DE EERSTE KAMPPLAATS.

Voor ons doel moeten wij hier evenwel meer belang stellen in de eerste

pogingen om het anarchisme de arbeidersbeweging binnen te dragen, dan

in de uiteenzetting van ideologieën. De eerste die het anarchisme met

de beweging van het proletariaat poogde te verbinden was Bakoenine,

naar wij reeds bij de bespreking van zijn werk gezien hebben.

Daarom moet het terrein waarop dat geschiedde, de "Internationale"

van 1864, allereerst onze belangstelling gaande maken.

De "Bond van Communisten", in 1847 ontstaan en waaraan het klassieke

"Communistische Manifest", door Karl Marx en Friedrich Engels

vervaardigd, zijn ontstaan te danken had, was een eerste poging geweest

om de communisten onder één banier te verzamelen, natuurlijk, gelijk

de gansche inhoud van dat "Manifest" aanduidde, met uitsluiting van

de utopisten, die van den klassenstrijd als middel om tot de nieuwe

samenleving te komen, niets wilden weten.

Maar dat "Manifest" werd na zijn verschijning niet opgemerkt en had

vooral onder arbeiders geenerlei direkten weerklank kunnen vinden.

Eerst een samenkomst van fransche arbeiders, die door keizer Napoleon

III naar Londen waren gezonden om aldaar de Wereldtentoonstelling

van 1862 te bezoeken, met engelsche Trade Unionisten, zou het eerste

aanknoopingspunt vormen voor die arbeiders van deze beide landen,

welke, naar de toenmalige verhoudingen in Europa, de meest ontwikkelde

waren. In 1864, zeventien jaren na het "Manifest" dus, kwam de beroemde

"Internationale Associatie van Arbeiders", kortweg "de Internationale"

genoemd, tot stand. Daarmede was voor het internationale proletariaat

voor het eerst een bodem geschapen, waarop zijn vertegenwoordigers

elkander vinden konden, ten einde gezamenlijk het karakter van

den strijd tegen het kapitalisme, den gemeenschappelijken vijand,

en de middelen welke in dezen strijd moesten worden aangewend, te

kunnen bespreken.

Hoewel de spil waarom de "Internationale" draaide, geheel en al de

persoonlijkheid van Karl Marx was,--wiens inzichten zoowel in het

wezen van het kapitalisme, voor het eerst neergelegd in de "Kritiek

op de Staathuishoudkunde" (1857), als in het karakter van den strijd,

naar reeds uit het "Communistisch Manifest" was gebleken, volkomen

helder en gevestigd waren,--Marx behéérschte de "Internationale"

zeker niet. En hij was wel de eerste die overtuigd was, dat hij het

niet zou hebben kunnen doen. Verdere uitwijding over de ontwikkeling

van de "Internationale", anders dan in verband met ons onderwerp,

is hier intusschen niet op hare plaats.

Het eerste werkelijke congres van de "Internationale" te Genève (3-10

September 1866) was door 60 afgevaardigden bezocht; de belangrijkste

delegatie was die uit Frankrijk. De fransche sektie die, behalve

Varlin en Malon, niet anders dan Proudhonistische afgevaardigden telde,

probeerde daar reeds dadelijk de "Internationale" hare richting uit te

dwingen. Marx was niet aanwezig. Het waren de fransche afgevaardigden

Fribourg en Tolain, die het voorstel deden, dat slechts handenarbeiders

als medeleden van de "Internationale Arbeidersassociatie" zouden kunnen

worden opgenomen, waardoor de voornaamste krachten, o.a. ook Marx,

feitelijk zouden zijn buitengesloten; het voorstel werd verworpen. Het

teekende echter reeds den reaktionairen geest die een deel dier

afgevaardigden bezielde.

Het zuiver Proudhonisme nochtans kwam eerst bij het vaststellen

van de grondslagen, waarop de "Associatie" berusten zou, aan den

dag. Bij het punt "Internationale verbinding" en ten aanzien van

"hetgeen de Associatie zou kunnen doen in den strijd tusschen arbeid

en kapitaal", was op voorstel van de engelsche arbeiders ook het punt

van de werkstaking ter sprake gebracht. Daarbij vonden de fransche

afgevaardigden de gelegenheid om het Congres te doen verklaren, dat

het noodzakelijk was "den ruil op de grondslagen der wederkeerigheid

te herstellen, het vakonderwijs te hervormen, nauwkeurige statistieken

in het leven te roepen, overvulling en gebrek aan arbeiders in de

verschillende vakken te doen vermijden." Dat waren volgens deze

fransche afgevaardigden de middelen, "om de huidige verhoudingen te

verbeteren waarover zich elkeen te beklagen had en die onder zekere

omstandigheden crisissen in het leven moesten roepen, die bij de

bestaande betrekkingen tusschen den consumeerenden voortbrenger en den

niet voortbrengenden verbruiker, onmogelijk te verhinderen waren." Om

deze denkbeelden "te doen verwerkelijken is de Internationale in het

leven geroepen."

Scherper trad de fransche delegatie nog naar voren, toen het gold de

bespreking van de verkorting van den arbeidstijd. Toen n.l. Odgers

en Karl Bürkli een voorstel hadden ingediend, dat de arbeiders in

de industrieele landen voor een verkorting van den arbeidsdag tot 8

uren zouden ijveren, op aansporing van de "Internationale", stelden

de franschen de volgende resolutie daartegenover:

1e. De mensch is slechts vrij onder de voorwaarde van de

ontwikkeling zijner geschiktheden; dientengevolge is elke

verlenging van den arbeid, welke hem in deze ontwikkeling

hindert, te veroordeelen als tegen-natuurlijk en als

anti-sociaal.

2e. Van nu af beschouwen wij den arbeidstijd van 8 uren per dag

als voldoende voor de voortbrenging van alle behoeften, die

voor het leven noodzakelijk zijn.

3e. De associatie behoort alle pogingen in het werk te stellen om

de tegenwaarde voor elke werkzaamheid te verzekeren, doordien

zij een minimum van arbeidsloon voor een dienst bepaalt, die

het individu aan de gemeenschap bewezen heeft.

Bij de behandeling van de kwestie van den vrouwenarbeid waren de

fransche gedelegeerden wederom, geheel in de lijn van Proudhon,--die

een zeer verwoed tegenstander van de vrouw als arbeidster

was,--reaktionair. Zij oordeelden het noodig dat het Congres zich

positief tegen elken vrouwenarbeid uitsprak, daar de vrouw niet

in de fabriek maar in het huisgezin behoorde en zich aan het gezin

en de opvoeding harer kinderen had te wijden. De vrouwenarbeid was,

volgens de meerderheid van de fransche delegatie, "in physiek, moreel

en sociaal opzicht een principe van ontaarding en een drijfveer van

demoralisatie". Deze uitspraak ging een minderheid (Varlin en Bourdon)

zelfs te ver.

Op het derde Congres, te Brussel gehouden (6-13 September 1868), waar

de fransche delegatie de hulp van de eveneens door het Proudhonisme

aangestoken belgische delegatie kon vinden, wist zij zelfs een

lange resolutie aangenomen te krijgen, waarin het Congres, van de

overweging uitgaande: "dat het heffen van rente een permanente bron

van ongerechtigheid en ongelijkheid is" zich althans in beginsel

uitsprak voor:

"De oprichting van ruilbanken, welke tot den kostenden prijs

gedreven, de demokratiseering en de egaliseering (gelijkmaking)

van het crediet ten doel zouden hebben en het verkeer tusschen

producenten en consumenten vereenvoudigen, d.w.z. den arbeid

onttrekken aan de heerschappij van het kapitaal en dit laatste

zijn natuurlijke en gerechtigde rol zouden aanwijzen, die het

als agent van den arbeid heeft."

Op het Congres van Brussel (5-11 September 1867) waren de fransche

afgevaardigden, die zich op het vorig congres zelfs tegen de

rationalisatie van mijnen, grond, spoorwegen etc. hadden verklaard,

evenzeer in de Proudhonsche dogma's verstard. In het bijzonder was het

de fransche afgevaardigde Tolain, die zijn leven trouwens als een zeer

eerzaam Senaatslid geëindigd heeft, die de rechten van het individu

verdedigde tegenover de "abstrakte gemeenschap". Hij betwistte deze

in de eerste plaats het recht de hand op de arbeidsproducten van den

individu te leggen als die zijn bijdragen en belastingen tot onderhoud

van den staat geleverd had. Hij maakte er zijn tegenstanders op het

Congres een verwijt van, de werking met de oorzaak te verwisselen, zoo

dezen het eigendomsrecht als de oorzaak van de ellende der menschheid

beschouwden. Hij meende dat men alle huurkontrakten in koopkontrakten

moest veranderen, waardoor het eigendom in een bestendige cirkulatie

gebracht zou worden en daarmede zou ophouden een schadelijke werking

te hebben. Hiermede moest hand aan hand gaan een reorganisatie van het

credietwezen, dan zou ieder misbruik van het privaat-bezit onmogelijk

geworden zijn, zonder dat men tegelijk de vrijheid van het individu

op eenigerlei wijze behoefde aan banden te leggen.

Het Anarchisme in de Arbeidersbeweging · 第 19 / 50 题