In handwerksbedrijven (met elk 1-18 arb.) 1.997.633 2.075.619
In kleine fabrieken (met elk 11-50 arb.) 430.278 747.146
In groote fabrieken (met meer dan 50 arb.) 962.383 1.734.884
Een stijging van de industrieele bevolking is dus in alle drie klassen
waar te nemen, maar die stijging is des te opvallender naarmate het
bedrijf grooter is. In de kleine bedrijven was de stijging 4%, in de
middelbedrijven 74% en in de groote 80%.
Die verdringing van het handwerk en de manufactuur door het machinale
bedrijf komt ook nog in de vermeerderde toepassing van de stoomkracht
aan het licht. In het jaar 1875 waren er 25.132 ondernemingen met
machinebedrijf, die tezamen 1.055.750 paardekrachten representeerden;
in 1895 daarentegen 146.353 zoodanige bedrijven met een totaal vermogen
van 3.399.282 paardekrachten.
Nog duidelijker wordt, wat Duitschland aangaat, het beeld der
ontwikkeling als wij het van 1875 af beschouwen:
1875 1895 Toename
in procenten:
zelfstandigen 2.945.084 2.948.821 0.13
loon-arbeiders en
beambten 3.634.867 7.320.448 101.41
Men ziet hoe, in slechts twintig jaren, het cijfer van de
"zelfstandigen" in de nijverheid zoo goed als niet is gestegen (er
worden bovendien ook nog filiaalhouders en leiders van bedrijven onder
begrepen), terwijl het aantal loonarbeiders gedurende dit tijdperk
verdubbeld is.
De leidende rol van de groot-produktie wordt ook nog door enkele andere
cijfers bewezen. Zoo waren in 1895 van de 1000 personen die werkzaam
waren in de steenkolenwerken: 998 arbeiders; in de bietsuikerfabrieken:
994; in de staal- en ijzerfabricage: 978. De stoommachinefabricage had
er 956 in 1895 tegen 916 in 1882; de katoenspinnerij 928 tegen 840 in
1882; porceleinfabricage 889 tegen 814; wolspinnerij 780 tegen 606;
wagenmakerij en rijwielfabricage 777 tegen 711; de blikwarenindustrie
720 tegen 528; de katoenweverij 672 tegen 455; de wolweverij 638
tegen 455; de zijdeweverij 573 tegen 178.
Ook van de concentratie der bedrijven tot meerdere bedrijven in het
groot-bedrijf vereenigd, volge hier nog een kort beeld in cijfers:
Rekent men alle ondernemingen, welke meerdere industrieën in zich
bevatten, als totaal-bedrijven, dan bedroeg hun aantal in 1895: 89.201,
slechts 2.9% van de hoofdbedrijven, doch er waren daarin niet minder
dan 1.696.120 personen en 1.209.280 paardekrachten in vereenigd.
Bijzonder merkwaardig is in het industrieele België de ontwikkeling
in dit opzicht. In de 41 bedrijven, die ieder meer dan 1000 arbeiders
hebben, concentreert zich 10% van de gansche industrie-bevolking; 42%
zijn bij 1854 naamlooze vennootschappen aan het werk, wat gemiddeld
149 per bedrijf geeft. Terwijl de bevolking met 50% is gestegen,
leverde voor sommige hoofdindustrieën de concentratie in 40 jaren
het volgende beeld op: