steengroeven 242 %
kolenproduktie 405 ,,
katoen en wol 527 ,,
ijzerovens 726 ,,
bouwondernemingen 846 ,,
linnen- en hennepfabrieken 1108 ,,
glasblazerijen 2321 ,,
suikerfabricage 3700 ,,
Maxweiler [61] berekende, naar aanleiding van de resultaten
der beroeps- en bedrijfsstatistiek van België in 1896, dat 1/10
gedeelte van het gansche aantal bedrijven boven de 50 arbeiders
telt: 1650 bedrijven. Deze hebben met elkander: 400.000 arbeiders
van het totale aantal van 670.000; 6/10 werkt dus bij 1/10 van de
industrieele ondernemingen; ¼ van het aantal arbeiders werkt alleen
in de reuzenindustrieën, de bedrijven n.l. met méér dan 500 arbeiders.
Nog een enkel voorbeeld uit een ander industrieel land.
In Saksen telde men in 1895: 703.568 mannelijke personen in de
industrie. Waarvan:
zelfstandigen: 152.648
inbegrepen: 40.125 uit de huisindustrie
-------
totaal: 112.523
Dus 1/7 der industrieele bevolking had maar een zelfstandig bedrijf
in de industrie.
Amerika wordt hier nu eens niet in oogenschouw genomen, omdat daar
het feitelijke klein-bedrijf niet eens meer een rol speelt.
Willen wij daarbij een beeld hebben van de toenemende
industrialiseering der nijverheid, dan zijn de volgende cijfers
van belang:
Verbruik van steenkolen:
1860: 1899:
millioenen kilogram: 137.720 720.669
Verbruik van ruwijzer:
1860: 1899:
millioenen kilogram 7360 32.400
Staalproduktie van enkele landen in tonnen van 1000 kilogram:
1880: 1899:
Ver. Staten: 1.287.983 10.702.209
Duitschland: 624.418 6.290.434
Engeland: 1.341.690 4.933.010
Rusland: 295.568 1.250.000
Er blijkt uit al deze statistieken dus wel sterk genoeg dat het kleine
en het dwergbedrijf, de idylle van Kropotkine, in geen enkel opzicht
meer een eenigszins belangrijke rol vervult in de algemeene produktie.
Ook de huis-industrie, het broeinest van de ellendigste
arbeidersverhoudingen die maar bestaan kunnen, omdat zij aan elke
wettelijke contrôle ontsnapt, staat in industrieel ontwikkelde
landen onder het groot-kapitaal. Zoo zijn er in België over de
100.000 arbeiders (74.064 mannen en 38.938 vrouwen) werkzaam in de
huisindustrie voor 6000 werkgevers.
Voor Zwitserland berekende in 1880 Ad. Braun 100.000 huisindustrieelen,
omstreeks 19% van de gansche in de industrie werkende bevolking,
hoofdzakelijk over drie voorname industrieën loopend: horloge-makerij,
zijde-weverij en kantmakerij.
De horlogemakerij, van ouds een bolwerk van huisindustrie, telde
in 1888: 44.147 arbeiders, waarvan in etablissementen die onder de
fabriekswet vallen:
1880: 1888:
10.173 11.961
In de zijde-weverij waren in 1888 gezamenlijk 9982 mannelijke en 37.090
vrouwelijke personen werkzaam. Volgens de ambtelijke statistiek waren
er fabrieksarbeiders in de zijde-weverij van de gezamenlijke arbeiders
van het mannelijk geslacht 3018; vrouwelijk: 11.025, te zamen:
1888: tegen 1880:
14.043 7930
De broderie, een gewichtige tak van industrie in Zwitserland, werd
vroeger uitsluitend huisindustrieel gedreven; sedert lang deed ook
daarin het machinale bedrijf zijn intocht. Wat het volgende bewijst:
In fabrieken: Huisindustrie:
knapen beneden 16 jaren 292 1386
meisjes ,, ,, ,, 863 1766
knapen van 16-18 ,, 131 --
meisjes ,, ,, ,, 995 --
ongehuwden boven 18 ,, 3653 7038
vrouwen 1812 4243
---- ------
totaal: 7746 14.433
Zoo wijkt het handwerksbedrijf zelfs uit zijn laatste toevluchtsoord,
de huisindustrie, en waar zij nog tiert, is het zoo goed als overal
ten koste van hen die er in werkzaam zijn, van hun gezondheid, hun
leven, hun levensvreugde en hun kroost.
De conclusie waartoe prof. Werner Sombart na een diepgaand onderzoek
omtrent de situatie van de huisindustrie in onzen tijd is gekomen,
luidt als volgt: [62]
"Men weet in onzen tijd dat de huisindustrie wezenlijk er toe
dient om de voorschriften van de arbeidswetgeving te ontduiken
en de organisatie van de arbeiders in beroepsvereenigingen te
verzwaren. De huisindustrie is in de meeste gevallen tegenwoordig
niet alleen een bron van ellende voor degenen die in haar werken,
maar wat nog veel slimmer is, een rem voor de ontwikkeling op het
gebied van de industrie in haar geheel, juist hierdoor, omdat zij
het streven verijdelt wat aan een bescherming der arbeiders en aan
de vakbeweging ten grondslag ligt, en welks zegenrijke werking niet
alleen de verheffing van den oogenblikkelijk werkenden arbeider is,
maar voor alles een bespoediging van den economischen vooruitgang."
Het is dan ook een geheel valsch beeld dat Kropotkine zich van de
ontwikkeling maakt en het is een reaktionaire gedachte van hem, dat
de industrieele ontwikkeling tot de klein-bedrijfsvormen zou kunnen
terugkeeren, alleen omdat de phantastische kleinburgerlijkheid van
het communistisch anarchisme dit zoo wil.
Met de geweldige ontwikkeling van de groot-industrie is het
ideaal van dit klein-burgerlijk utopisme ganschelijk verdwenen. Het
krampachtige vasthouden aan allerlei heel of half overleefde vormen van
klein-bedrijf, gepaard met klein-landbouw-bedrijf, is de ruggegraat
van Kropotkine's verwachting van "decentralisatie" van de industrie,
m.a.w. van de verwachting dat de ontwikkeling door middel van de
revolutie op zekeren dag rechtsomkeert zou gaan maken.
In Kropotkine's anarchisme zijn dan ook zeer duidelijk drieërlei
verschillende soorten te onderscheiden: de proudhonist, die de toekomst
in de klein-industrie met wederzijdsche hulp ziet; de individualist,
die zich de phantasie van een vrije persoon schept; en de utopist,
die een phase van de maatschappelijke ontwikkeling wil teruggaan. Uit
deze drie hoofdelementen is het communistisch anarchisme samengesteld:
Hoeveel zuiverder in zijn uitingen is daarentegen het anarchisme
van de oudere school, de individualistische verbinding van Stirner's
eenling met Proudhon's persoonlijken eigendom. De waardige zoon van
"vader" Proudhon, Carrard Auban, zegt in een twistgesprek tot Trupps,
zijn vriend den communistischen anarchist:
"Gij lieden ziet niet dat het juist het eigendom is, hetwelk
ons afhankelijk maakt en gij ziet niet dat het derhalve alleen
noodig is, de baan vrij te maken tot het verkrijgen ervan, om de
wanverhouding tusschen heeren en knechten op te heffen..." [63]
Of, als men wil, een nog origineeler anarchist, Benj. Tucker, die onder
de economische voorwaarden die het anarchisme zullen mogelijk maken,
verstaat: "klein-grondbezit, handelsvrijheid, bankvrijheid en een
verdeeling van den eigendom, waarbij aan een ieder de opbrengst van
zijn arbeid is gewaarborgd." [64] Een sociaal programma dat iedere
liberaal en vrijzinnig-demokraat zonder eenige bedenking dadelijk
onderschrijven zal.
Aldus wordt in en door de ontwikkeling van de theorie bij de
anarchisten van de verschillende richtingen het anarchisme ad
absurdum (tot het belachelijke) gevoerd. En dit is werkelijk niet
te verwonderen, immers het uitgangspunt is en blijft de individu en
zijn vrijheid, zoodat men voor een eenigszins houdbare fundeering
van het stelsel slechts de keus heeft tusschen twee maatschappelijke
vormen: de liberale vorm van de vrijheid van den individu en het
persoonlijk eigendom, of de ouderwetsch klein-burgerlijke vorm van
het klein-handwerk en het over 't land versnipperde bedrijf vereenigd
met klein-landbouw.
Wat blijft er over van het anarchistisch "ideaal"?