INDIVIDUALISTISCHE UITINGEN.

"En zijt gij niet willig, zoo gebruik ik geweld!"

Goethe, Erlkönig.

Het is het noodlot van het anarchisme, dat het niet tot daden

kan komen of het zijn daden, die het onmiddellijk zelf gedwongen

wordt af te keuren. Dat is het noodlot van èlke theorie, van ieder

beginsel, dat niet het gevolg is van een logische éénheid, maar van

tweeslachtigheid. Het anarchistische uitgangspunt is in alle opzichten

een tegenspraak. Het wil geweld, maar het leidt tot verzwakking. Het

wil de vrijmaking van den individu, maar de individu werpt zich

door zijn optreden op tot rechter over andere individuen en verheft

plotseling zichzelf tot de opperste autoriteit. Het wil verheldering

van de massa, maar het sticht onder haar de grootste verwarring. Het

begrijpt zichzelf niet.

Inderdaad, de gewelddaad of de "propaganda van de daad," zij moest wel

het credo worden van het anarchisme, het middel bij uitnemendheid

of liever de laatste toevlucht. En allerlei soort "artisten,"

letterkundigen en journalisten kwamen zich onder de anarchisten mengen

en het waren niet voor het minst deze "dekadenten" (vervalsmenschen),

die een zeer levendig aandeel in het propageeren van de daad hebben

genomen, haar hebben aangewakkerd en, vooral toen er nog geen straf

op stond, haar hebben verdedigd.

Het type van deze soort van verdediging leverde de dichter Laurent

Tailhade, die, na den aanslag in het hôtel Terminus uitriep: "Wat

komt het aan op de offers, als het gebaar maar mooi is!"

"Het gebaar" moest het voor dezen dekadent dus doen. Niet de offers

en het resultaat, maar de mensch die den moed bezit, zich aan het

ongeluk prijs te geven; niet het praktisch nut, maar de mensch, de

dader boezemt dergelijke soort dekadente dichters de vreugde in die

zij over zulke gevallen voelen.

Overigens was deze gansche bommenwoede en met haar de "propaganda

van de daad" spoedig genoeg dood. Zij was het nog spoediger geweest,

als de burgerlijke regeeringen in de verschillende landen haar niet

nog lang kunstmatig hadden aangekweekt met hun geweldige vervolging

van al wat zij meenden dat zich anarchistisch noemde, met hun systeem

van geheime ophitsing door middel van "mouchards." Sedert hoort men

weinig of niets meer van de geweldige resultaten die deze propaganda

zou moeten hebben. Zij is verstomd, die stem!

En of nu nog eens een enkelen keer weder op zekeren dag een of ander

half of heel waanzinnige den een of anderen minister of koning of

grootwaardigheidsbekleeder zal pogen te dooden; of nu ook nog een of

andere dwaas voor een huis een bom zal nederleggen--vooropgezet dat

zulk een daad niet is geprovoceerd door de politie of rechtstreeks

van de politie zelve stamt,--dat zal aan het onweersprekelijke feit

niets afdoen, dat "de propaganda van de daad" óók van het anarchistisch

programma geheel is geschrapt.

Daarom behoeven wij er niet lang bij stil te staan. Deze dolzinnige

zijde van het anarchisme is door zijn eigen dolzinnigheid, kan men

zeggen, nu wel overwonnen. De "theoretische" anarchisten, die vóór

het tot werkelijke daden kwam, nooit gewaarschuwd hebben, althans

nooit principieel, tegen de vreeselijke gevolgen van een dergelijke

propaganda, en nooit gewezen hebben op de krankzinnige konsekwenties

waartoe zij moest leiden, namen dan ook nà de verschillende aanslagen,

welke in Frankrijk vooral elkander met een snelheid, die op een zekere

stelselmatigheid wees, opvolgden, allen een afkeurende en afwijzende

houding aan.

Kropotkine, Grave, Faure, Réclus, zij waren allen dadelijk geneigd om

daden van geweld, dynamietaanslagen en moorden van de rekening van het

anarchisme af te voeren. Wie en wat dan wèl de verantwoordelijkheid

voor deze daden te dragen had; welk soort van theorie dáár dan wèl voor

aansprakelijk gesteld moest worden, dat heeft geen van deze mannen ons

ooit gezegd. Het anarchisme niet! Meer niet. Maar dat is niet genoeg,

dat is zeker niet genoeg als men hun tegemoet kan voeren, dat geen

hunner vóór dat de periode van aanslagen geopend werd, ooit rond

en openlijk, zonder omwegen, er voor is uitgekomen dat deze gansche

"propaganda van de daad" een afschuwelijk soort propaganda was niet

alleen, maar in zijn wezen een allermisdadigste propaganda, die niet

alleen tengevolge moest hebben een geweldige reaktie naar buiten,

maar eveneens een onoverzienbare verwildering van de arbeidersbeweging

naar binnen. Het is geen bewijs van zedelijken moed, om eerst nàdat

een zekere propaganda tot zulke geweldige onheilen geleid heeft,

dat iedereen er tegen in opstand kwam, zijn handen openlijk weg te

trekken en te zeggen, dat men er niets mede te maken heeft! Of om,

gelijk E. Réclus, te verklaren, "dat de anarchisten van de daad,

die dynamietaanslagen pleegden, niet goed begrepen wat er met de

propaganda door de daad werd bedoeld"!

Men wist dat jaren lang, vanaf Bakoenine, reeds het misdrijf werd

aangeprezen, als een van de middelen om het kapitalisme te ondermijnen,

de bourgeoisie te doen sidderen en het revolutionair verzet onder de

massa aan te kweeken. Waarom een dergelijke propaganda nooit belet?

Deze en meer dergelijke vragen kwamen aanstonds op, toen men na

de aanslagen las, dat Kropotkine, Jean Grave, Sebastien Faure

en Réclus elke aansprakelijkheid ervoor van zich en ook van het

anarchisme afwierpen. Hebben zij dan nooit gelezen of gehoord,

wat Bakoenine en zijn edele vriend Netchaieff in het bizonder, voor

misdadigs in naam van de anarchistische taktiek hebben gepropageerd,

als revolutionaire middelen van den eersten rang? Waren zij dan

waarlijk zoo onbekend met de dingen, die het Congres van Londen

bedoelde, maar niet openlijk aanwees als "middelen van aanval en

verdediging", die men aan de "technische en chemische wetenschappen"

moest ontleenen? Wel degelijk wisten zij dat allemaal héél goed. Maar

het was hun gebrek aan zedelijken moed om de massa de waarheid te

zeggen, omdat men daarmede zijn populariteit inboeten kan, die hun

er toe bracht de dingen zoo voor te stellen, dat zij later gerechtigd

schenen de verantwoordelijkheid van zich af te werpen voor de misdadige

"propaganda van de daad," die in naam van het "anarchistisch ideaal"

bedreven werd, en door het publiek,--geheel terecht--op rekening van

het anarchisme werd gesteld.

Hier raken wij een punt dat niet voorbijgegaan mag worden; het is de

zedelijke verantwoordelijkheid van de leiders, niet voor daden van

den éénling, maar voor de propaganda in haar geheel en hun overwicht

op de massa.

Liebknecht zeide eenmaal, geen middel van aktie of propaganda te kennen

of te willen aanbevelen, waarvan hij zelf de verantwoordelijkheid

tot op het laatste toe niet zou kunnen helpen dragen. Dat is het

standpunt wat de leiders van een massa altijd moeten innemen. Dat

is het moreele steunpunt van een massabeweging, waarin noodwendig

steeds personen gevonden worden, die een of andere uitdrukking licht

zóó kunnen opvatten, dat zij het tegenovergestelde bij hem wakker

roept van wat de spreker bedoelde. Tegen het laatste kan niemand zich

wapenen; dat zal steeds wel blijven gebeuren. Maar daarom moet men

zich ook altijd kunnen beroepen op eigen ondubbelzinnige woorden.

Het is een van de afwijkingen, van de abnormaliteiten in de

anarchistische propaganda uit den roerigen tijd geweest, dat dit

moreele begrip: hoe men propageeren moet om niet noodeloos slachtoffers

te maken, gaandeweg begon uit te slijten, zoodat de leiders en

sprekers het zelfs gansch verloren. Dat hing natuurlijk samen met

de zucht om het publiek te behagen, de jacht op succes die iedere

demagogie kenmerkt. Zoo heeft de verwerping van de demokratie in het

anarchisme, dat op de massa wilde blijven vat houden, regelrecht tot

een wilde demagogie geleid, die haar wederga alleen bij het politieke

anti-semitisme in vroeger dagen in Duitschland en tegenwoordig bijv. in

Oostenrijk kan vinden.

Het ophitsen tegen personen, het beleedigen en verdacht maken

van menschen, kortom niet de principieele, maar de persoonlijke

bestrijding, het omlaaghalen van de tegenstanders in hun private

leven,--ziedaar de wapenen van iedere en speciaal van de anarchistische

demagogie.

De propaganda van de daad steunde op tweeërlei: het kapitalisme

vernietigen en de bourgeoisie schrik aanjagen. Beide zijn het gevolg

van een hopeloos verwarde beschouwing over de rol van het kapitalisme

in de maatschappij en over die van de bourgeoisie. En waarvan gaat

geheel deze beschouwing eigenlijk anders uit dan van het burgerlijke

begrip?

De burgerlijke staathuishoudkunde heeft geleerd, dat het kapitaal

is een macht in handen van menschen, die zich door "sparen" dat

"eigendom" hebben "verworven"; aan welk eigendom door niemand de

hand geslagen mag worden. De leer van den persoonlijken eigendom dus,

die onaantastbaar was. Wat is het kapitaal evenwel in den loop van de

kapitalistische ontwikkeling geworden? Een sociale macht; een macht,

niet van personen over dingen, maar van dingen over personen. De

burgerlijke staathuishoudkunde kan dit natuurlijk niet toegeven, omdat

daarmede feitelijk de grondslag wegvalt, waarop zij de heerschappij van

het privaatbezit heeft trachten te bouwen. Vervolgens: de bourgeoisie

wordt eveneens door hare geleerden, de verdedigers van de bestaande

orde gelijk men het noemt, als de klasse beschouwd die niet alleen

de leiding van de produktie heeft, maar die haar ook houden moet. De

bourgeoismaatschappij, de bourgeoisstaat, zij zijn het einde van alle

menschelijke sociale wijsheid.

In deze denkbeelden heeft de bourgeoisie niet alleen haar

eigen kinderen, maar nog veel sterker die van het proletariaat

opgevoed. Doch daar zijn er onder de laatsten voornamelijk, die met

eenige scherpzinnigheid uit deze theorieën verdere konsekwenties zijn

gaan trekken.

Ten eerste deze: als het kapitaal een persoonlijke macht is, dan

vernietig ik ook kapitaal als ik een of meer bezitters daarvan

dood. Ten tweede: als de bourgeoisie de klasse is die niet alleen

de leiding der produktie, dus de macht heeft, maar deze ook houden

moet, omdat er geen andere toestand mogelijk en denkbaar is, dan

blijft er voor mij, die onder dien toestand lijd, die deze macht

ben gaan haten omdat ik haar als een mij steeds vervolgenden vijand

tegenover mij zie, geen ander middel over, dan geweld tegen haar

te gebruiken. En kan ik haar niet geheel vernietigen, dan kan ik

althans hare bezitters een oogenblik doen vreezen. Dit laatste is

dan ook eigenlijk niets dan een ander uiterste van de beschouwing

waarvan de utopisten zijn uitgegaan, nl. dat men de bourgeoisie moet

trachten te overtuigen dat zij goedschiks hare macht, als klasse,

uit de handen zou moeten geven. De anarchist van "de daad" weet alleen

maar dat het niet "goedschiks" gaat; hij probeert het dus kwaadschiks

gedaan te krijgen. Het is hier enkel maar een verschil in toepassing,

het grondbeginsel blijft hetzelfde.

Wij zullen niet zeggen, dat iedere anarchist die daden pleegde van het

gehalte als Vaillant, Henry, Caserio, van een dergelijke redeneering is

uitgegaan, maar in den grond leidt de anarchistische levensbeschouwing

onvermijdelijk daartoe.

Wij zijn in de burgerlijk-liberale en in de anarchistische

beschouwingswijze slechts losse individuen, ieder is een brokje

maatschappij. Licht men er zulk een brokje uit, zoo is de redeneering,

dan wordt daardoor reeds een deel van die maatschappij ontredderd.

Deze redeneering, die het toepassen van individueel geweld logisch

billijken moet, kan zich niet dekken met de rol die het geweld vervuld

heeft in de geschiedenis. Overgangen in de samenleving voltrekken zich

nooit geleidelijk, dat wil zeggen, zonder letsel aan personen. Dat

heeft de bourgeoisie wel het sterkst getoond, toen zij hare revoluties

maken moest en genoodzaakt was deze tot in het uiterste door te

voeren. Zij moest tegen het absolute koningschap bloedig te werk

gaan, en wat haar aan feodalisme in den weg stond, moest, gelijk in

de jaren 1791 tot 1793, door de guillotine worden verwijderd.

De anarchist evenwel, die een bom werpt in het parlement, gelijk

Vaillant, die een president van de republiek doodt, gelijk Caserio,

of een ministerpresident, gelijk Angiolillo, een onnoozelen koning,

gelijk Bresci, of een nog onnoozeler keizerin, gelijk Luccheni,

grijpt in geen enkel opzicht in het organisch ontwikkelingsproces

van de maatschappij revolutioneerend in. Hij berooft een individu van

het leven, wiens werkzaamheid in sociaal opzicht òf niet hooger zich

verhief dan die van elken kantoorbediende of bode van een ziekenbus, en

wiens ledige plaats slechts een verlies voor de familie oplevert. Of,

in het geval dat hij een of anderen gehaten staatsman treft, verzwakt

bij de eene burgerlijke politieke partij ten gerieve van de andere. Dus

politieke aktie!

Dergelijke persoonlijke daden van geweldsoefening zijn volstrekt niet

op één lijn te stellen met het uit den weg ruimen van hinderpalen,

zooals de ontwikkeling der maatschappij aan klassen wel eens heeft

opgedrongen, die voor het feit stonden zoo te handelen op straffe

van anders niet tot hun doel te geraken. Want in dat geval bewijzen

de logische noodzakelijkheid en de onafwendbaarheid van het middel

reeds van zelf het historische recht. Daden als de onthoofding van

Karel I van Engeland door de zeer vrome Puriteinen of de onthoofding

van Lodewijk XVI door den derden stand in Frankrijk, waren geen

individueele, maar sociale daden, die door de onvermijdelijke

omstandigheden aan een groote meerderheid van het volk opgedwongen

werden in den strijd tegen een betrekkelijk kleine groep, overgebleven

uit een economisch en politiek geheel overwonnen tijdperk. Daarom kan

geen revolutionaire klasse het recht op geweld vrijwillig opgeven,

zonder daarmee tegelijkertijd op te houden als revolutionaire klasse

te bestaan.

Maar dàt geweld is niet alleen, gelijk wij hebben aangetoond, van een

andere orde, dan dat waarop de anarchistische "propagandisten door

de daad" zich beroepen; het anarchistische middel is eenvoudig een

omkeering van het geschetste beginsel. De individu maakt zich hier

tot rechter over verhoudingen en personen, stelt zich dus eigenmachtig

en eigengerechtigd in de plaats van de objectieve verhoudingen en de

klassen die te richten hebben.

Dat is geen historische daad, dat is persoonlijke willekeur,

die van niemand te dulden is. Persoonlijke willekeur, die de

vertegenwoordigers, de machthebbende personen van een regeerende klasse

dikwerf toegepast hebben op menschen, wier werk of wier aanwezigheid

in de maatschappij hun onwelgevallig was, maar dáárom nog in geen

enkel opzicht het karakter van persoonlijke willekeur verloren heeft.

Er heerscht dus in zeer hooge mate hier begripsverwarring, die de

logische noodzakelijkheid van een klasse om beletselen uit den weg

te ruimen, welke hare ontwikkeling verhinderen, vereenzelvigt met

de willekeur van een anarchistische, individueele gewelddaad. Het

zedelijke recht om te rechten ligt niet, kan niet liggen bij

individuen, het ligt slechts bij klassen en het ontleent zijn

waarde aan de noodzakelijkheid van een gegeven klasse om in een

gegeven historisch tijdvak, in het belang van de maatschappij (in het

algemeen belang is de term die de historie daarvoor kent) de leiding

van de produktie te aanvaarden, voor den groei van de intellectueele

ontwikkeling ruimer banen te scheppen, de rechtsinstellingen naar

de inmiddels veranderde omstandigheden te wijzigen enz. Kortom,

de noodwendigheid van de vervanging der eene klasse, die aftreedt,

door eene andere, die voortaan besturen zal.

Het is het verschil in uitgangspunt tusschen sociaal-demokraten en

anarchisten dat ook hierin aan den dag komt. Bij de anarchisten wordt

steeds het zwaartepunt, de doorslag in de historische ontwikkeling

van de klasse, bij den individu gelegd; de sociaal-demokratie kent

geen doorslaggevenden, met zijn geweld in den gang der ontwikkeling

ingrijpenden individu, maar enkel de klasse en hare economische en

politieke machtsontwikkeling.

Gaan wij na in hoeverre dergelijke persoonlijke geweldsdaden de

arbeidersbeweging in hare ontwikkeling hebben gebaat, dan zien wij,

dat zij in stede van ontwikkelend, slechts remmend, slechts reaktionair

gewerkt hebben. Reaktionair niet in den zin van contra-revolutionair,

maar in den zin van de ontwikkeling belemmerend. Dat kan ook niet

anders. Een te sterk aanzetten van revolutionaire energie kan

reaktie bij de nog bovendrijvende klasse verwekken. Als zelfs een

deel van de arbeidersklasse tegen de bourgeoisie met een grooter

machtsontwikkeling optreedt dan met hare wezenlijke kracht in

overeenstemming is, kan zij, de nederlaag lijdend, reaktie bij de

bourgeoisie verwekken. Maar dan kan deze alleen het gevolg zijn van

een veel sterker krachtsinspanning van de bourgeoisie dan voorheen en

uit deze daad kan de onderworpen arbeidersklasse weder nieuwe krachten

putten. Een kamp tegen de reaktie bij de bourgeoisie kàn zelfs een

geheel nieuwe phase worden in de ontwikkeling van de arbeidersklasse,

zelfs zoo zij pas overwonnen is, en opnieuw tot scherping van haar

revolutionaire energie medewerken. Zooals Marx het zeide van de

contra-revolutie in Frankrijk in 1848:

"Niet in zijn tragi-komische veroveringen brak zich de

revolutionaire vooruitgang baan, maar in de voortbrenging van

een gesloten, machtige contra-revolutie, in de voortbrenging van

een tegenstander, door wiens bestrijding eerst de revolutionaire

partij rijpen kon." [31]

Zoo iets evenwel kan een individueele gewelddaad, zelfs een

opvolging van zoodanige daden, niet alleen niet ten gevolge

hebben; doch de reaktie die zij opwekt, leidt niet tot een abnormale

krachtsinspanning bij de bourgeoisie, maar tot hare al te gemakkelijke

krachtsvermeerdering. En geen wonder: de daad of daden zijn niet

het gevolg van de kracht maar van de zwakheid der arbeidersklasse,

van haar gebrek aan historisch inzicht, dat haar niet doet inzien

dat de klasse langs heel andere wegen te bestrijden is en bestreden

moet worden. De bourgeoisie daarentegen ziet zich onmiddellijk

versterkt in de publieke opinie; haar onrecht van bestaan, dat door

hare ontwikkeling als kapitalistenklasse zich aan het bewustzijn

van breede middenlagen der maatschappij opdringt, wordt weder voor

een tijd recht; zij is de aangewezen klasse om de bedreigde "orde"

te handhaven. Het bloed wordt haar opnieuw toegevoerd naar de plaats

waar het bezig was weg te stroomen, de plek van hare strafwetgeving:

het middel ter bewaking en bescherming van de rechtsorde bij

uitnemendheid. Justitie en militairisme, de twee machtigste stutten

van de bourgeoisie, worden versterkt en de arbeidersbeweging betaalt

het gelag; uitzonderingswetten worden gemaakt, waarmede de regeerende

klieken anderen dan juist anarchisten pogen te treffen; zelfs vindt

de bourgeoisregeering in niet weinige gevallen aanleiding om het recht

van vereenigen en vergaderen, den sterksten steun voor de ontwikkeling

der arbeidersklasse, de coalitievrijheid en de persvrijheid aan banden

te leggen.

Dat zijn altoos de eenige gevolgen van deze propaganda van de daad

geweest; en dat waren de wrange vruchten die het proletariaat, vooral

in de romaansche landen, van deze soort propaganda heeft mogen plukken.

Vergissen wij ons niet, dan was zij eigenlijk niet anders dan het

uitwoeden van die individueele aktie, die door het romaansche

anarchisme jaren lang gepredikt is en die haren aanvang in de

propaganda van Bakoenine vond. Als zoodanig was zij ook een

noodzakelijkheid, al was het dan ook een zeer treurige, voor de

arbeidersbeweging van deze landen. Het beste bewijs dat zij verouderd

is, vormt het feit dat geen enkel anarchist openlijk meer iets van

haar weten wil.

Een eigenaardig standpunt neemt bijv. Domela Nieuwenhuis in, die den

aanslag niet "direct goedkeurt," maar ze "begrijpelijk" vindt. [32]

Zeker is iedere handeling te begrijpen, als men de motieven kent

die er toe geleid hebben, maar daar gaat het hier volstrekt niet

om. Hier geldt het de beoordeeling of het een middel is dat de

arbeidersbeweging kan dienen. Het "begrijpelijk" maken kan hoogstens

een criterium opleveren voor de rechters die over zulke misdrijven te

oordeelen hebben, maar niet voor hen die zeggen de arbeidersbeweging

te dienen. Domela Nieuwenhuis beschouwde ze als een propagandamiddel

voor het anarchisme; deze anarchist, die zegt het "gezag" van menschen

niet te erkennen, erkent wèl het "gezag" van een bom.

Het Anarchisme in de Arbeidersbeweging · 第 34 / 50 题