"De menschheid wankelt sedert hare schepping als een dronkaard
tusschen het communisme en den eigendom heen en weer."
Proudhon.
"Het anarchisme leidt tot communisme en het communisme tot anarchisme,
het eene zoowel als het andere, vormen niets dan de uitdrukking van
de albeheerschende tendenzen in de moderne samenleving, het streven
naar gelijkheid."
Aldus Kropotkine, in zijn verklaring van de beteekenis van het
communistisch anarchisme. [47] Men zou even goed kunnen zeggen:
desorganisatie leidt tot organisatie, bijgevolg zijn desorganisatie en
organisatie twee uitdrukkingen van het streven naar éénheid. Maar,
hetgeen door Kropotkine eigenlijk bedoeld wordt, is dat er voor
de ontplooiing van de vrijheid van den individu alleen onder het
communisme mogelijkheid bestaat. Dat is zeker niet overeenkomstig
de leer van Proudhon, naar Kropotkine's eigen verklaring "den vader
van het anarchisme," [48] die het communisme niet alleen bij zekere
gelegenheid "de religie der ellende" genoemd heeft, [49] maar voor
wien juist de kern van het privaat-bezit, een onvoorwaardelijke
noodzakelijkheid voor de vrijheid van de persoon is geweest.
Dat is mede het oordeel van den proudhonistischen anarchist
Auban-Mackay. Deze toch zegt:
"Ik wil trachten te bewijzen hoe onvereenigbaar verschillend de
wereldbeschouwingen zijn van communisme en anarchie, ook in al
hunne gevolgen"... [50]
"Verdrijft den onrechtmatigen eigendom, d.w.z. verdrijft
het daardoor, dat gij zelf bezitters wordt. Dat is de eenige
weg om het werkelijk "af te schaffen," de eenige verstandige,
rechtvaardige en tevens de weg van vrijheid." [51]
Noch Stirner, noch Proudhon, noch Mackay-Auban zijn dus van de
meening van Kropotkine e.d.; hun meening is veeleer diametraal daaraan
tegenovergesteld. De apodiktische uitspraak van Kropotkine lijdt dus,
naar men ziet, ook onder anarchisten wel eenigen twijfel. Inderdaad is
deze twijfel zeer gegrond; zelfs waar de anarchisten op het voetspoor
van Kropotkine heel veel communistisch water in den individualistischen
wijn gedaan hebben, wordt die twijfel daarmede geenszins opgeheven.
Waar het bij Kropotkine om gaat, is, niet minder dan bij de voorloopers
van de privaat-kapitalistische aera van ontwikkeling die met de 18e
eeuw inzette, om het persoonlijk geluk van den individu, om het grootst
mogelijk persoonlijk geluk voor het grootst mogelijk aantal, gelijk
deze voorloopers van de onbeperkte heerschappij van de bezittende
klasse het uitgedrukt hebben.
Ook hiermee is deze communistisch-anarchistische literatuur tot een
dekadente gestempeld: het communisme ziet zij niet komen als een
economische en technische noodzakelijkheid, maar als een uiting van
"gerechtigheid," van "gelijkheid," en opdat de persoon in zijn volle
heerlijkheid kunne stralen.
Ook de socialistische utopisten van het begin van de vorige eeuw,
ook de ideologen van de soort als Gracchus Baboeuf bijv., gingen van
zoodanige "gerechtigheids"- en "gelijkheids"-overwegingen uit. Maar
zij konden niet zien, dat de maatschappelijke ontwikkeling vóór alles
haar loop moest hebben en dat het communisme niets dan de economisch en
technisch noodzakelijke konsekwentie kon zijn van een kapitalistische
produktiewijze, die vooraf moest gaan, niet om aan te toonen dat
het communisme een meer rechtvaardige vorm van voortbrenging was,
maar om dien eerst recht mogelijk te maken.
Het is hier weder hetzelfde geval als met de revolutie-idee: voor de
burgerlijke en voor de anarchistische ideologie hangt het bereiken van
een historische omwenteling, het "invoeren" van een maatschappijvorm,
in de eerste plaats er van af, dat alle menschen goed overtuigd
zijn van haar nut. Van het willen dus. In werkelijkheid stoort de
ontwikkeling van de maatschappij zich geenszins aan die idee, maar
gaat haar eigen gang. En eerst op een zeker punt harer ontwikkeling
toont zij aan, dat een andere vorm meer en meer noodzakelijk wordt:
zij schept dan zelf de mogelijkheid daarvoor.
Nakomers als Kropotkine etc. hebben geenszins hetzelfde historische
recht als zij, die het kapitalisme in zijn volle ontwikkeling nog niet
zien konden, en, wijl zij slechts vóórgevoelden dat de kapitalistische
maatschappij door de concurrentie-verhoudingen die zij schiep de
menschheid ten verderve zou moeten voeren, tot een beroep op de
gerechtigheid hunne toevlucht namen.
Kropotkine doet dat ook wel, maar hij doet nog iets anders. Hij
neemt bovendien, om een communisme te verkregen zooals het hem
lijkt, zijn toevlucht tot het kleinbedrijf. Hij denkt eenvoudig
allerlei gesplitste en gedecentraliseerde bedrijfsvormen uit, ten
einde het anarchisme te kunnen verbinden aan het communisme. Dat
is de kern zijner kleinburgerlijke revolutiebeschouwing geweest,
dat is ook de kern van zijn communisme, dat hij zich niet onder
geconcentreerde bedrijfsvormen denken kan, maar utopisch-willekeurig
onder verhoudingen, die in alle deelen een teruggang naar overleefde
klein-bedrijfsvormen zijn te noemen. Dáárop komt de "stoutheid"
van deze economie neer!
Van Kropotkine e.t.q. geldt wat het "Communistisch Manifest" onder
hoofdstuk III zegt van den nawas der Utopisten:
"Waren daarentegen de makers dezer systemen ook in vele
opzichten revolutionair, zoo vormen hunne scholieren telkenmale
reaktionaire sekten. Zij houden aan de oude beschouwingen der
meesters vast tegenover de historische voortontwikkeling van
het proletariaat. Zij zoeken dus konsekwent den klassenstrijd
weder af te stompen en de tegenstellingen te overbruggen. Zij
droomen nog steeds van de proefsgewijze verwezenlijking hunner
maatschappelijke utopieën." [52]
Ten aanzien van den staat staan Kropotkine c. s. in den grond op niet
minder klein-burgerlijk standpunt. Kropotkine zelf verraadt ons de
afkomst van den afkeer voor den staat nergens zoo sterk als in de
volgende karakteristieke mededeeling:
"In den strijd tusschen individu en staat, staat het
anarchisme, doordien het het werk van zijn voorgangers uit de
18e eeuw voortzet, aan de zijde van de maatschappij en tegen de
staats-autoriteit, die ten gevolge van historische oorzaken de
eerste beheerscht." [53]
Deze beschouwing van den staat, als een sta-in-den-weg voor de
maatschappelijke ontwikkeling, was eveneens een karakteristieke
eigenschap van de wegbereiders van het kapitalisme en van de
verdedigers van de kapitalistische produktie als het systeem dat
de volle verantwoordelijkheid van de persoon voor zijn daden,
de volle vrijheid van de ontplooiing van den individu zou
brengen. Kortom, van die verdedigers van de bezittende klasse,
die haar stelsel voorstelden als het eenige dat leiden kon tot de
"sociale harmonie." Dat is sinds Adam Smith tot Bastiat, dus van de
18e tot diep in de 19e eeuw, het standpunt van de burgerlijke economie
geweest. Het communistisch anarchisme is nergens oorspronkelijk. Op
elke schrede die het doet ontmoet men oude kennissen, die òf van zuiver
manchester-kapitalistischen huize zijn òf van de utopische familie.
Het criterium van de voorloopers van het kapitalisme was: de individu
en zijne behoeften. Dat kon niet anders omdat juist dit kapitalisme
bestemd was om aan een individualistische levens- en wereldbeschouwing
te beantwoorden. Het was bij hen een uit de gansche opvatting van de
maatschappij logisch volgende konsekwentie.
De communistische anarchist evenwel stelt als het criterium van
zijn communisme precies denzelfden individu en zijn behoeften. Zoo
Jean Grave:
"Inderdaad, de anarchisten die het communisme voor zich opeischen,
erkennen in de eerste plaats, dat de individu niet op de wereld
is om de samenleving; maar dat, integendeel, deze zich heeft
geformeerd, om het gene gemakkelijker te maken zich te kunnen
ontwikkelen." [54]
Hier komt het oude principieel-liberale standpunt, zoo duidelijk als
het kan, om den hoek kijken: de gemeenschap bijzaak, het individu
hoofdzaak, de eerste is er om de laatste nuttig te zijn. Wat volgt
is nog duidelijker:
"Het is zeer begrijpelijk dat, wanneer een zeker aantal individuen
zich groepeeren en hunne krachten vereenigen, zij dat zullen doen
met het doel om een grooter opbrengst van produkten te erlangen
en om minder krachten te verspillen. Zij hebben daarbij geenszins
de bedoeling om hun initiatief, hun wil, hunne individualiteit
op te offeren, bloot om den wille van een innerlijkheid die niet
bestond vóór hunne vereeniging, die weer verdwenen zal zijn met
hunne verspreiding." [55]
Op een andere plaats legt deze communistische anarchist nog eens den
nadruk op dat individueele in het communisme, wat wel het best dat
soort communistisch anarchisme kenschetst. Daar zegt hij o.a.:
"Het individueele initiatief alleen kan het succes van de revolutie
verzekeren. Elke centralisatie is een rem voor de uitbreiding van
de nieuwe denkbeelden; in plaats van te pogen het te belemmeren,
moet men, integendeel, werken aan zijn vrije ontplooiing." [56]
Zoo, en principieel niet anders, hebben het ook de vóórloopers
der kapitalistische productiewijze gemeend, toen zij op dezelfde
en dergelijke gronden het kapitalistische stelsel van de "vrije"
exploitatie en het "vrije" spel der economische krachten verdedigden,
als het eenige dat met het "persoonlijke initiatief" werkelijk te
vereenigen was. Waar dit op uitgeloopen is weet men.
Voor nog een ander apostel van het moderne anarchisme is zelfs de
produktievorm absoluut bijzaak. Hij heet Jacques Mesnil en laat zich
over deze kwestie als volgt uit:
"Men beweert dat deze (toekomstige) vorm communistisch zal
zijn. Dat kan, maar dat is niet noodzakelijk. Noodzakelijk is
dat de autonomie van den individu erin gewaarborgd zij, want dat
begrip autonomie ('t is gelukkig maar 'n "begrip") behoort ons
thans en is onafscheidelijk van ons geworden." [57]
De natuurphilosophie van de 18e eeuw, waaruit volgens Kropotkine
het anarchisme geboren is, stond bij de verdediging van het
privaat-kapitalisme op den bodem van het z.g.n. "natuurrecht." Dat
recht grondde zich op "de natuur van den mensch" en deze "natuur"
werd dan geheel in overeenstemming bevonden met de eigenschappen van
den kapitalistischen "bezitter." Zoo concipieerde deze school éérst
een sociale philosophie, om daarna, uitgaande van den abstrakten
mensch dien zij zich gevormd had, het kapitalisme het eenig-mogelijke
produktiestelsel te vinden dat met deze ideeën in overeenstemming was.
Onze anarchistische communisten zouden geen compleete dekadenten van
dat natuurrechtelijk liberalisme en van deze natuurphilosophische
school van de "ware natuur" van den mensch zijn, als ook zij niet
een beroep op die natuur deden. Jean Grave zegt:
"De anarchisten, zich stellende op den grondslag van de ware natuur
van den mensch, op de werkelijke uitkomsten van de associatie,
zien in de menschheid niets dan een groot veld van evolutie, dat
aan ieders temperament, aan ieders gedachte, aan elk denkbeeld
de plaats aanbiedt zich vrijelijk te ontwikkelen naar hunne
verwantschap...
Laten wij de individuen vrij om zich-zelf te vinden, laten wij
hunne ideeën aan het licht doen komen en wij zullen zien dat al
het aarzelende, alle dwalingen zich van zelf zullen herstellen
door hun eigen onverdragelijkheid en dat zij plaats zullen maken
voor de onderlinge verstandhouding en het harmonische funktioneeren
van al onze geschiktheden."
"Laat gaan, laat waaien." Zoo riepen de natuurrechtelijke voorvechters
van het kapitalisme in de 18e eeuw met luider stem. "Laat de
menschen hun zaken zelf opknappen, geen inmenging van den staat,
geen bemoeiing van derden." Onze "theoretische" communistische
anarchisten roepen het hun nu nog na. Maar in ieder geval is er dit
verschil, dat de voorloopers van het privaat-kapitalisme in de 18e
eeuw een zeker historisch recht hadden met hunne abstrakte persoon
en diens vrije initiatief. Het was in ieder geval een eisch van
noodzakelijkheid voor het zich ontwikkelende kapitalisme dat het door
deze theorieën een rechtvaardiging en een steun kreeg. Het kapitalisme
was noodzakelijkheid en de ontwikkeling van de vrije exploitatie moest
als een scherpe tegenstelling geplaatst worden tegenover de resten van
het feodalisme, waartegen het kapitalisme in de 18e eeuw nog fel had
te kampen: een overleefd gildewezen, belemmeringen van economischen en
politieken aard uit het mercantiele tijdperk, tollen, lasten etc. op
industrie en handel. De bemoeiing van den staat (trouwens van gansch
anderen aard dan die later een economische eisch is geworden tot
bescherming van den zwakke in den concurrentiestrijd) moest eerst tot
een minimum worden teruggebracht. Dat alles was economisch noodzakelijk
en als de sociale philosophie en economie van de 18e eeuw overdreef,
dan was dit omdat zij, zich ten deele baseerende op een theorie,
zonder eenige ervaringswetenschap op sociologisch terrein, haar doel
voorbij moest schieten.
Een zoodanig historisch recht kan het individualistisch communisme
van onze dagen niet alleen niet meer voor zich vindiceeren, maar het
is eenvoudig belachelijk om, nu de ervaring van een eeuw juist het
tegenovergestelde als een eisch van de ontwikkeling geleerd heeft,
nog steeds vast te houden aan fossiele (versteende) begrippen.
Als men, gelijk de kleinburgerlijke utopie van de communistische
anarchisten dat gebiedt, de ontwikkeling van de maatschappij zich
achterwaarts ziet bewegen, dan blijft er voor het communisme als
toekomstigen bedrijfsvorm geen enkelen logischen grond over. Kropotkine
weet dan ook geen enkele dwingende noodzakelijkheid voor zijn
communisme op te geven:
"Wij meenen bovendien dat het communisme niet alleen wenschelijk
is, maar dat de huidige maatschappijen, gebaseerd op het
individualisme, gedwongen zijn gestadig tot het communisme zich
te ontwikkelen."
Deze meening vindt men evenwel nergens toegelicht op andere dan de
reeds vroeger genoemde gronden van consumptieven aard, gronden dus van
verdeeling waarop van ouds het kleinburgerlijk, utopisch socialisme
reeds verdedigd is.
Nemen wij hier nog eens een proefje van de "stoutheid" der
staathuishoudkunde bij Kropotkine:
"In de economie verdedigt het anarchisme de overtuiging dat
de tegenwoordige euvelen minder gezocht moeten worden in het
feit dat de kapitalist zich de "meerwaarde" of de zuivere winst
toeëigent, dan wel daarin dat deze meerwaarde of zuivere winst
mogelijk is. Deze bestaan inderdaad slechts omdat millioenen
menschen letterlijk zich niet voeden kunnen, zonder hunne
krachten of hunne intelligenties tot een prijs te verkoopen,
welke de vorming van meerwaarde of zuivere winst eerst mogelijk
maakt. Op deze gronden gelooven wij, dat het in de economie
alleen hierop aankomt, het hoofdstuk consumptie te bestudeeren,
en dat het bij een sociale omvorming eene eerste vereischte is,
de consumptie zoo te organiseeren, dat woning, voedsel en kleeding
voor elkeen is verzekerd. De produktie zal dan zoodanig moeten
worden georganiseerd, dat vóór alles de eerste behoeften van
ieder individu bevredigd worden." [58]
Zooals men uit deze economische wijsheid weder ziet, heeft Kropotkine
geenszins zooveel vertrouwen in dien verantwoordelijken, souvereinen
individu. Liever eerst maar de kost; idealisme, stoutheid en durf
voeren ook bij Kropotkine niets uit als er geen voedsel is. Maar dit
is hier nu de hoofdzaak niet.
Daar is vooreerst die kostelijke vermenging van "meerwaarde"
en "zuivere winst," die bewijst dat de geleerde Kropotkine het
a. b. c. van de meerwaarde-theorie, zooals de klassieke economie
ze aangaf en zooals die voor de typische groot-industrieele
kapitalistische produktiewijze door Marx is voortontwikkeld, nog niet
kent. Zoo schrijft men met een zeker gezag over economie en weet niet,
dat de vorming van meerwaarde een proces is dat niet juist uit de
kapitalistische produktiewijze volgt, maar dat aan alle produktievormen
eigen was en dat ook een communistische maatschappij een overschot
zal moeten vormen, bestemd om te dienen tot voortontwikkeling van
de produktie.
Zoo maakt men den menschen wijs, dat men iets "nieuws" in de economie
heeft te zeggen, als men in zeer verwarde termen de oude consumptie
theorie verkondigt. Zoo komt men tot "stoute" conclusies, met "durf"
geconstateerd, als men zijne "sociale vervorming" van de maatschappij
wil doen bepalen door de "consumptie."
Alleen maar is het wezenlijk jammer dat deze "nieuwe economie" van
het anarchisme zoo laat komt. Wat men haar dan ook trouwens wel kan
aanzien; ze is zelfs verouderd.
Het anarchisme en niet minder het communistisch anarchisme, leeft bij
de gratie van de tradities van het klein-bedrijf en bij de neiging
om de klein-industrie zooveel mogelijk te behouden. De werkelijke
ontwikkeling van de nijverheid evenwel slaat aan deze verwachtingen
zoo goed als geheel den bodem in.
Raadplegen wij een der beste kenners van de toestanden waaronder het
klein-bedrijf in Duitschland verkeert, Prof. Karl Bücher, dan vinden
wij vijf gevallen opgesomd die over het noodlot van de klein-handwerks
industrie beslissen:
1e. Verdringing van het handwerk door gelijksoortige
fabrieksproducten.
2e. Inkrimping van zijn produktie-gebied door fabriek of
grootmagazijn.
3e. Aanpassing van het handwerk aan de groote onderneming.
4e. Verarming van het handwerk door verschuiving in de behoeften.
5e. Neerdrukking van het handwerk tot huis- en sweating-arbeid
door het magazijn. [59]
Het is merkwaardig dat Bücher het typische klein-bedrijf alleen
nog voor het platte land een zekere mate van toekomstig leven kan
voorspellen. [60]
Het klein-bedrijf wordt van steeds minder beteekenis in de
voortbrenging. De Rijksstatistiek van Duitschland onderscheidt
alléén-bedrijven en bedrijven die met hulp worden uitgeoefend. Terwijl
de statistiek over 13 jaren loopt (1882-1895) en de industrieele
bevolking in dit tijdsverloop van 6.396.465 gestegen was tot 8.281.230,
was het aantal bedrijven gedaald van 1.222.139 op 1.172.140. Voor deze
vermindering leverden de alléén-bedrijven het grootste contingent:
van 755.175 in 1882 op 674.042 in 1895.
Daarentegen vermeerderden de bedrijven met 51-200 arbeiders met 88%,
die met meer dan 1000 arbeiders zelfs met 103%.
In 't geheel is het aantal werklieden in dergelijke ondernemingen
gestegen: van 158.735 op 320.710.
Nemen wij de ontwikkeling alleen voor Pruisen dan komen we tot het
volgende beeld: