Tot dusver was de werking van het anarchisme, in die landen
waar het vasten voet kon krijgen en zelfs daar waar het de
tijdelijke heerschappij in de arbeidersbeweging bezat, overal
nagenoeg dezelfde. Het werd, behalve in Spanje, gaandeweg in de
verschillende moderne landen weer teruggedrongen tot de min of
meer ongevaarlijke positie van een sekte met geheime clubs, waar de
verschillende plannen tot omverwerping van de maatschappij konden
worden uitgebroed. Langzamerhand kwam dan ook onder de anarchisten
zelf meer een zoogenaamd vredelievende agitatie voor het communisme,
altoos in den vorm van een vrije-groepen-communisme, naar den voorgrond
en het Bakoeninisme week al meer en meer, door zijn eigen onzinnigheid
onmogelijk gemaakt, naar den achtergrond.
Men werd meer algemeen communistisch-anarchist of legde zich op de
propaganda van de "zuiver economische aktie" der vakvereenigingen
toe, twee soorten van anarchistische vermomming, die wij afzonderlijk
zullen behandelen.
In 1889 had weder het eerste internationaal congres van
sociaal-demokraten uit alle landen plaats en was er weder een nieuwe
internationale bodem geschapen voor den gemeenschappelijken strijd van
het moderne proletariaat. Het anarchisme vertoonde zich evenwel niet,
daar het in de verschillende landen nagenoeg geheel met machteloosheid
was geslagen.
Reeds in 1887 had de duitsche sociaal-demokratische partij op haar
Congres van St. Gallen bij monde van Wilhelm Liebknecht stelling
genomen tegenover het anarchisme; de volgende resolutie werd met
algemeene stemmen aangenomen:
"Het Congres verklaart de anarchistische samenlevingstheorie,
in zooverre zij de absolute autonomie van het individu nastreeft,
voor anti-socialistisch, voor niets dan een eenzijdige uitbeelding
van de grondgedachten van het burgerlijk liberalisme, schoon
zij ook in hare kritiek op de tegenwoordige maatschappelijke
orde van socialistische gezichtspunten mag uitgaan. Zij is
voor alles onvereenigbaar met den socialistischen eisch van de
socialisatie der productiemiddelen en van de sociale regeling van
de voortbrenging en loopt, als niet de produktie zou moeten worden
teruggedrongen, op de dwerggestalte van het kleine handwerk, op
een onoplosbare tegenspraak uit. De anarchistische verheerlijking
en de uitsluitende toelating van de geweldpolitiek, berust op een
grof misverstand omtrent de rol van het geweld in de geschiedenis
der volken.
"Het geweld is even goed een reaktionaire als een revolutionaire
faktor, het eerste zelfs vaker dan het laatste. De taktiek van
de individueele toepassing van het geweld leidt niet tot het
doel en is, in zooverre zij het rechtsgevoel der massa krenkt,
positief schadelijk en daarom ook verwerpelijk.
"Voor de individueele gewelddaden van tot op het uiterste
vervolgden en opgejaagden maken wij de vervolgers en opjagers
verantwoordelijk en begrijpen de neiging daartoe als een
verschijnsel, dat zich ten allen tijde onder dergelijke
verhoudingen vertoond heeft en dat tegenwoordig door betaalde
agents provocateurs (politieophitsers) voor de doeleinden der
reaktie tegen de arbeidende klassen wordt benuttigd."
Deze houding werd ook in het vervolg door de sociaal-demokraten van
alle landen aangenomen. Anarchisme en sociaal-demokratie werden,
in elk land, onverzoenlijke tegenstellingen in de arbeidersbeweging
en de laatste beschouwde het als haar plicht om het streven van het
anarchisme, onder iederen vorm, den kop in te drukken.
Het was eigenaardig dat een zekere anti-politieke strooming, die in
Duitschland omstreeks 1890 ontstond en onder den naam van de agitatie
der "Jungen" een korten tijd de aandacht op zich vestigde, het sein
tot eenige wederopleving van het anarchisme in de internationale
arbeidersbeweging was. Eenigen tijd daarna werden ook in Nederland
duidelijke sporen merkbaar van een toenemend anarchistischen geest,
die, gelijk dat overal pleegt te geschieden, begon met twijfel te
opperen aan de deugdelijkheid der strijdmiddelen, der taktiek van de
moderne arbeidersbeweging, gelijk die zich historisch had ontwikkeld.
In 1891, op het Congres in Brussel, vond deze anarchistische geest
reeds min of meer uiting, toen door de Nederlandsche afgevaardigden,
te zamen met een meerderheid van de fransche delegatie en gesteund
door een deel van de engelschen, de zeer utopistische resolutie
verdedigd werd: "om een europeeschen oorlog te doen beantwoorden met
een oproep aan de gezamenlijke volkeren om den arbeid neder te leggen",
welke resolutie toen met groote meerderheid werd verworpen. Reeds
op dat internationaal congres bleek dat een nieuwe aanval van den
anarchistischen geest, om terrein te veroveren, te wachten stond.
Spreken wij hier van anarchistischen geest, dan bedoelen wij hiermede,
zeer concreet uitgedrukt, de verwardheid die nog altoos in de hoofden
van tal van arbeidersgroepen in de verschillende landen--wellicht
Duitschland alleen niet--heerschte nopens het doel van de moderne
proletariërsbeweging, maar nog meer nopens hare middelen van taktiek
in den aanval op de kapitalistische maatschappij en in de verdediging
van de rechten der arbeiders. Het was in Brussel te zien, dat deze
geest nog niet was overwonnen.
Tusschen 1891 en 1894 was in Frankrijk weder een aanslagen-epidemie
losgebroken, die, aangevangen met de schanddaden van een Ravachol,
doorliep in een reeks van dynamietaanslagen waarvan die van Vaillant,
Henry, Caserio de voornaamste waren. Maar inmiddels had in 1893 te
Zürich het derde internationale socialisten- en arbeiderscongres
plaats gevonden, alwaar de kwestie van de taktiek, waarop zich juist
het anarchisme in onderscheidene landen geworpen had, scherp zou
worden onder de oogen gezien.
Het was juist in zake de deelname aan politieke aktie en de
omschrijving op welke wijze die deelname zou hebben te geschieden,
dat het anarchisme of de met het anarchisme sterk sympathiseerende
groepen konden worden aan den tand gevoeld. Daarom was een duidelijke
uitspraak noodzakelijk, die dan ook in een resolutie gegeven werd
welke ten slotte met algemeene stemmen, uitgezonderd die van de
nederlandsche delegatie, aangenomen werd.
Zij sprak uit:
1o. dat de nationale en internationale organisatie der arbeiders
van alle landen in vakvereenigingen en andere organisaties
tot bestrijding van de uitbuiting een bepaalde noodzakelijkheid
is; en
2o. dat de politieke aktie noodzakelijk is zoowel ten dienste van de
agitatie en de onvoorwaardelijke propageering van de principes
van het socialisme, als voor het doel van de verovering van
dringend noodzakelijke hervormingen.
De anarchisten vergenoegden zich toen met een congres op eigen hand
te gaan houden, waar natuurlijk precies het omgekeerde besloten of
niet besloten, maar uitgesproken werd van wat op het socialistische
congres was aangenomen.
Door die uitspraak in zake de taktiek was het anarchisme feitelijk
uit zijn laatsten schuilhoek gehaald. Het was nu niet meer mogelijk om
onder het masker van het communisme de bewuste arbeidersbeweging binnen
te dringen en daar den verwarrenden arbeid voort te zetten; klaar en
duidelijk was het na Zürich 1893, dat de moderne arbeidersbeweging
in zake de taktiek, dus in de kern van hare aktie, het anarchisme
officieel van zich had afgeworpen.
In 1893 ongeveer had de nederlandsche sociaal-demokratische
beweging hare evolutie tot het anarchisme vrijwel volbracht. Van het
program werd de door de verschillende internationale congressen tot
sociaal-demokratisch gestempelde taktiek geschrapt.
Nu is het kenmerkend voor de zelfstandige klasse-beweging van het
proletariaat, dat zij haar stuur kwijt is, zoodra zij de vaste basis
van de sociaal-demokratische, principieele en organische taktiek
verlaat. Dat is overal gebeurd en het zou ook in Nederland gebeuren met
de beweging die onder de leiding van den heer Domela Nieuwenhuis stond.
Kon de taktiek niet meer sociaal-demokratisch zijn, zoo moest
zij natuurlijk anarchistisch worden. Maar het anarchisme heeft al
evenmin een taktiek als het een gesloten leer heeft. Het wil juist
géén taktiek; het wil die niet zooals het ook geen of juist omdat
het geen "politiek" wil. Taktiek onderstelt positief willen werken en
het anarchisme had noch de beginselen, noch de lust, noch de kracht
om positief te werken in zich.
Wat dan ook voor anarchisme doorgaat is òf oud-modische
vakvereenigingspolitiek, òf utopisme vermengd met de lust tot
"opstanden", d.w.z. opstootjes en straatkabaal, òf terrorisme. De
nederlandsche landaard leende zich alleen maar tot de eerste soort
"taktiek", men werd voorstander van "economische aktie" zonder
politiek, en dit viel juist enigszins samen met de in die dagen onder
de arbeiders eerst ontkiemende neiging, om den vakvereenigingskamp
eenigszins ernstig georganiseerd te gaan voeren. Verder liefhebberde
men in kabaal maken; droomen over den dag vàn en den dag nà de
revolutie; op papier vervaardigen van dynamiet, dat nooit ontploffen
kon etc. Maar aan pogingen om de beweging, die na 1894 geheel en al
anarchistisch geworden was, in Bakoeninistisch vaarwater te leiden,
heeft het ook niet ontbroken. Ten bewijze daarvan zullen wij hier
geen couranten-artikelen aanvoeren, die door den een of ander onder
den voorbijgaanden indruk geschreven zijn, noch redevoeringen,
maar ons beroepen op een dokument van de hand van een der toenmalige
voornaamste leiders der nederlandsche anarchisten, die met den heer
Domela Nieuwenhuis geruimen tijd de leiding gehad heeft. Het is een
vrij lijvige brochure waarin de "beginselen" en de "taktiek" van het
"Revolutionaire Kommunisme" worden behandeld door den heer Christiaan
Cornelissen. [15] De lezer moet niet denken dat de titel iets anders
dan praktisch anarchisme beduidde; de anarchisten verstaan het,
haast om den anderen dag van naam te verwisselen. En, gelijk uit
de volgende passages zal blijken, heeft die schrijver de lessen van
het anarchistische congres van Londen in 1881, waarbij de studie van
de technische en chemische wetenschappen tot aanval en verdediging
werd aanbevolen, nog al goed ter harte genomen. Hij "bestudeert"
zelfs heel kalm de waarde van dynamiet, als een bruikbaar "wapen"
in den klassenstrijd. Men luistere:
"Indien de bereiding van springstoffen binnen de periode, waarin de
strijd tegen de bourgeoisie zich allengs moet voltrokken hebben,
dermate wordt vereenvoudigd, dat een dezer stoffen met recht een
proletariërswapen kan worden, te bereiden en aan te wenden zonder
al te groot levensgevaar voor den gebruiker, en waarborgend de
noodige zekerheid van treffen, dan zal deze nieuwe bewapening
der arbeiders een rol kunnen vervullen voor de emancipatie
van het proletariaat, zooals die in West-Europa het buskruit
vervulde voor de bestrijding van de bevolking der middeleeuwsche
steden. De bewapening onzer legers met geweren en kanonnen, de
geheele kazerneering en oefening der troepen, waardoor het moderne
militairisme een wapen kan zijn in de hand der heerschende klasse,
verouderde dan evenzeer, als de zwaarden en hunne door wallen en
grachten omgeven riddersloten veranderd zijn." [16]
Men bespeurt hier duidelijk den anarchistischen krijgskundige,
technisch en chemisch onderzoeker naar de mogelijkheid van de fabrikage
van dynamietbommen in vestjeszakformaat. Doch het dynamiet zou zich
tot een vervaardiging op een dergelijk kleine schaal niet kunnen
leenen. Dan moet de taktiek van het persoonlijk terrorisme maar
gevolgd worden. Het geheime geweld en de list.
"De geschiedenis leert, dat een onderdrukt volk, in aantal
machtiger, maar in bewapening en bedrevenheid in den oorlog
zwakker dan zijn onderdrukkers, onvermijdelijk in den kamp voor
zijn bevrijding of het behoud zijner onafhankelijkheid wordt
gedreven tot een strijd in het duister, aanvullende daarbij
door behendigheid en list, wat het in macht van wapenen tekort
mocht komen."
Als er van "behendigheid" en van "list" hier, sprake kan wezen, dan
is het alleen die waarmede de schrijver zich poogt te dekken tegen
een eventueel verwijt, zijn revolutionair-kommunistische volgelingen
tot geheime gewelddaden en toepassing van geniepige schelmenstreken
te hebben aangespoord. Hij koos daartoe een zeer voorzichtigen vorm,
door n.l. van een "volk" te spreken en de "geschiedenis" te pas te
brengen. Ook dàt is Bakoeninistisch!
Met deze en dergelijke papieren sissers heeft het Nederlandsch
terroristisch en Bakoeninistisch anarchisme gestreden.
Tot zoover de ontwikkeling van het anarchisme in de internationale
beweging en zijn geschiedenis in vogelvlucht. Zij zijn leerzaam voor
hen die meenen dat het anarchisme als aparte beweging bestaanbaar is,
en evenzeer voor hen die gelooven dat de moderne arbeidersbeweging
met het anarchisme iets uitstaande heeft. Het anarchisme, waar het
als beweging iets te beteekenen wil hebben, moet trachten een stuk
van de arbeidersbeweging te bemachtigen en het moet daarvoor zijn
eigenlijke gestalte afleggen: het moet sociaal anarchisme worden, een
contradiktie in zichzelve. Dat is het dan ook geworden en het heeft
daarmede juist evenveel van zijn anarchistisch karakter ingeboet als
noodig was om zich aan te passen aan het sociale karakter der beweging.
Het moest woekerplant worden en werd dit ook.