Na den val van de Commune van Parijs in 1871 was de revolutionaire
strooming onder de arbeiders, d.w.z. de revolutionaire strooming in
den goeden en organisatorischen zin, vooral in de romaansche landen
lam geslagen. De engelsche arbeiders vervielen wederom in hun oud
isolement, waaruit zij door het werken en den onmiddellijken invloed
van de "Internationale" losgerukt waren, en de oorlog tusschen
Duitschland en Frankrijk had aan de arbeidersbeweging over het
algemeen niet bizonder goed gedaan. De parijsche "Commune", dit moet
hier even worden aangestipt, was geenszins een sociaal-demokratische
beweging, maar een kleinburgerlijk-socialistische, in den zin van
het Proudhonisme, in den utopischen zin des woords.
Bakoenine had er evenwel voor gezorgd, dat overal in de landen
waar zijn invloed meer of minder groot was, terroristische
stroomingen opkwamen, die langs den weg van het meest ruwe geweld de
"revolutionaire aktie" poogden in het leven te roepen door middel
van "de propaganda van de daad." Een van de sekties van Bakoenine's
"Alliantie", die van de Jura, was inzonderheid de wieg van deze soort
van revolutionaire aktie en haar onmiddellijke leider was Paul Brousse,
de redakteur van de "Avantgarde" ("Voorpost").
Deze predikte aanslagen op den eigendom, oproeren etc., om de aandacht
op de partij te vestigen; hij zelf trachtte later, na zijn verbanning
uit Zwitserland, in Frankrijk een aparte socialistische partij te
stichten, die der "Possibilisten", met het doel om de daar na 1878
opkomende sociaal-demokratie tegen te werken.
Als de anarchistische theoretici beweren dat geweld met anarchisme
niets heeft uit te staan, ja, gelijk vooral de neo-anarchisten à
la Kropotkine dat doen, het onmiddellijke, materieele geweld zelfs
gladweg en met stalen voorhoofd verloochenen, dan dekt zich dat
wellicht voor een groot deel met hun tegenwoordig werken, althans in
het noord-westen en het midden van Europa,--in Spanje is het anarchisme
nog wel degelijk terroristisch,--voor hun verleden geldt dat niet. En
niet alleen niet voor het verre verleden, maar voor het anarchisme
van de laatste vijf-en-twintig jaren zelfs is dat het geval niet.
Deze verloochening van zijn verleden is wederom kenmerkend voor de
verbazende evolutie, die het anarchisme in de laatste kwart-eeuw onder
de werking van de moderne arbeidersbeweging doorgemaakt heeft. Men kan
inderdaad zeggen, dat de praktische arbeidersbeweging het anarchisme
heeft getemd en er veel meer dan alle nationale en internationale
politie bij elkander in is geslaagd om de zoogenaamde "revolutionaire
aktie" door middel van de terroristische "propaganda" uit de wereld
te helpen.
In de eerste jaren van 1870 evenwel beleefde dat terroriseerend
optreden van het anarchisme in enkele landen zelfs triomfen. Opstanden
en aanslagen, zij waren in landen als Italië en Spanje niet van de
lucht, moord en brand werden ten slotte zelfs geliefkoosde wapenen
van gansche benden, die in naam van het anarchisme den eigendom
den heiligen oorlog te vuur en te zwaard hadden verklaard. Dat een
taktiek, als door Bakoenine en zijn "Alliantie" aanbevolen en overal
gepropageerd, tot dergelijke verschrikkelijke uitspattingen leiden
moest, was wel te voorzien. Als men roof en plundering, ondermijning
van elke goede trouw, list, leugen en bedrog tot grondbeginselen
van taktiek maakt, dan zal men, spoediger dan men het zelf weet,
een toestand geschapen hebben, waarbij men welhaast de principieele
propaganda door de daad niet meer zal kunnen scheiden van den
niet-principieelen diefstal, de plundering, de onderlinge bedriegerij
en het wederzijdsch verraad.
En wat aangaat deze laatste manier, om een beweging tot op haren
bodem te bederven, daarvan had Bakoenine door het prediken zijner
allerdolzinnigste beginselen van taktiek het sterkste voorbeeld
geleverd. Zoo heette het o.a. in den "Revolutionairen Cathechismus",
die door den Generalen Raad van de "Internationale" naar aanleiding van
een opdracht van het Congres van den Haag was gepubliceerd, en waarvan
Bakoenine de opsteller was: "dat een revolutionair met alle middelen
diegenen dient te exploiteeren, welke rijkdom, konnekties, invloed en
macht bezitten; dat hij dezen in zijn strikken moet zien te vangen,
om zich in het bezit van diens geheimen te stellen en hem zoo tot zijn
slaaf te maken"... ("L'Alliance et la démocratie socialiste", pag. 93).
Aldus hadden Bakoenine en zijn waardige medestander Netsjayeff
dan "school" gemaakt. Het is wel begrijpelijk, waarom Kropotkine
e.d. naderhand hun best gedaan hebben om den ouden propagandist van
de daad te doen vergeten!
Wij zien af van een schildering van al het geweldige kwaad, dat
de "revolutionaire aktie" gebrouwen heeft en van de manier waarop
deze taktiek de politie telkens de middelen aan de hand deed om de
beweging in hare hinderlagen te lokken en de geschiedenis van dat
half-krankzinnig, half politie-anarchisme zullen wij niet verder
vervolgen, doch wij slaan een korten tijd over en naderen de tachtiger
jaren. Het zijn de jaren van de groote aktie van het anarchisme dat,
hoewel nog volkomen op den bodem van het Bakoeninisme staande, bezig
is te pogen een deel van de arbeidersbeweging met zich mede te sleepen.
Behalve in Frankrijk, waarover aanstonds meer, was het anarchisme
ook in Duitschland den kop gaan opsteken. Ofschoon van oorsprong
duitsch in zijn Stirnerschen vorm, had het anarchisme op de door
Lassalle gestichte arbeidersbeweging geen vat gekregen. Hoewel
de Proudhonistisch-getinte socialisten Mozes Hess en Karl Grün
op anarchistische wijze schreven, kon de anarchistische idee in
Duitschland geen bodem vinden. De Duitsche arbeidersmassa's waren
voor deze verwarringstichtende taktiek nooit te vinden geweest. Na de
ontzaglijke vlucht van de politieke beweging in Duitschland omstreeks
1875, meende de geweldmensch Bismarck haar een vernietigenden slag
te kunnen toebrengen door in 1878 zijn "socialistenwet" door te
zetten. Aan de afkondiging van de wet waren twee aanslagen op keizer
Wilhelm I voorafgegaan, een van Hödel en een van Dr. Nobiling, die men
voor het gemak toeschreef aan den invloed van de sociaal-demokratische
propaganda. Voor het gemak, want van Hödel moest geconstateerd worden
dat hij eigenlijk niet toerekenbaar was en van Nobiling kon zelfs
worden vastgesteld dat hij de vergaderingen van de nationaal-liberalen,
in plaats van die der sociaal-demokraten bijgewoond had. Desniettemin
was dit voor de Duitsche Regeering een aanleiding de wet van 1878
uit te vaardigen, waarbij de sociaal-demokratische propaganda geheel
werd onderdrukt.
Van de groote verwarring die deze regeeringsmaatregel onder de
duitsche arbeiders in den allereersten tijd deed ontstaan was het
dat Johan Most, voormalig Rijksdaglid voor Chemnitz en bekend
sociaal-demokratisch propagandist, gebruik maakte om te pogen
de duitsche arbeidersbeweging in andere banen te leiden dan die
waarin ze sedert Lassalle, en onder leiding van Liebknecht, Bebel en
anderen tot nog toe zich had bewogen. Hij begon niet aanstonds, maar
langzamerhand het anarchisme van de daad te prediken, het Bakoeninisme,
de voorbereiding van de "sociale revolutie" door middel van het
terroriseeren, het in angst brengen van regeering en bourgeoisie. Most
werd langzamerhand in Europa de tweede apostel van het geweld in al
zijn vormen, van "de glorieuze dynamietbom, die bestemd scheen te
zijn de menschheid te bevrijden", gelijk hij het zelf uitdrukte in
zijn blad Freiheit van Maart 1881, na den moord op czaar Alexander II.
Most had evenwel van zijn werken, onder duitsche arbeiders althans,
maar zeer weinig pleizier. Uit Duitschland naar Londen gevlucht,
poogde hij vandaar invloed uit te oefenen op den gang van de beweging
in Duitschland. Maar hij deed dit zoo, dat men genoodzaakt was hem op
het Congres te Wyden in 1880 uit de partij te zetten, daar het bleek
dat hij in strijd met elke goede trouw handelde en kennelijk van geen
andere bedoelingen uitging, dan om de duitsche sociaal-demokratie te
discrediteeren en hare leiders te compromitteeren.
Met 1880 omstreeks komt de derde apostel van het anarchisme ten
tooneele. Kropotkine doet zijn intrede en begon in de anarchistische
beweging, gelijk die zich voornamelijk in Zwitserland concentreerde,
een handelende rol te vervullen.
In 1880 vond een congres van anarchisten te Lyon plaats en het
was aan alles te zien dat er voor het anarchisme in Frankrijk een
tijdperk van bloei zou aanbreken. Groepen werden gesticht in Vienne,
St. Etienne, Villefranche, Creuzot, Parijs, Marseille en Rijssel,
twee bladen verschenen, de Droit Social in Lyon en de Révolution
Sociale in Parijs. Elisée Réclus, een beroemd geograaf, Gautier en
Kropotkine werden de meest op den voorgrond tredende leiders van de
beweging. Deze laatste was nog overwegend terroristisch, d.w.z. stelde
het onmiddellijke geweld op den voorgrond. Dat het anarchisme in
Frankrijk in dien tijd zoozeer van zich deed spreken, kwam doordat het
een nieuwen voedingsbodem vond. Er was door den geweldigen arbeid van
fransche sociaal-demokraten, onder wie Jules Guesde en Paul Lafargue,
voor het eerst na den val van de Commune weder een georganiseerde
sociaal-demokratie gekomen en het anarchisme kreeg daardoor eigenlijk
eerst recht den bodem waarop het zich ontplooien kon.
Het gevolg van het terroriseerend optreden van het anarchisme was een
aantal persoonlijke aanslagen, zoowel op regeeringspersonen als op
gewone bourgeois. Een reeks die geopend werd met den aanslag van Emile
Florion, in October 1881, die eerst probeerde Gambetta te dooden, doch
daar hij dien niet vinden kon, zijn schot op een zekeren Dr. Meymar,
een onbekend persoon, loste. Daarna de opstand van Montceau les Mines,
15 Augustus 1882, waarna 23 mijnwerkers werden veroordeeld tot meer
of minder zware straffen, "wegens plundering en brandstichting in
gemeenschap gepleegd."
Den 14en Juli 1881 had een congres van anarchisten te Londen plaats,
waarop o.m. ook ter sprake kwam het samenstellen van een program, het
inrichten van de organisatie en het bespreken van de aktie. Men poogde
daar een zekere verstandhouding te krijgen met die elementen uit de
fransche socialistische beweging welke geenszins terroristisch waren,
maar revolutionair in de Blanquistische beteekenis van het woord. De
grondslag van dit program was dat van het congres der Bakoeninistische
"Alliantie", in 1873 te Genève aanvaard.
Betreffende de taktiek werd deze resolutie aangenomen:
"Het Congres verklaart het volstrekt noodzakelijk, met alle
mogelijke middelen door de daad de revolutionaire idee en den
geest des opstands te verbreiden onder het grootste deel der
volksmassa, die nog geen aktief deel aan de beweging neemt en zich
nog illusies maakt over de moraliteit en de werkzaamheid van de
wettelijke macht. Doordien wij het wettelijke gebied verlaten,
waarop men tot heden in het algemeen is gebleven, om onze aktie
op het gebied van de onwettelijkheid over te brengen, die de
eenige weg der revolutie is, is het noodzakelijk naar middelen
te grijpen, die met het doel overeenstemmen. De vervolgingen,
waaraan onze publieke personen blootstaan, dwingen ons van nu
af tot een geheime organisatie. De propaganda door de daad is op
het land van nog grootere werkzaamheid dan in de stad.
Daar de technische en chemische wetenschappen bereids groote
diensten aan de revolutionaire zaak bewezen hebben en voorbestemd
zijn er nog meer te bewijzen, zoo beveelt het Congres alle
organisaties en medeleden aan, groote waarde te hechten aan de
studie en de toepassing dezer wetenschappen als een middel van
aanval en van verdediging."
Er volgde een zeer levendige agitatie van het anarchisme in Frankrijk;
de bladen rezen als paddestoelen uit den grond op. Op het tweede
anarchisten-congres van Genève, 12 Augustus 1882, was, in tegenstelling
tot het vorige, geen sprake van eenige toenadering tot andere groepen
van socialisten. Daar scheidde men zich juist weder van de overige
partijen af en werd besloten tot het uitgeven van een manifest,
dat helder zou zeggen wie en wat men was. Daarin komt dan ook deze
verklaring voor:
"Als anarchisten, d.w.z. als menschen zonder regeering, bestrijden
wij een ieder, die zich een of andere macht over anderen aanmatigt,
zoowel den bezitter, den fabrikant, als iederen staat, ook den
socialistischen.
Iedere gedachte aan autoriteit stuit ons tegen de borst, iedere
wet is onze vijand. Ons doel is de vernietiging van iederen staat
door een revolutionaire beweging; alle wettelijke middelen, ook het
algemeen kiesrecht, verafschuwen wij. Daar evenwel de individueele
vrijheid niet dan in vereeniging met andere vrije genooten bestaan
kan, daar een ieder de ondersteuning van den ander noodig heeft,
daar vervolgens ieder sociaal produkt een werk van het geheel is,
waarvan aan allen een gelijk aandeel toekomt, daarom zijn wij ook
kommunisten. Wij willen het gemeenschappelijk eigendom veroveren
en verdedigen."
In October 1882 hebben te Lyon twee dynamietaanslagen plaats, een
voor het militiebureau en de ander voor het café Bellecour; voor
den laatsten aanslag wordt een jong anarchist, met name Cyvoct,
aansprakelijk gesteld. Daarop volgt het groote anarchistenproces
tegen Kropotkine met 65 anderen wegens hunne medeplichtigheid aan
deze daden van geweld. Het was bij deze gelegenheid, dat Kropotkine
in zijn redevoering Proudhon als den "vader van het anarchisme"
aanwees. Kropotkine zelf werd tot 5 jaar gevangenisstraf veroordeeld,
van welke hij twee jaar later werd ontheven, waarna hij zich metterwoon
te Londen vestigde.
Behalve voor Frankrijk was het ook voor het anarchisme in Spanje en
Oostenrijk een zeer vruchtbare tijd.
In het eerstgenoemde land waren zelfs gansche benden plunderaars
geruimen tijd bezig heel Andalusië te terroriseeren, de beruchte Mano
Negra (zwarte hand) o.a., die van stad tot stad trok, om de oogsten
te vernietigen, boerderijen en huizen in brand te steken, bommen
in kerken te werpen, het vee te vergiftigen, rijke grondeigenaren
te vermoorden, overal verwoestend, plunderend en vernietigend op te
treden en gedurende twee jaren de schrik van de gansche provincie te
wezen. [12]
De Spaansche regeering trad daarna ontzettend reaktionair op,
met uitzonderingswetten en doodstraffen vervolgde zij al wie zij
maar in hare handen kon krijgen. Zeven anarchisten ondergingen de
doodstraf, honderden anderen werden tot levenslange of langdurige
gevangenisstraffen veroordeeld.
Tengevolge van de "propaganda door de daad" dier Mano Negra, zag de
voorzitter van het in October 1883 plaatshebbend anarchisten-congres te
Valencia zich genoodzaakt te verklaren, dat de "Arbeidersfederatie,"
d.w.z. de federatie van anarchistische groepen in Spanje, was:
"een eerbiedwaardig en nobel gezelschap, welks ideaal, zij het dan
ook in meerdere of mindere mate droombeeldig, toch in elk geval een
waardig en een verheven was." [13]
Er had daarna een scheiding plaats tusschen terroristische en
principieele anarchisten eenerzijds en individualistische en
communistische anarchisten anderzijds, doch daar zoowel de meest
wilde anarchist van de daad als de gemoedelijkste aanhanger van de
leer van Proudhon vervolgd werd door de Spaansche regeering, kon
deze scheiding al evenmin leiden tot de normale oplossing waartoe
de ontwikkeling van het anarchisme in sommige andere landen, waar
het overheerschend was, geleid heeft. Voornamelijk het anarchisme,
gelijk er dat door de propaganda der Bakoeninisten was inheemsch
geworden, dat den revolutionairen opstand als het eenig afdoend middel
beschouwde om de gemeenschappelijkheid van den eigendom te veroveren
en dat elke politieke aktie niet alleen verwierp, maar ten scherpste
bestreed,--dat soort anarchisme bleef er zijn vat op de massa behouden,
voorzoover deze laatste over het geheel aan eenige aktie deelnam.
In Oostenrijk was eveneens in dien tijd een deel van de beweging onder
leiding van de zich noemende "radikalen" gekomen, die, gelijk al de
zoogenaamde "radikale" stroomingen in de arbeidersbeweging, begonnen
met de politieke aktie en het ijveren voor arbeidswetgeving enz. niet
"radikaal" genoeg te vinden en deze akties als voor de ontvoogding
van het proletariaat van onwaarde te verwerpen, maar vervolgens met
meer of minder duizelingwekkende snelheid de beweging naar den afgrond
van het Bakoeninistisch anarchisme trokken.
Deels onder den invloed van de geschriften van Johan Most, die in
Oostenrijk verreweg meer dan in Duitschland zelf aftrek vonden,
anderdeels onder den invloed van russische terroristen, ontstond
er in Oostenrijk een richting die weldra omstreeks 1883 de gansche
vooruitstrevende oostenrijksche arbeidersbeweging in absoluut
anarchistisch-terroristisch vaarwater sleepte.
Oprichting van geheime clubs en geheime drukkerijen, verbreiding van
de meest bloedige vlugschriften, straatoproeren en het droomen van
"opstanden", dat was wat men van dat oostenrijksch anarchisme, onder
de leiding van Joseph Peukert en Fleuron, in overeenstemming met
hetgeen te Londen in het eigenlijke anarchistische hoofdkwartier
werd klaargemaakt, in het openbaar zag. In het geheim en meer
individueel sloeg men ook daar over tot het bedrijven van een
aantal gewone boevenstreken, diefstal, plundering etc., die dan
natuurlijk door de officieele leiding werden verloochend, maar
waarbij, gelijk in het beruchte Merstallinger proces, overtuigend
bleek dat terroristisch anarchisme en boevenbedrijf eigenlijk nauw
samenhangen en de boeventaktiek eigenlijk de laatste konsekwentie
is van het terroristisch anarchisme. De jaren 1882-1884 waren voor
de oostenrijksche arbeidersbeweging inderdaad zoo verschrikkelijk,
dat het allengs niet meer mogelijk was den principieelen anarchist
van den niet-principieelen, maar door de politie betaalden, geheimen
opruier te onderscheiden.
De regeering, die dat anarchisme aanvankelijk zijn gang liet gaan, ja
zelfs zijn vernielingswerk op de gansche arbeidersbeweging blijkbaar
met welgevallen zag, was ten slotte wel genoodzaakt in te grijpen
en onder den indruk van de aanslagen van Kammerer en Stellmacher,
die hunne schelmenstreken onder het masker van anarchisme bedreven,
vaardigde zij uitzonderingswetten uit, die van zoodanigen aard waren
dat zij, gelijk overal in dergelijke gevallen, het geheele bestaan
der arbeidersbeweging haast onmogelijk maakten. De politie kreeg de
noodige macht en bevoegdheid om vereenigingen te ontbinden en het
vergaderen onmogelijk te maken; kortom, de gansche vrijheid, die de
beweging tot nog toe bezeten had, werd haar geheel en al ontnomen. De
voornaamste anarchisten wisten te ontwijken, Joseph Peukert, naar
men zegt, zelfs met geld van de politie. [14]
Nadat het de regeering gelukt was de beweging te vernietigen en
het anarchisme anderzijds zichzelf volkomen onmogelijk gemaakt had,
leefde een paar jaren later de oostenrijksche arbeidersbeweging onder
een nieuwe, sociaal-demokratische agitatie weder op.
Ook in België had zich in dien tijd het anarchisme sterk weten te
ontwikkelen; ook daar had het Proudhonisme en het Bakoeninisme,
vooral in de mijnwerkersdistricten, vasten voet gekregen en ook daar
hadden de denkbeelden van Most een niet geringen invloed gehad. De
anarchistische periode was voor de belgische arbeidersbeweging evenwel
een crisis die zij vrij spoedig wist te overwinnen en die zij reeds
in het midden der tachtiger jaren weder te boven was.
Ten slotte moet hier nog aan den noodlottigen afloop der anarchistische
agitatie in Amerika worden herinnerd, die haar treurig einde
feitelijk in het beruchte proces van Chicago in 1886 gevonden heeft,
waarbij acht blijkbaar onschuldige mannen door de politie als de
daders van een dynamietaanslag op den avond van den 4en Mei werden
gearresteerd. Gedurende het proces bleek reeds dat de politie zelf
hier de hand in het spel gehad had. Desniettegenstaande werden zeven
personen ter dood veroordeeld, van wie er drie deze straf inderdaad
ondergingen, een in de gevangenis een einde aan zijn leven maakte,
en de overigen zware gevangenisstraffen, tot 15 jaren toe, moesten
ondergaan. Deze martelaren van Chicago worden nog altoos door de
anarchisten herdacht; ten onrechte; voor het meerendeel waren het
mannen die met de gansche aanslagenzaak niets te maken hadden en
waren het voorstanders van een achturigen arbeidsdag.