VRIJHEID EN GEZAG.

"In zooverre de geest alle dingen als noodwendig erkent, in

zooverre heeft hij een groote macht over de affekten, of lijdt

hij minder onder hen."

Spinoza, "Ethica".

De anarchisten, het is bekend, erkennen geen hun van buitenaf opgelegd

gezag; daarom verzetten zij zich tegen den staat als autoritaire macht,

daarom erkennen zij geen leiding, geen bestuur, geen discipline in de

arbeidersbeweging; daarom bestrijden zij elke poging om de arbeiders

als massa te vereenigen, politiek en economisch te scholen.

Van de persoon vormen zij zich te dien einde niets dan een fiktie

(inbeelding) die nergens anders dan abstrakt bestaat en praktisch

van geen waarde is. Daarin staan zij evenwel niet alleen. Ook de

burgerlijke philosophie in hare sterkst op de spits gedreven uiting,

kent deze fiktie van de "vrije persoon" wel. Wij bedoelen hier den

"Uebermensch", dien Friedrich Nietzsche zich vormde, die "aan gene

zijde van goed en kwaad", dus boven de werkelijke menschheid stond.

Ook Nietzsche meende dat die persoon in den staat een belemmering

ondervond: "Daar waar de staat ophoudt, daar begint eerst de mensch

die niet overtollig is." Maar in hoeverre een personen-cultus,

als die waartoe de wijsbegeerte van Nietzsche leidt, zijn nauwe

aanrakingspunten met de anarchistische levensbeschouwing in het

algemeen bezit, moge hier verder onaangeroerd blijven. Van meer

praktischen aard is, dat de anarchisten, de waarde van de persoon

vooropstellende en haar mateloos overdrijvende, de opvattingen van

gezag en vrijheid in de maatschappij, d.w.z. in het praktische leven,

voortdurend verwisselen en daardoor zichzelf het juiste inzicht benemen

dat hen zou kunnen leiden tot een meer redelijke waardebepaling van de

verhouding van den individu tot de samenleving. Bijgevolg ook van den

individu-arbeider tegenover de gemeenschap zijner klasse-organisatie.

De "individueelen" onder de anarchisten hebben de zaak wat makkelijker

pogen op te lossen. Zij waren en zijn egoïsten, d.w.z. zij zochten

steeds en in alles het eene criterium: hoe bevorder ik met dit of dat

mijn eigen belangen. Dat vonden zij door, gelijk Stirner's "Eenling",

zooveel mogelijk zelfstandig te blijven, afgezonderd van alle andere

"eenlingen", als een geheel aparte cel in het maatschappelijk

verband. Praktisch, wij zagen het bij Stirner zelven, was ook dàt

eigenlijk onmogelijk door te voeren. Ook hij moest een val op aarde

doen van uit den hemel zijner souvereine Ik-heid; hij moest een

"Bond van Egoïsten" pogen op te richten.

Het is gewis zeer aangenaam zich als persoon een eigen wereldje

te vormen, allen doen wij dat op onze beurt wel eens gaarne,

maar de aanraking met de werkelijkheid doet ons heel snel zien,

dat het maar een droombeeld was. Wij mogen ons "vrij" wanen, maar

de maatschappelijke verhoudingen waarin we gedwongen zijn te leven,

leeren ons juist het tegendeel. Zij leeren ons dat wij slaven van die

verhoudingen zijn en hùnnen wil hebben te gehoorzamen. Daar ligt dus

het criterium van onze persoonlijke vrijheid allerminst, waar wij,

ons zelven boven anderen stellend, wanen dat het ligt.

"Niet in de gedroomde onafhankelijkheid van natuurwetten ligt de

vrijheid, maar in de erkenning dezer wetten, en in de daarmede ons

gegeven mogelijkheid, ze planmatig tot bepaalde doeleinden te laten

werken. Dat geldt met betrekking tot de wetten van de uitwendige

natuur, zoowel als met betrekking tot die welke het lichamelijke

en geestelijke bestaan van de menschen zelf regelen--twee klassen

van wetten die wij hoogstens in onze voorstelling, niet echter

in de werkelijkheid van elkander kunnen scheiden." [22]

De inhoud van de heldere schets die in deze woorden is opgesloten,

zou aldus kunnen worden omgezet: vrijheid is de erkenning van den

mensch dat hij niet vrij is. En om nu niet verkeerd te worden verstaan,

voegen wij hier onmiddellijk er aan toe, dat die erkenning niet is een

van-buiten-af opgelegde, een opgedwongene, maar een zelf-ervarene, een

door eigen onderzoek gewonnen ervaring. De theorie van de geloovigen

berust op de eerste soort van erkenning. Hoe gebondener de mensch

zich voelt aan boven hem gestelde, doch door hem niet te controleeren

hoogere machten, des te beter. Dat is de dogmatische, de katholieke

gebondenheidsleer. De andere berust op de erkenning niet van absolute

onvermijdelijkheden en hoogere machten, maar op noodzakelijkheden.

In de eerste plaats zijn het hier natuur-noodzakelijkheden,

natuurwetten die de menschen beheerschen en wier erkenning heeft

geleid tot hunne controleering en leiding.

"De eerste, zich van het dierenrijk afzonderende menschen," zegt

Engels, "waren in alle wezenlijkheid zoo onvrij als die dieren zelven,

maar iedere vooruitgang in de beschaving was een schrede tot de

vrijheid." [23]

Iedere ervaring ten opzichte van natuur-noodzakelijkheden, die de

menschen opdeden, heeft hun geleerd dat zij van de natuur afhankelijk

zijn, maar niet in de afhankelijkheid waarin de slaaf tot zijn ketting

staat, maar in die van iemand tot wien het bewustzijn steeds meer

doordrong: dat de krachten van de natuur blind zijn, zoo lang hij ze

niet weet dienstbaar te maken aan zijn doeleinden.

Dit gezag nu, het gezag dat de natuur ons inboezemt, waaraan wij,

door haar te bestudeeren, zooveel meerdere vrijheid in de werkelijkheid

hebben ontleend, wordt in onzen beschaafden tijd wel door geen denkend

mensch meer betwist. Evenmin, dat uit dezen ganschen toestand een

andere is voortgevloeid en deze is: het gezag van de wetenschap.

Waar wij zelven niet kunnen zien of waarnemen, waarvoor ons dus door

geringere oefening of dikwijls algeheele afwezigheid van oefening het

orgaan ontbreekt, daar zullen wij steeds aangewezen zijn op het gezag

van anderen, wier organen naar deze of gene richting wèl gescherpt

zijn of die hun gansche leven gewijd hebben aan het onderzoeken van

een voor de menschen nuttige wetenswaardigheid. Natuurlijk onder

ééne voorwaarde: dat het een wetenschap zij die te contrôleeren valt

en die steunt op voor ieder redelijkerwijs te begrijpen, logische

gronden. Wij willen geen wetenschappelijk gezag, dat door ons belet

wordt in zijn onderzoek, maar wij eischen een wetenschappelijk gezag

welks resultaten voor ons zijn te toetsen aan de kritiek of aan de

overeenstemming met ons redelijk oordeel.

In zooverre zijn de denkende menschen het dan ook wel allen met

elkander eens. Ook de anarchisten gaan in dat opzicht met ieder

ander mee.

Bakoenine zeide dan ook:

"Wij erkennen dus het absoluut gezag der wetenschap, omdat de

wetenschap geen ander doel heeft dan de geestelijke en zooveel

mogelijk systematische reproduktie (wedergave) der natuurwetten,

die een deel uitmaken van het stoffelijk, geestelijk en zedelijk

leven, zoowel van de physieke als van de sociale wereld, daar

deze twee werelden in de werkelijkheid slechts een en dezelfde

natuurlijke wereld vormen."

Maar, laat hij hier op volgen:

"Wij erkennen het absoluut gezag der wetenschap, maar wij verwerpen

de onfeilbaarheid en de universaliteit van den geleerde."

Zoodra komen er geen "individuen" in het spel, of de anarchist

verliest zijn bedaardheid. Het is ònredelijk en getuigt van een

zekere wijsgeerig-geloovige verwardheid, om van een "absoluut gezag

van de wetenschap" te spreken. De wetenschap is een door menschen

gemaakte en door menschen gedragene; daarom kan men haar zelve niet

voor "absoluut" verklaren, zonder dat men tevens verplicht is dat

hare dragers te doen. Deze tegenspraak komt voort uit de methode

die Bakoenine voor zijn definitie gebruikte en waarbij hij, door

zijn afgetrokken Hegeliaansche denkwijze geleid, steeds geneigd was,

de begrippen buiten de menschelijke werkelijkheid te zoeken. [24]

En zooals het met deze erkenning van natuurnoodwendigheden en

het gezag dat zij ons opleggen gesteld is, zoo is het ook met de

beperking van onze vrijheid in de samenleving. De erkenning van de

noodzakelijkheid om ons aan natuurnoodwendigheden te onderwerpen,

hebben wij ons als menschen in en door het samenleven en samenwerken

moeten verwerven. Aan één mensch op zichzelf was dit evenmin gelukt

als het den éénen mensch gelukt ware ooit verder te komen dan zijn

zuiver dierlijken toestand en onwetendheid.

De geschiedenis van de menschheid stelt het samenleven en samenwerken

van de menschen voorop, en de "gezellige aard" van den mensch is eerst

ontwikkeld in en door den omgang met en de afhankelijkheid van anderen,

zijn medemenschen. Hoe hooger trap van beschaving de menschen bereikten

en naarmate tegelijk daarmee hunne eischen stegen, des te afhankelijker

werden zij van elkander, des te grooter deel van hunne volle vrijheid

hebben zij moeten opofferen ten behoeve van de vrijheid van anderen,

in het belang hunner eigene vrijheid. Zoowel de eene als de andere

erkenning was het gevolg van een langdurig proces van historische

ontwikkeling. En die ervaringen zijn niet opgedaan zonder dikwerf

zeer dure lessen. Doch het was eveneens een noodzakelijkheid al die

erkenningen te doorleven.

Ook het samenleven der menschen heeft langzamerhand zijn eigen wetten

geschapen. De onderzoekingen van Morgan, Maine, Bachofen etc. hebben

zeer veel licht verspreid over den trap van ontwikkeling, waarop

de primitieve menschelijke maatschappij-vormen stonden; er kwamen,

in hoofdzaak, communistische vormen van voortbrenging en verdeeling

aan den dag. Dat bracht de noodzakelijkheid van het zeer primitieve

leven, d.w.z. een reeds gevorderde mate van erkenning, dat menschen

niet buiten elkanders gezelschap kunnen leven, met zich mede. Deze op

primitief communisme berustende maatschappij-vormen evenwel waren zeer

doorzichtig, omdat zij zich niet verder uitbreidden dan tot de stam of

de horde of de familieverwantschap. Een gelukkige drang echter bewoog

de menschheid om zich niet te vergenoegen met hetgeen bestond, maar

steeds verder te willen. Een produceerende, een werkende menschheid

kan niet op één punt blijven stilstaan zonder te versteenen, daarom

vooral schreed zij voort op den weg harer ontwikkeling die haar buiten

de grenzen van dezen oer-communistischen toestand heeft gebracht. In

gelijke mate stegen, langs verschillenderlei phasen van ontwikkeling,

ook de behoeften en daarmede nam ook weder de ingewikkeldheid van

de samenleving toe en werd steeds sterker het gevoel van de sociale

afhankelijkheid der menschen onderling.

Nu dient een voornaam ding hierbij niet uit het oog te worden verloren:

evenmin als met de erkenning van natuurnoodwendigheden, hielden ook bij

die van sociale noodzakelijkheden werking en erkenning met elkander

gelijken tred. De eerste is er reeds lang voordat de laatste aan het

begin van haren tocht is. Menschen hebben wellicht onnoemelijke tijden

geleefd, geheel gebukt onder de werkingen van de uitwendige natuur,

alvorens zij konden beginnen met zich op het onderzoek van de natuur en

hare verschijnselen toe te leggen. Zoo hebben zij ook maatschappelijk

samengeleefd en samengewerkt, voordat zij hunne afhankelijkheid van

elkander begonnen te leeren inzien.

En de erkenning dat de menschen sociaal niet vrij zijn, hunne wil

gebonden is, m.a.w. de ontdekking van het deterministisch karakter

van de menschelijke samenleving, is nog niet zoovele eeuwen oud,

zij dateert in hoofdzaak eerst van Spinoza (17e eeuw) die haar tot

een systeem ontwikkeld heeft.

Dat die beperkende verhoudingen stoffelijke zijn, dat wist men sinds

dien dus wel, maar van welken aard deze stoffelijke verhoudingen zijn,

of zij toevallige of elkander opvolgende en in een causaal-historisch

(oorzakelijk-geschiedkundig) verband tot elkander stonden, dat wist

men niet. Dat niet het eerste, maar wel het laatste het geval is,

deze ontdekking is in hoofdzaak aan Marx te danken. Sedert Marx

weet men, dat die verhoudingen produktieverhoudingen zijn, zijn,

dat de menschen dus, sedert zij een geschiedenis hebben, in deze

soort sociale verhoudingen tot elkander stonden.

De erkenning van de noodzakelijkheid van ons sociaal samenleven

is dus gerijpt tot de erkenning dat de verschillende phasen van

produktie noodzakelijke zijn. En evenals in de natuurwetenschap zijn

wij er toe kunnen geraken om achter de geheimen van de samenleving

te gluren. De wetten die haar beheerschen hebben wij leeren kennen

als de noodwendigheden van de produktie in het algemeen en in de

eerste plaats.

Zoo min als er dus blinde natuurwetten bestaan, zoo min bestaan

er heden ten dage nog blinde wetten van maatschappelijke

noodzakelijkheid. Zoo goed als wij de natuurkrachten hebben

leeren contrôleeren en leiden, zoo hebben wij ook geleerd, dat de

produktiekrachten te contrôleeren en te leiden zijn. Maar, er is

verschil tusschen beide. Voor het eerste moest zich als het ware

de gansche menschheid inspannen, omdat het haar "algemeen" belang

was; het laatste is slechts één deel bereid in praktijk te brengen;

dat is het proletariaat. Immers, het in den blinde werken van de

produktiekrachten, anarchisch en planloos; de vernielende onderlinge

concurrentie als het eenig kompas te midden dezer wilde zee van

elkander nu eens vernietigende, dan weder opheffende krachten,

vormt den ondergrond van het tegenwoordig bestaan der bourgeoisie

als heerschende klasse.

Aan deze algemeene beschouwing is vast te houden, willen wij een juist

inzicht hebben, ook in de verhoudingen van de menschen tegenover

elkander. Want ook het inzicht dáárin is gegrond op historische

ontwikkeling en erkenning. Onze maatschappelijke vrijheid is niet

alleen gegrond op de erkenning van het feit dat anderen nèt zooveel

van hunne vrijheid om onzentwille inboeten, maar ook op het feit,

dat de innigheid van het maatschappelijk leven, dus het zooveel méér

kunnen met zooveel minder inspanning van krachten, m.a.w. dat wat

de voorwaarden voor ons menschelijk "geluk" schept, gebondenheid van

onzen wil tot onafwijsbare voorwaarde heeft.

Deze, misschien wat lange uiteenzetting was noodig, omdat op het

terrein van het onderwerp dat ons hier bezig houdt, de verwarring

zoo groot is en nog steeds vermeerderd wordt door de anarchisten die

hun evenwicht niet kunnen vinden in de wederzijdsche maatschappelijke

verhoudingen.

Het is niet toevallig, dat zij daarbij aanstonds met hun neus op den

staat en op de wetten stooten. Hun uitgangspunt toch is de persoon en

niet de totaliteit van de menschen in een gegeven periode. Want men

vergete 't niet: de anarchist verzet zich niet alleen tegen zekere

soort van wetten, die hunne tyrannieke waarde ontleenen aan de

bizondere omstandigheden waaronder zij tot stand komen, ons worden

opgelegd door een regeering die wij als dwang gevoelen, omdat wij

hare ontbeerlijkheid hebben leeren kennen--de anarchist verzet zich

fanatisch tegen alle soort wetten. Hij onderscheidt niet tusschen een

noodzakelijk en een niet noodzakelijk gezag, tusschen een schadelijke

en een onschadelijke vrijheid. Schermend met de woorden vrijheid en

gezag, stelt hij den individu voorop; maar het criterium voor deze

beide begrippen ligt niet in den individu en zijn vermeende behoeften,

maar in de noodzakelijkheid die de totaliteit van ons samenleven

aanbiedt om ons werkelijk vrij te kunnen gevoelen.

Op het zoo straks aangehaalde citaat van Bakoenine laat een ander

libertair socialist (lees: anarchist), Domela Nieuwenhuis, deze

ontboezeming volgen:

"Ziedaar dus de opvatting van gezag en vrijheid. En wie nu de

vrijheid hoog stelt, die zal zich geen uitwendig gezag laten

opleggen, behalve dat, wat gelegen is in den aard der dingen." [25]

Met de laatste, door ons gecursiveerde woorden wordt het probleem

echter niet opgelost, maar juist pas gesteld. De schrijver meent

hier heel wat te zeggen, maar hij stelt eerst de algemeene phrase,

niets meer. Wat is die "aard der dingen"? Zij kunnen telkens onder

de gegeven omstandigheden een andere gestalte en beteekenis hebben.

De verdeeling van den arbeid op alle gebied der samenleving, die,

doordien zij geweldig gestegen is, de verhoudingen van de menschen

tegenover elkander ook zooveel ingewikkelder gemaakt heeft, zal immers

ook wel tot dien "aard der dingen" behooren.

En het was deze, die niet alleen een veel grootere mate van

afhankelijkheid, maar ook van gezagsnoodzakelijkheid met zich

meebracht. Wij moeten niet alleen wetenschappelijk geleid, maar ook

maatschappelijk bestuurd worden. Zoo goed als de ontwikkeling van onze

maatschappelijke produktie een gevolg was van leiding, die wederom het

gevolg is van de steeds meer om zich heen grijpende verdeeling van den

arbeid bij den steeds daarmede gepaard gaanden eisch van eenheid en

samenvatting, zoo goed waren aan den anderen kant ons maatschappelijk

leven, onze uitwendige verhoudingen in al hunne uitgebreidheid eerst

mogelijk op den grondslag van de aanvaarding van het inzicht, dat

iedere beperking in hetgeen wij ons zelven zouden willen veroorloven,

ter wille van anderen geschieden moest.

"Want de zucht naar vrijheid is elkeen ingegeven en na de

voorziening in ons levensonderhoud is ontegenzeggelijk vrijheid

voor den mensch de sterkste van alle persoonlijke behoeften". [26]

Ja, dat zal wel, maar zooals het daar staat beteekent het wederom

niets meer dan een bloote phrase. Eerst de bepaling van de mate van

vrijheid, d.w.z. de erkenning, dat telkens een deel van onze--altoos

steeds vermeende--vrijheid bekort is moeten worden, heeft ons die

vrijheid geschonken waardoor wij leven en ten deele ook reeds gelukkig

leven kunnen.

De begrippen zelve zeggen totaal niets; zij kunnen alleen

worden beoordeeld en getoetst aan de noodzakelijkheid--en deze

noodzakelijkheid is steeds historisch bepaald geworden en wordt

dit nog.

Onze ónvrijheid in het afgetrokkene is evenwel nog een andere als

onze concrete (tastbare) onvrije verhoudingen. Onze beroeps- en

klasseverhoudingen maken ons tot wezenlijk materieele slaven van

verhoudingen, die wij menschen zelven hebben geschapen en waarvan

wij ons ook weder zelven kunnen verlossen. Deze vrijheid moeten

wij ons veroveren, omdat haar tegendeel niet noodzakelijk is. Het

socialisme maakt reeds voor onzen tijd een planmatige produktie, een

zoo produktief mogelijke samenvatting van alle krachten mogelijk en

de stand van de techniek veroorlooft ons weder reeds onafhankelijk te

zijn van den, onze beschaving te zwaar drukkenden last eener slavernij

van den arbeid.

Het Anarchisme in de Arbeidersbeweging · 第 32 / 50 题