DE "IDEE" VAN DE "REVOLUTIE."

"Daarom stelt zich de menschheid steeds die taak welke zij

volbrengen kan."

Karl Marx.

Het is wel een der opmerkelijkste kanten van dit revolutionisme in

de hier omschreven anarchistische denkwijze, dat het de burgerlijke

beschouwing nopens het karakter en het wezen van revoluties, niet

kwijt kan raken. Vandaar dat het alle revoluties en voornamelijk de

burgerlijke vanaf de 16e eeuw, over één kam scheert en dat in zijn

gedachtengang de phantasie van de definitieve, de sociale revolutie,

die aanstaande heet, zich afspiegelt als de meest konsekwente van

alle. In deze kleinburgerlijke denkwijze is de revolutie niet een

feitelijke, zich om zeer concrete oogenblikkelijke behoeften van

politieken aard bewegende historische noodzakelijkheid, maar alleen

een uiting van de "idee" der revolutie. Dat de tot nu toe plaats

gehad hebbende revoluties niet zoo definitief geweest waren, als

het naar deze beschouwingswijze wel wezen moest, komt dan ook geheel

hieruit voort, dat die "idee" niet genoeg tot het gehééle volk was

doorgedrongen. Het betrekkelijk kleine deel dus dat volgens dezen

gedachtengang van den heiligen geest der revolutie doortrokken was,

kon gevoegelijk met de resultaten van de revolutie gaan strijken,

terwijl de groote meerderheid van hare voordeelen niet alleen verstoken

is gebleven, maar bovendien in nog erger mate dupe werd.

De anarchisten zijn de ideologen van de revolutie, zooals zij,

altoos wat hunne objectieve beschouwingen aangaat, de ideologie,

die nog over de onrijpe, niet-klassebewuste, maar toch reeds door

de gedachte van verzet aangeroerde massa hangt, tot den inhoud van

hunne maatschappijbeschouwing gemaakt hebben.

Bij Kropotkine bijv. wordt deze gansche idee eigenlijk herleid tot een

kwestie van "durf" en niets anders. Meer of minder durf en stoutheid

bepalen volgens hem het welslagen van een revolutie en hij voorziet

in de naaste toekomst meer durf en stoutheid, naardien, volgens zijn

meening, de menschen tegenwoordig ook in de techniek, de industrie

etc., zooveel meer durven dan vroeger.

Men ziet: óók een soort "historisch-materialistische" beschouwing,

al is het er ook eene uit het ongerijmde.

Uit de veroveringen van de techniek, van de kennis enz. der menschen,

wordt de gevolgtrekking gemaakt dat de schuwheid van de menschen om

bijv. in een volgende revolutie radikaler te werk te gaan, zal zijn

geweken. Hij zegt dan:

"Dit alles geeft aan onze eeuw en hare revolutie onmetelijke

voordeelen. Het prikkelt de stoutheid van gedachte van den

revolutionair.

Maar ongelukkigerwijze heeft tot nog toe deze stoutheid ontbroken

op 't gebied der sociale politiek en de sociale economie. Hier

heerscht zoowel in de denkbeelden als in hunne toepassingen,

de blooheid met onbeperkt gezag." [37]

Gelijk men ziet: 't zit 'm maar daarin dat het de staathuishoudkunde

aan "durf" ontbreekt, dat zij nog geen voorbeeld genomen heeft aan

andere wetenschappen, die door hun meerderen "durf" zulke geweldige

resultaten hebben bereikt. Het is volgens Kropotkine noodig dat er een

meer "stoute" wetenschap kome. Het is de ideologie van de wetenschap

die bij Kropotkine de verwarring komt vergrooten. Volgens hem regeert

de wetenschap de menschheid en hangt het van een andere economische

wetenschap af of de menschheid van produktiewijze zal veranderen.

"De nieuwe opvattingen die in de geesten kiemen, ziet daar

den grondslag, den eenigen grondslag op welke de toekomstige

maatschappij kan opgebouwd worden. En slechts deze nieuwe

opvattingen kunnen aan den revolutionair boven zijn revolutionaire

geestdrift, de stoutheid van gedachte geven, die noodzakelijk is

voor het welslagen van de revolutie." [38]

Wij teekenen hierbij even aan, dat een maatschappij die opgebouwd wordt

op den grondslag, nog wel den eenigen grondslag, van "opvattingen

die in de geesten kiemen", niet bijster stevig zal staan. Tevoren

had Kropotkine het voorbeeld aangehaald van de techniek "die een

brugboog durfde ontwerpen van 600 meters spanning over een zeearm

en ter hoogte van 100 meters," zooals de aanleg van de Forthbrug dat

bewees. [39] Wij meenen nu heusch dat de ingenieurs dezer werken niet

juist in hoofdzaak afgegaan zijn op begrippen die in de geesten kiemen,

maar in de allereerste plaats op gronden van technische mogelijkheid,

zekerheid; daarbij voornamelijk door den positieven vooruitgang van de

technisch-architektonische wetenschappen en de geweldige vorderingen

van de ijzerconstruktie, de praktische toepassing van de mathematiek

etc. geleid. Alleen zekerheid geeft grondslag aan onzen durf en wat

de wetenschap praktisch bereikt heeft, hangt in de eerste plaats van

hare geweldige ontwikkelingshoogte af, die in de eerste plaats een

kind is van den stand van onze moderne produktiewijze.

Hoe een natuurwetenschappelijk man er toe komt om den "durf" uit

abstrakte begrippen als "opvattingen die in de geesten kiemen" te

verklaren, zou ons een raadsel zijn, ware het niet dat Kropotkine's

gansche sociaal-politieke wijsheid een groot raadsel is.

Wil men nu nagaan waarin deze durf van de economische wetenschap heeft

te bestaan, dan dient men naar een verdere periode van Kropotkine

terug te gaan. En dan zien wij eindelijk in de "Verovering van het

Brood" dat begrip in al zijn stoutheid verder uitgewerkt. Kropotkine

ziet de oplossing van de vraag of de aanstaande revolutie zal slagen,

hierin, dat deze in staat zal zijn alle burgers te voeden, te kleeden,

hun woning te verschaffen enz.

"Men moet aan het volk dat in opstand is, het brood kunnen

verzekeren en daarom gaat de kwestie van het brood voor allen. Als

zij opgelost wordt in het belang van het volk, dan zal de revolutie

op den goeden weg zijn...

"Onder deze omstandigheid is er slechts één oplossing, die

van werkelijk praktischen aard is. Het is de erkenning van de

uitgebreidheid van de taak die zich voordoet." [40]

De nieuwe wijsheid die hier uit Kropotkine's woorden straalt, is

de zeer oude die circa een veertig jaren voor dien door Marx was

verkondigd, dat het proletariaat, eenmaal meester van de leiding

der produktie, deze planmatig zal moeten inrichten. Evenwel, niet

"volgens de nieuwe beginselen", zooals Kropotkine verder aangeeft,

maar volgens de nieuwe behoeften. Men richt geen maatschappij,

d.w.z. een gansche nieuwe produktiephase in de geschiedenis in,

zooals men een vrijwillige club of vereeniging constitueert, naar

begrippen, zij het dat die nieuw of oud of van middelbaren leeftijd

zijn; in de inrichting eener maatschappij is men niet vrij, deze moet,

door de ontwikkeling harer behoeften, zich mogelijk maken.

Wat dan ook bij Kropotkine op den voorgrond staat is niet de

historische ontwikkeling van de noodwendigheid om den maatschappijvorm,

die zich in alle opzichten overleefd heeft, te vervangen door

een andere, maar het is niets dan het revolutionaire experiment

(proefneming). Een experiment waarvan het slagen niet bepaald wordt

door de historische mogelijkheid, maar enkel door de hoeveelheid

"idee", die voorhanden is onder de menschen.

De arbeidersklasse zal, als zij eenmaal tengevolge van haar

klassenstrijd tegen de bourgeoisie de politieke macht veroverd heeft,

de leiding van de produktie voor zich moeten veroveren. Zij zal dan

daarbij moeten te werk gaan op de manier zooals de bourgeoisie ook

te werk is gegaan, toen zij de leiding van de produktie (die zij

wel is waar voor hare groote revolutie reeds bezat, maar in welker

volle uitoefening zij belet werd door de tal van overleefde feodale

instellingen die haren groei erg belemmerden), langs politieken weg

uit den weg ruimde. Dat is het historisch recht van iedere revolutie,

dat zij uit de noodzakelijkheid om weg te ruimen wat vervallen en

hinderlijk is, geboren wordt.

De "idee" dat revoluties ooit mislukt zouden zijn, is al even dwaas,

als de idee zou zijn, dat een onweer eens niet gelukken kon, of de

utopische dwaasheid, dat de menschen zelven in een historisch moment

te bepalen zouden hebben, wat gebeuren zal en hoe de samenleving

zal worden ingericht. Dit hangt af van de ontwikkelingshoogte der

maatschappij, en wat de menschen in het beste geval kunnen en wat zij

dan ook als de hun opgelegde taak doen, dat is ruimer baan helpen

breken voor die ontwikkeling, gelijk zij zich juist in dergelijke

momenten het sterkst aan hun bewustzijn opdringt. Al het andere is

overschatting van de direktheid van het menschelijk kunnen in de

geschiedenis en behoort tot het rijk van de utopie.

Zien wij nu verder waar eigenlijk die revolutiedurf op neer komt,

dan vinden wij dat Kropotkine allesbehalve zulk een idealist is, als

hij zich wel wil doen voorkomen, die slechts stoutheid en durf als de

voorwaarden tot het slagen van het experiment noodig acht. Integendeel,

voor het slagen van de revolutie stelt hij de volgende voorwaarden:

"Het is volgens ons noodig, ten einde praktisch te handelen dat

het volk onmiddellijk bezit neme van alle levensmiddelen, die

zich in de gemeenten welke aan de revolutie deelnemen bevinden;

daarvan een inventaris opmake en sorteere, opdat zonder eenige

verspilling alles uit de opgehoopte hulpbronnen kan worden genoten,

ten einde een periode van crisis te voorkomen. [41]

Kropotkine is hier dus eensklaps de gansche oplossing gaan zoeken

niet in den wil van de menschen, of in de stoutheid van de "idee",

maar in de concrete mogelijkheid. Hoe utopisch ook uitgedrukt, hier

staat in ieder geval de gedachte voorop: als de revolutie slagen wil,

dan moeten de technisch-economische voorwaarden daartoe aanwezig

zijn. Zoo wordt het experiment door Kropotkine zelf eigenlijk herleid

tot het praktische overleg, tot de overweging van de mogelijkheid der

revolutie, d.w.z. de vestiging van een nieuwe produktiewijze. Hierin

ligt het eigenaardige punt van tegenspraak tusschen de revolutie-idee

en de revolutie-noodzakelijkheid, die aan Kropotkine natuurlijk

verborgen blijft. Hij gaat voort met zijn nieuwe economie, die wij

straks nog wat nader zullen bezien, te beschouwen als den grondslag

van de nieuwe maatschappij. En waarop komt ook deze eigenlijk neer? Op

het oude stokpaardje van het klein-burgerlijk verdeelings-socialisme,

dat niet in eene voortontwikkeling van de produktie, maar in een betere

verdeeling het criterium van de ontwikkeling van de maatschappij zoekt;

steeds reaktionair en geenszins revolutionair.

Letten wij nu nog even op het voorafgaande, op de "stoutheid" van den

"revolutionair", die volgens Kropotkine dan culmineert in deze eene

kwestie: de revolutie moet te eten hebben en te eten kunnen geven,

opdat, gelijk Kropotkine het zelf uitdrukt, "de arbeiders dan voor

het eerst van hun leven zich eens zat zullen kunnen eten,"--dan

zien wij dat hier de kwestie tot een eenvoudige "maagkwestie"

wordt teruggebracht. Hetgeen in ieder geval veel meer praktisch is

dan revolutionair. Zij wordt bij Kropotkine tot dat, wat eenmaal

een leider van de engelsche "chartistenbeweging" van haar zeide,

dat zij was een "kwestie van mes en vork." [42]

Maar deze "praktische" toepassing van de stoutheid van het ideaal

lijkt een ander communistisch anarchist niet, die vindt dat hiermede

het succes van de revolutie niet gemoeid is. Voor hem toch begint zij

juist daar eerst, waar zij voor Kropotkine ophoudt. Het is Jean Grave,

die zegt:

"Zeker, voor vele anarchisten houdt de kwestie hierbij op en het

is dat wat hun tot verschillende uitleggingen geleid heeft en

tot discussies over het egoïsme, het altruïsme etc. Niets is zoo

verklaarbaar als de maagkwestie, alleen, het zal een gevaar zijn

voor het succes van de revolutie zelve, hierbij te blijven staan,

want aldus zou men ook geheel den socialistischen staat kunnen

aannemen, die moet en ook zal kunnen verzekeren aan een ieder de

voldoening van zijn stoffelijke behoeften.

Zou de aanstaande revolutie hare verlangens beperken alleen

tot de kwestie van het materieele leven, zij zou riskeeren

zich op een weg te begeven die tot de ontaarding leidt in een

uitgebreide zich-zat-eterij (saoulerie), die niet zal nalaten,

als het feestmaal een keer is gevierd, de opstandelingen over te

leveren aan de reaktie van de bourgeoisie." [43]

Kropotkine komt dan ook werkelijk boven het "ideaal" van den

gemiddelden bourgeois niet uit. Hij moge over collectivisten,

roode en blauwe bourgeois nog zulk een groot woord hebben; hij

moge alle sociaal-demokraten nog zoo de loef afsteken in stoutheid

van "revolutie-idee" en in konsekwentheid van revolutionaire

broodbedeeling,--zijn ideaal is en blijft dat van een "rechtvaardiger

verdeeling", een verdeeling naar gelijkheid, of wat ook, het is en

blijft een verdeelingssocialisme, waarbij de kwestie van de produktie

eerst in de tweede plaats komt.

Kropotkine is nog geheel in den ban van de oude revolutiebeschouwing

bevangen. Zijn haat tegen het "Jacobinisme" is grappig-burgerlijk en

zijn vrees dat, als het volk niet sterk genoeg aandringt, de revolutie

weer van voren af aan zal moeten beginnen, is die van iemand die zulk

een historische beweging altijd maar onder een zelfden onveranderlijken

vorm ziet.

Een geestverwant van Kropotkine evenwel heeft niet zooveel scrupules;

hij pakt de zaak "jacobinistischer" aan. Ziehier welke maatregelen

deze "revolutionair" met een valhoedje voorstelt te nemen (in zijn

boek vet gedrukt):

"De organisatie der gewapende verdediging van de nieuwe orde

van zaken, met benoeming der tijdelijke chefs door de gewapende

burgerij zelve."

Dat is de door Kropotkine zoo bespotte herhaling van de "comité's

van publieke veiligheid" e.d. uit de oude revolutie. Voorts wordt

hier weer, zoo "tijdelijk" als het dan ook mag zijn, "gezag" gelegd

in banden van "chefs". Verder:

"Het onmiddellijk arresteeren, overal waar ze te vinden zijn

(natuurlijk, waar ze niet te vinden zijn gaat dat moeilijk!),

van alle leden der vroegere regeeringscolleges, van ministers,

troepen-kommandanten, politiechefs, alsmede van de parlementsleden

van alle partijen." [44]

Of hun ook het hoofd zal worden afgeslagen, zegt onze revolutionair

in deze cents-prent-fantasie over de komende revolutie er niet bij.

"Men zal hierbij van oordeel zijn, dat alleen voor het geval

zulke personen voorloopig in veiligheid zijn gebracht, zij niet

de kern kunnen vormen van een tegenrevolutie."

Dus alleen maar voor een tijdje achter slot en grendel, totdat de

"revolutie" in veiligheid is! Maar wij zijn er nog niet:

"Het onmiddellijk bezetten van post-, telegraaf- en

telefoonkantoren, opdat deze geen uur langer dan noodig is, in

de handen van de funktionarissen der vroegere regeering blijven

(de arbeiders hebben natuurlijk dadelijk de noodige kennis van de

organisatie der bedrijven opgedaan!) Verder het bezetten van de

redactiebureaux der groote reaktionaire bladen (waarvoor? hunne

redacteuren zitten immers in veiligheid?) en in het bizonder ook

van de geldbanken."

Zien wij, na al dezen revolutie-humbug, eens een oogenblik de feiten

onder de oogen, dan wordt ons door niemand minder dan Kropotkine

e.d. de feitelijke onmogelijkheid hunner proletarische revolutie

aangetoond.

In "de Verovering van het Brood" wordt met een overvloed van allerlei

gegevens aangetoond hoe er aan eten, kleeding en woning is te komen,

maar niet hoe er aan de noodige hoeveelheid proletariërs is te komen,

die deze "proletariërsrevolutie," gelijk het bij den heer Cornelissen

heet, tot aan haar einde zullen moeten doorzetten, natuurlijk ook

tegen een eventueele, onder de beweging door steeds sterk aanzwellende

contra-revolutie.

Want Kropotkine is een begeesterd aanhanger van de toeneming van het

klein-bedrijf in plaats van de concentratie van de nijverheid naar

den groot-bedrijfsvorm; Kropotkine neemt aan, dat de bourgeoisie

zelfs véél sterker is dan het proletariaat.

In meergenoemde "Studie over de Revolutie" zegt hij o.a. te dien

opzichte:

"De bourgeoisie vormt helaas! de meerderheid der natie--ten spijt

van de zotten (denkelijk onder zijn eigen geestverwanten) die een

zoodanige opeenhooping van het kapitaal voorzien, dat er spoedig,

naar zij zich verbeelden, niet over zal schieten dan de massa's

proletaren, geregeerd door een half dozijn kapitalisten." [45]

En wat blijkt hem: dat in Frankrijk haast de kleinste helft, 17 van

de 37 millioen menschen, bezitters zijn, die "leven van den arbeid

van anderen"; in Engeland 15 van de 36 millioen menschen. Of en in

hoeverre deze berekeningen juist zijn, blijve hier voor rekening

van Kropotkine, maar er blijkt althans dit uit, dat hij zelf zeer

duidelijk toegeeft dat, gelijk de zaken thans staan, de groote

meerderheid belang heeft bij den kapitalistischen gang van zaken. Wij,

verstokte sociaal-demokraten, zijn dat nu eens niet met den praktischen

Kropotkine eens, maar wij zijn dan ook niet waard een "revolutie,"

zooals de communistische anarchisten ze willen, mede te helpen "en

scène zetten."

Verder: Kropotkine is voorstander van "decentralisatie" van de

nijverheid, niet alleen nà de revolutie, maar ook daarvóór. In

"Landbouw en Industrie," [46] een overwegend economisch werkje,

verwijt hij o.a. Marx en den sociaal-demokraten, dat zij maar niet

willen zien "naar de geweldige vermeerdering van het aantal kleine

kapitalisten en de fortuinen van de middelklasse," en dat zij van

een "noodzakelijke concentratie van bedrijven" blijven spreken. Dit

alles bewijst genoeg, wat soort revolutie Kropotkine zich voorstelt,

nl. eene, waarbij de voorwaarden geenszins liggen in den aard van

de ontwikkeling der maatschappij, maar in hetgeen den menschen

door het hoofd spookt. Geen vervolmaking van hetgeen reeds overal

in de maatschappij zichtbaar groeiende is: de gemeenschappelijke

bedrijfsvorm als technische en economische noodzakelijkheid, maar

eenvoudig een terugdringen van die ontwikkeling, een terugschroeven

van de verhoudingen tot op het peil van het klein-bedrijf.

De "idee" van de revolutie zal dan zeker moeten doen wat de

maatschappelijke omstandigheden niet veroorloven zullen.

Deze gansche revolutie-idee is een uit het verleden gegrepen utopische

gedachte, waarvan dit niet de minst komieke zijde is, dat zij zich

zoo bij uitstek "praktisch" vindt.

Het Anarchisme in de Arbeidersbeweging · 第 37 / 50 题