te plagen,
omdat ze weten, dat jij je er boos om maakt," vervolgde moeder, maar
Tony bromde zooiets van: daar hebben moeders geen verstand van, die
zijn geen jongens geweest, doch hij zei het maar niet hardop. Zijn
neus deed hem erg zeer. Zus had medelijden met hem, ze troonde hem
mee en speelde met hem. "Vader," zei ze, toen die thuis kwam van
het kantoor, "Tony heeft met de jongens gevochten voor mij en hij
heeft al zoo'n pijn. Wees U maar niet boos." En vader zei alleen:
"zóó, een bloedneus, en de ander? Is die heelemaal dood of half? Je
moet niet vechten, Tony"--en nu kon Tony toch niet denken, dat vader
er geen verstand van had, want die was toch ook een jongen geweest.