"Het libertaire socialisme," zegt Domela Nieuwenhuis, "wil de vrije
groepeering van menschen wier belangen hen tot elkander drijven,
om samen te werken voor dit of dat doel, maar die elk oogenblik als
't ware de vrijheid hebben om zich uit dat verband los te maken." [27]
"Als 't ware de vrijheid hebben" beteekent, dat men deze vrijheid
eigenlijk niet heeft, dat zij ingebeeld is. Wij zullen evenwel
daarover niet vallen, het is ons niet te doen om de woorden, maar
om het begrip dat er in ligt opgesloten. Dat begrip is dat van de
autonomie der groepen arbeiders, die hunne vermeende vrijheid hooger
stellen dan de uit het karakter hunner klasse-organisatie volgende
noodzakelijkheid van een gesloten verband. Dat laatste wordt vervangen
door het sektairisme, de verbrokkeling van de verschillende groepen
van arbeiders en in die groepen weder door de individuen die "als
't ware" ieder "oogenblik" ook die groepen weder kunnen verlaten.
Hier treedt dus de splitsing in plaats van de eenheid naar
den voorgrond, maar worden de "belangen" van de arbeiders als de
drijfkracht beschouwd, die telkenmale deze groepen bij elkander brengen
zal, om, als de belangen behartigd zijn, ze weder af te stooten.
Welke kunnen die belangen zijn, die sterker zijn dan de persoonlijke
vrijheid van den individu, zoodat hij zich gedrongen gevoelt haar
tijdelijk op te offeren?
Het kunnen natuurlijk geen zuiver persoonlijke belangen meer
wezen; immers in dat geval zoekt de vrijheidlievende persoon niet
anderen op om zich--zij het dan ook maar tijdelijk--aan hunnen wil
te onderwerpen. Het karakter van die belangen wordt alleen bepaald
door het karakter van de maatschappelijke positie die de individu in
de samenleving inneemt; het zijn dus belangen die hij met anderen
gemeen heeft en die, op hunne beurt, anderen met hèm gemeen moeten
hebben. Die gemeenschappelijkheid van belangen moet haren grondslag
vinden in de gemeenschappelijkheid van de situatie die het moderne
proletariaat in onzen tijd eigen is.
De persoonlijke belangen waarvan hier sprake is, zijn dus
klasse-belangen, daar niet de bizonderheid van het persoonlijke, maar
de algemeenheid van het onpersoonlijke hun eigenschap is, anders zou de
vrijheidlievende individu ze wel bevredigen in en door de werkzaamheid
van zijn eigen kunnen. Dat hij dat niet kàn en aansluiting bij anderen
zoeken moet, komt niet voort uit de liefde voor zijn vrijheid, maar uit
de noodzakelijkheid om, zij het dan ook voor een wijle, die vrijheid op
te offeren, minstens te beperken. Zijn belang is dus gebonden aan dat
van anderen en de beperking van de mate zijner vrijheid van handelen,
wil hij zich verweren--d.w.z. zijn belang behartigen--tegenover de
hem drukkende macht, vloeit regelrecht uit die gebondenheid voort.
Volgt hij dus zijn belang, dan vereenigt hij zich met zijns gelijken
en offert hij niets op dan de fiktie van zijn vrije persoon.
Want hierop is deze "vrijheid", waarvan Domela Nieuwenhuis hier en
andere vrije of libertaire socialisten of ook wel anarchisten steeds
spreken, enkel en alleen gebaseerd, op een inbeelding. Zij bestaat
niet dan in de phantasie. Er zijn in de moderne arbeidersbeweging geen
persoonlijke belangen: er zijn groeps- en er zijn klassebelangen. De
eerste beperken zich tot de bizondere industrieën, vakken, bedrijven
etc., de andere zijn algemeene, die welke de arbeiders allen met
elkander als eene klasse vereenigen, een verhouding die de loonarbeid
geschapen heeft. Hierop komt dus die vrijheid neer dat zij er in de
werkelijkheid niet is, maar dat men zich verbeeldt dat zij er is.
Deze dwaling is een burgerlijke. Het liberalisme, welks wettige
afstammeling het anarchistisch begrip van de persoonlijke vrijheid
is, zag eveneens in de maatschappij niet een groeiend iets, maar
een optelsom van individuen, die, naar hun belang dat meebrengt,
tot elkander in betrekking treden en die betrekking verbreken zoodra
aan dat belang is voldaan. Vandaar dat het liberalisme er dan ook
altoos naar streefde--in theorie natuurlijk--de individuen tot zooveel
mogelijke algeheele zelfstandigheid en zelfverantwoordelijkheid op te
voeden. In theorie! Want de praktijk was geheel anders. En waarom? Niet
omdat de theorie niet op zichzelf geheel "logisch" was, maar omdat
zij van het belang van de persoon uitgaat, waar zij van dat van de
gemeenschappelijkheid had moeten uitgaan. Doch àls zij dat laatste
gedaan had, dan ware het privaat-kapitalisme niet te verdedigen
geweest; vandaar dat de kapitalistische theorie, die aanvankelijk
door de liberale theorieën in wijsbegeerte en staathuishoudkunde
werd vertegenwoordigd, naar schijngronden heeft moeten zoeken. Een
van die schijngronden was de persoonlijke vrijheid, die precies als
in den mond der anarchisten, een fiktieve persoonlijke vrijheid was,
in een door de verdeeling van den arbeid en de noodwendigheid van
samenwerking bepaalde maatschappij van sociaal geheel onvrije menschen.
Stappen wij hiermede af van die niet bestaande vrijheid van den
arbeider, om na te gaan wat het karakter is van des arbeiders situatie
in de maatschappij. Waarom kan de arbeider in onze, zeer ver gevorderde
ontwikkeling van de kapitalistische industrie en het bedrijfswezen,
niet zichzelf zijn, dat wil zeggen in den socialen zin waarvan hier
sprake is. Omdat zij slechts een deel en een zeer onbeduidend deel
vormt van het groote geheel dat men noemt: het produktieinstrument
proletariaat.
Ieder arbeider op zichzelf vormt in de kapitalistische produktiewijze
een voorwerp om een hoeveelheid winst uit te maken. Hij is geen
vrijwillige, geheel zelfstandige ruiler, maar hij is iemand die
eenvoudig gedwongen is zich te laten exploiteeren door het kapitaal dat
hem exploiteeren wil. Maar het gansche proces van die exploitatie zou
zooveel als niets te beteekenen hebben, als het telkens maar bij één
arbeider tegelijk plaats vond. Het karakter van een op hoog peil van
ontwikkeling staande kapitalistische warenproduktie is de massale en
niet de individueele uitbuiting of de uitbuiting van kleine groepen,
gelijk dat onder het typische klein-bedrijf of onder de meergevorderde
manufaktuur het geval was. De uitbuiting van den enkelen arbeider
verdwijnt dus geheel in het niet; hoe langer hoe meer, en tegenwoordig
sterker dan ooit in de geschiedenis, is de massa-exploitatie van
het proletariaat daarvoor in de plaats gekomen. En, dit is eveneens
kenmerkend, niet alleen waar het proletariaat direkt wordt uitgebuit,
maar ook waar dit niet rechtstreeks het geval is, vormt het een massaal
en niet een individueel stuk sociale verhouding. Wij bedoelen hier
het feit, dat onder de kapitalistische produktiewijze niet alleen
de werkende, maar ook de niet-werkende arbeiders een even groote
economische noodzakelijkheid zijn. Het industrieele reserveleger, dat
naar plaats, konjunktuur en industrie grooter of kleiner zal zijn, maar
dat bestaan moet, wil het kapitaal in de industrie floreeren kunnen,
d.w.z. de meerwaarde een behoorlijk peil bereiken, behoort eveneens
tot het algemeene produktieinstrument proletariaat. Het belang van
den werkenden proletariër kan hem dus wel eens tot aansluiting nopen
met den arbeider wiens belang oogenblikkelijk juist aan het zijne
tegenovergesteld is. Men ziet hieruit reeds hoe absurd de aan het
hoofd van dit stukje geplaatste definitie der "vrije groepeering" is.
Het is wel duidelijk dat eerst op een vrij hoogen trap van
kapitalistische ontwikkeling van de industrie de mogelijkheid van
arbeidersorganisatie kan ontstaan. Marx zegt dit treffend in zijn
beroemd antwoord op Proudhon's geschrift:
"Van alle produktie-instrumenten is de grootste produktiekracht
de revolutionaire klasse zelf. De organisatie van de
revolutionaire elementen heeft tot voorwaarde het bestaan van
alle produktiekrachten, zooals zij zich in het algemeen in den
schoot van de oude maatschappij kunnen ontwikkelen." [28]
Eenmaal deze hoogte bereikt hebbende, wordt de samentrekking van
de verspreide elementen waaruit de revolutionaire klasse bestaat,
allereerst een economische noodzakelijkheid, precies zooals op een
gegeven hoogte van de kapitalistische ontwikkeling de noodzakelijkheid
geboren ia tot een samentrekking van de verspreide kapitalistische
produktiekrachten, een samentrekking die, door de wet van de
concentratie van arbeidsmiddelen gedreven, nog steeds haren gang gaat.
De mogelijkheid voor de arbeiders om zich te organiseeren was er eerst,
en soms vrij lang, nadat de noodzakelijkheid er kwam. De behoefte
van de arbeiders om zich te vereenigen werd reeds gevoeld toen bij
groepjes arbeiders het eerste bewustzijn zich voelbaar maakte van
verzet tegen de àl te groote uitbuiting. De mogelijkheid ontsproot
niet alleen uit het scheppen der voorwaarden tot het bijeenbrengen
der massa's, maar ook uit het tot op zekere hoogte gelijkmaken van
hunne sociale situaties.
Marx zegt in hetzelfde werk:
"De economische verhoudingen hebben het eerste de massa van
de bevolking in arbeiders omgezet. De heerschappij van het
kapitaal heeft voor deze massa een gemeenschappelijke situatie,
gemeenschappelijke belangen geschapen. Zoo is deze klasse bereids
een klasse tegenover het kapitaal, maar nog geen klasse voor
zich-zelve. Na dien strijd treft deze massa samen, constitueert
zich dus als klasse voor zich-zelve. De belangen die zij verdedigt
worden klasse-belangen. Maar de strijd van klasse tegen klasse
is een politieke strijd."
Dien zeer moeitevollen strijd welken Marx hier schetst, de
noodzakelijkheid voor het moderne proletariaat om zich te constitueeren
als klasse; een klasse met een eigen kritische beschouwing van
de maatschappij en hare ontwikkeling, een eigen politiek en een
eigen inzicht in de economische feiten,--dien strijd heeft iedere
proletariërsklasse, van welk land ook, moeten doormaken en is zij nog
bezig door te maken. Want dat werk is slechts de voorbereiding die
het moderne proletariaat noodig heeft om de erfenis van de bourgeoisie
te kunnen aanvaarden.
Hierom is discipline voor het proletariaat in alle uitingen van den
klassenstrijd een noodzakelijke voorwaarde. Zonder dat zal het nooit
kunnen overwinnen.
De organisatie van het proletariaat is, naar men ziet, geen toevallige,
of een die vandaag zus en morgen zoo kan zijn, zij is een vaste,
een blijvende, die juist door hare vastheid en haar blijvend karakter
wordt tot wat zij wezen moet: het orgaan van de revolutionaire klasse,
die de leiding van de produktie voor zich veroveren moet.
Het individualisme dat zich nog steeds in de arbeidersbeweging poogt
staande te houden, dat demokratische discipline "gezag" noemt, dat
de "vrijheid" om de des-organisatie hoog te houden als zijn eenig
geloofsartikel beschouwt, is een rem tegen de ontwikkeling van de
arbeidersbeweging in den bovengeschetsten, eenig-mogelijken zin.
Een arbeidersklasse, die niet is een zoo sterk mogelijk, gesloten
geheel, mist de economische macht die de voorwaarde is van haar
optreden. Het is merkwaardig--juist die anarchisten, welke in den
strijd dien zij zeggen mede te willen voeren tegen het kapitalisme,
zoo zeer den nadruk plegen te leggen op de economische macht en
niet op de politieke, belemmeren door hun sektairisme, door hunne
eindelooze en tot in het belachelijke doorgedreven "groeps"-splitsing,
het opkomen van die economische macht van het proletariaat.
Er zijn in de wereld twee beginselen, Gezag en Vrijheid, volgens Domela
Nieuwenhuis. [29] Hoe men begrippen, opvattingen, die steeds wisselden
van beteekenis en van inhoud, beginselen kan noemen waarnaar de wereld
geleid werd, moge anarchistische wijsheid zijn, historische wijsheid
is het zeker niet. Even goed kan men zeggen: er zijn in de wereld
twee beginselen: Geloof en Ongeloof, wat de anti-revolutionairen
e.t.q. beweren.
De zaak is, dat in een op klassetegenstellingen berustende
maatschappij, met de steeds stijgende mate van arbeidsverdeeling,
het gezag, d.w.z. de onderwerping van menschen aan andere menschen
voor het bereiken van zekere doeleinden, historisch even noodzakelijk
is geweest, als de erkenning, dat dit gezag niet meer noodig was een
historische noodzakelijkheid is geweest. De strijd tegen gezag in
het algemeen, namelijk het gezag van groepen menschen over de massa,
ving eerst aan toen dit gezag zichzelf overleefd had, de menschen
tot de erkenning van zijn overbodigheid waren gekomen.
Zulk een gezag oefende de geestelijkheid bijv. in het begin van de
middeneeuwen uit, het gezag dat toen noodzakelijk was, omdat bij
den clerus was te vinden de intellectueele kracht die de toenmalige
menschheid noodig had. Zulk een gezag had de adel, toen hij nog de
verdediger van de veiligheid van de maatschappij was, nadat na de
groote volksverhuizing de menschen weer hokvast werden. Zulk een
gezag, al duurde dit ook ontegenzeggelijk heel veel korter, had de
bourgeoisie, de klasse die bestemd was slechts een overgang te zijn
van de feodale tot de socialistische maatschappij, de bestemming had
de maatschappelijke produktiekrachten te ontketenen en tot in het
fabelachtige te doen stijgen, om daardoor de mogelijkheid van een
gemeenschappelijke produktiewijze te kunnen scheppen.
Dit alles was noodwendig gezag, maar dat met de erkenning dat
het overbodig was geworden, zijn economische noodzakelijkheid
had verloren. Zoo is de organisatie van het proletariaat een
economische noodzakelijkheid en het "gezag" daarin, als men wil,
even noodzakelijk. Is het nu niet merkwaardig dat de anarchisten het
eenige correctief, dat de klassebewuste arbeidersbeweging kent tegen
het gevaar dat het gezag ontaardt in tyrannie, de demokratie namelijk,
verwerpen? Immers, hoe ge ook wilt organiseeren, besturen, leiden,
de demokratie zal toch altijd uw eenige grondslag moeten zijn, de
meerderheid zal toch altijd moeten beslissen en de minderheid zich
moeten onderwerpen, al splitst ge tot in het oneindige toe.
Waarop komt dus deze "vrije groepeering" van de anarchisten neer? Op
een moedwillige verzwakking van de arbeidersklasse zonder dat er een
enkel ander voordeel tegenover staat.
Een ander "libertair" stelt omtrent de kwestie van de verhouding
van den individu tot de arbeidersbeweging eenigszins andere regelen
op, die eveneens zeer bedenkelijk zijn voor de eenheid van het
proletariaat. Hij verdedigt het recht van... de minderheden. Men
luistere:
"Wat de overheersching betreft die de meerderheid eener organisatie
op de minderheid zou kunnen uitoefenen, kunnen de werklieden slechts
de vrijheid van uittreden uit de organisatie en van zelf handelen
voor de minderheid verdedigen"... [30]
Welk principieel verschil er bestaat tusschen de feitelijke
tyranniseering van de meerderheid in een organisatie door een
koppige minderheid, en die van personen, is ons een raadsel. Waarom
een individu niet mag, wat deze "libertair" aan een verzameling van
individuen als een recht toekent, zal wel niemand met gewoon verstand
begrijpen kunnen. Alleen, het is verklaarbaar van het standpunt van
den anarchist, die onder welken naam hij zich ook verkappe, altoos
anarchist blijft.