4. KROPOTKINE; DE TUSSCHENVORM.

"Ik wil trachten te bewijzen, hoe onvereenigbaar verschillend de

wereldbeschouwingen zijn van communisme en anarchie, ook in al

hunne gevolgen."

(Carrard Auban, "De Anarchisten," pag. 156.)

Geen enkel anarchistisch schrijver heeft meer dan Peter Kropotkine

aanspraak er op gemaakt, een "wetenschappelijk" anarchisme te

leeraren. Geen als hij heeft er in al zijn werken over anarchisme meer

den nadruk op gelegd, dat het anarchisme hetwelk hij voorstaat, een

overwinning op de sociaal-demokratie, geestelijk althans, beteekent.

Er gaat van het werk van Kropotkine zekere bekoring uit en ook een

zekere suggestieve kracht, omdat niemand sterker dan hij weet te

manipuleeren met allerlei soort van termen. Als natuurphilosoof van

groote belezenheid en studie, werkt hij bij tal van gelegenheden

in maatschappelijke kwesties met natuurwetenschappelijke

stellingen. Daardoor krijgen sommige uitspraken den schijn van

wetenschappelijk te zijn, terwijl zij inderdaad geheel aan de

oppervlakte bleven en het hart der kwestie niet raken. Het bloot

overbrengen van natuurwetenschappelijke formules op maatschappelijke

verschijnselen is niet wetenschappelijk, reeds hierom niet, wijl

de menschelijke samenleving essentieel iets zeer aparts is en

van de dieren- of plantenwereld in den grond te veel verschilt. De

menschen maken, onder zekere omstandigheden, en gebonden aan bepaalde

verhoudingen, hun wereld, d.w.z. het sociaal milieu waarin zij leven,

zelven; zeker niet planmatig en bewust genoeg, maar in ieder geval met

een van dieren- of plantenwereld hemelsbreed verschil in bewustheid.

Kropotkine is waarschijnlijk in de laatste jaren te zeer bezig

geweest met allerlei dergelijke natuurstudie om in te zien, dat het

niet waar is wat hij zegt "dat het persoonlijk en sociaal leven van

den mensch evenzoo goed een natuurverschijnsel is als de groei van

een bloem of de ontwikkeling van het samenleven onder de bijen of

mieren" ("Moderne wetenschap en Anarchisme", pag. 12 der duitsche

uitgave). Opdat men deze hypothese zou kunnen aanvaarden op gezag van

Kropotkine, zou zij met meer bewijzen moeten worden gestaafd dan hij

er voor geeft. Voorhands blijven wij gelooven dat de menschelijke

samenleving niet enkel door hare technisch-mechanische inrichting,

gelijk een bijenzwerm of een mierenhoop, maar ook door hare historische

inrichting wordt bepaald.

Kropotkine zegt ook in bovengenoemd werkje, dat de anarchisten de

dialektische methode verwerpen; een methode welke "wij evenzoo min

erkennen, als de natuurwetenschappen haar erkennen" (p. 52). Dat

gelooven wij wel! Hoe zou iemand die de natuurphilosophische

beschouwingen gewoonweg op de menschelijke samenleving overbrengt,

ooit daarbij de dialektische methode kunnen gebruiken! Dit is juist het

verschil, dat Kropotkine in weerwil zijner geleerdheid niet begrijpt

dat de menschelijke samenleving, het gansche ontwikkelingsproces,

dat de geschiedenis tot op heden heeft doorgemaakt en nog doormaakt,

een dialektisch proces is van tegen elkander inwerkende, met elkander

strijdige economische en politieke krachten.

"De vraag nu," zegt Kropotkine (p. 54), "die zich het anarchisme

stelt, kan volgenderwijze geformuleerd worden: Welke vormen des

socialen levens verzekeren een gegeven samenleving en verder ook de

menschheid de grootste som van geluk en bijgevolg ook de grootste

levenskracht. Welke vormen der samenleving zijn er het meeste toe

geëigend, een bestendig groeien en ontwikkelen van dit geluk, in

kwantitatief en kwalitatief opzicht, te waarborgen, d.w.z. dit geluk

tot een steeds volkomener en veelzijdiger te maken?.... De mensch, de

ontwikkeling in deze richting te bevorderen, bepaalt de werkzaamheid

van de anarchisten op sociaal, wetenschappelijk en artistiek gebied"

(p. 54).

Dit is dus het resultaat van Kropotkine's ontwikkeling: het onderzoek

naar de "beste der maatschappijen" en naar die welke de grootste som

van geluk voor het grootst mogelijke aantal waarborgt. Als Kropotkine,

die zoo ontzettend belezen is, nu maar toegeven wil dat noch die

kwestie zelve, noch de wijze waarop hij haar stelt, een haartje

nieuws bevat, dat zij reeds door alle sociaal-philosophen, die den

weg voor de burgerlijk-liberale levensbeschouwing gebaand hebben,

in het Frankrijk van de 18e eeuw veel juister gesteld was en met veel

meer reden, dan is het ons goed.

En als dit resultaat nu gewonnen heette te worden langs den weg dien

de natuurwetenschappelijke methode pleegt te volgen, dan blijkt daar

uit, dat deze methode, althans in den vorm waarin Kropotkine haar

gebruikt, niet deugt voor een strijdende arbeidersbeweging, wier

kracht niet juist is, dat zij zoekende is naar een maatschappij vorm

die geschikt is om te voldoen aan zekere vooraf gestelde eischen,

maar de wetenschap dat de maatschappij die komende is in den schoot

van de tegenwoordige wordt uitgebroed.

Het is overigens maar een zeer mager beestje, dat er van het

stoutmoedige anarchisme is overgebleven, gelijk men ziet. De

ontwikkeling van de sociologie was reeds met Auguste Comte veel verder

gekomen. Niet verder dan een onderzoek naar de beste der maatschappijen

het te kunnen brengen, is niets dan een teruggang tot het oude zwak

van de utopie, die dat ook deed, zonder de sterke eigenschappen aan

het socialistisch utopisme eigen, dat althans door de kritiek op de

bestaande samenleving sterk stond.

Met deze verklaring van de taak en het doel van het anarchisme heeft de

"revolutionair" in Kropotkine's anarchist geheel plaats gemaakt voor

den burgerlijken utopist, voor den onschuldigen sociaal-philosoof,

die zoekende is naar de "beste" maatschappij.

Deze laatste phase van Kropotkine als anarchist behoeft geenerlei

verbazing te wekken; geen die ooit meer utopist is geweest dan

hij. Trots allen schijn van wetenschappelijkheid is het Kropotkine niet

gelukt van het anarchisme een wetenschappelijk stelsel te maken. Het

communisme in de eigenlijk anarchistische, d.w.z. anti-organische,

absolute beschouwing omtrent maatschappij, staat, produktie enz. te

hebben ingevoegd, is op een verwringing van het oorspronkelijk

anarchisme uitgeloopen. Het anarchisme is bij Kropotkine geen zier

communistischer geworden; d.w.z. de voorwaarden, die de beweging naar

een communistische maatschappij bepalen, de ontwikkelingsgang van de

arbeidende menschheid, zijn in de uiteenzettingen van Kropotkine even

vaag en nietszeggend gebleven, als zij bij de werkelijke anarchisten

duidelijk afwijzend zijn. Dezen zeggen: wij maken uw ontwikkeling

naar het socialisme of communisme niet mede; alles in uw toekomst

gaat tegen de ontwikkeling van de "vrije persoonlijkheid", van den

"souvereinen individu", het middenpunt van de wereld volgens ons,

zoo dwaas in als het maar kan.

Kropotkine betuigt anarchist te zijn, aan de vrijheid van de persoon,

de zelfbepaling, de souvereiniteit van den individu vast te houden,

maar als hij over het communisme van zijn toekomststaat spreekt, is

hij de eerste die deze souvereiniteit loslaat en in de plaats van de

personen de "vrije groepen" stelt. Dit is nu wel Proudhonistisch,

maar het is niet logisch. Welken waarborg heeft men dat "den dag

na de revolutie", die bij Kropotkine evenals bij alle phantasten

uit de lucht moet komen vallen, die "vrije groepeering" plaats zal

vinden? Deze, hoogst eenvoudige vraag wordt door Kropotkine nergens

beantwoord. Alleen een zeer optimistisch vertrouwen op de massa helpt

hem uit de moeielijkheid.

Van zelf zijn wij hier gekomen tot een van de meest typische werkjes

die Kropotkine geschreven heeft in zijn z.g.n. revolutionaire

periode, toen hij de "natuurwetenschappelijke" methode nog niet

gelijk tegenwoordig hanteerde. Het is "De verovering van het Brood",

een werkje dat indertijd onder arbeiders veel gelezen is en dat,

afgezien van de hoofdstukken, die goed studiemateriaal bevatten, de

zuivere afspiegeling is van de klein-burgerlijk utopische gedachte

die meent, dat een "betere verdeeling" een nieuwe maatschappij maakt.

In "De verovering van het brood" is niet alleen de gedachtengang

over de toekomst utopisch, maar ook de andere hoofdgedachte,

n.l. dat de revolutie zal komen als gevolg van de ellende van het

proletariaat. Twee, met elkander strijdige houdingen beheerschen

dit gansche werkje, die kenmerkend zijn voor de methode van het

"wetenschappelijk" anarchisme van Kropotkine en zijn volgelingen.

Vooreerst hebben wij de pessimistische gedachte, dat wij aan den

vooravond van een sociale revolutie staan (men zie: het hoofdstuk "Les

Denrées" uit de "Verovering"); de ellende van de massa neemt steeds

toe en zet tot daden van wanhopig verzet aan. Deze theorie van de

absolute verellendiging is, in de oogen van den niet-bovennatuurlijken

Kropotkine, een wonderbaarlijke vooruitgang op den bovennatuurlijken

Marx. Aan den anderen kant verheft zich in het boekje de optimistische

gedachte dat deze massa, ellendig als zij is en tot wanhoop gedreven

door honger, gebrek en werkeloosheid, zonder eenige inmenging van

wie ook, de sociale revolutie klaar zal spelen niet alleen, maar eene

gansche nieuwe samenleving in elkander zal zetten.

Kropotkine vindt zichzelf zeker erg reëel, dat hij den hoofdnadruk

er op wenscht gelegd te zien, dat den dag na de komende revolutie,

de menschen het eerst van levensmiddelen, woning en kleeding moeten

zijn voorzien; kortom, dat de revolutie materieel geslaagd moet

zijn om niet te mislukken, gelijk, volgens hem, de vroegere daaraan

mislukt zijn. Al te koopmansachtig! Een revolutionair tijdperk maakt

men zeker niet zonder brood door; maar zij leeft evenmin bij brood

alléén. Kropotkine ziet alle psychologische momenten over het hoofd,

die in dergelijke historische tijdperken van veel grooter waarde

zijn dan de zorg om het materieele bestaan. En hij is bovendien

grenzenloos ònhistorisch en ònwetenschappelijk door in een revolutie

een absoluten toestand van verzet te zien en niet slechts een phase,

het springen van een omhulsel, dat al even weinig mislukken kan,

als het afstroopen van de huid bij de slang ooit een mislukking kan

wezen. Kropotkine's kleinburgerlijk begrip van revolutie doet hem deze

altoos in den vorm van een opstand zien. Een opstand kan mislukken;

een sociale revolutie is nooit mislukt en kan ook niet mislukken.

Deze laatste verwarring is het die door Bakoenine en op diens voetspoor

door den geleerden Kropotkine in de hoofden van tal van arbeiders

gebracht is. Zij beheerscht het gansche fransche anarchisme, dat het

best getypeerd wordt door Jean Grave met zijn "La société mourante

et l'anarchie" (De stervende maatschappij en de anarchie, 1893).

Het is de verwarring van den vorm met zijn inhoud. Het zou niet zoo

erg wezen als daardoor niet een deel van het proletariaat van zijn

eigenlijke taak, van de taak waar het op aankomt, werd afgehouden,

n.l. van de taak om aan de sociale revolutie een wezenlijken inhoud

te geven en zich om den vorm minder te bekommeren. De Kropotkinisten

daarentegen besteden alle zorgen aan dien vorm en geven daarmede

aan zorgelooze arbeiders den indruk dat alles op de regeling van

de revolutie aankomt en niet op wat daar historisch aan zal moeten

voorafgaan en de noodzakelijke inhoud zal moeten wezen niet alleen

van de verovering van "het brood", maar van de gansche macht, om de

leiding van de voortbrenging in handen te krijgen.

Want zoo onnoozel is toch de zaak niet als Kropotkine ze voorstelt. De

verdeeling van den maatschappelijken rijkdom is een zaak die, al

wordt ze door burgerlijke economisten steeds als het problematische

punt beschouwd waarop een communistische maatschappij zal moeten

stranden, eerst op de tweede plaats komt. Het eigenlijke waar het om

gaat is de bourgeoisie de leiding van de voortbrenging te ontnemen,

n.l. de macht in handen te krijgen om het brood niet alleen te

hebben, maar voortdurend te blijven maken. En deze macht zit met

alle mogelijke banden aan het bezit van de staatsmacht vast. Niet de

eigendomsvormen zijn het, die van overwegend belang zijn voor een

andere inrichting der maatschappij, maar het hebben van de leiding

in de produktie zelve. Daarin zijn dan ook menschen als Kropotkine

zoo burgerlijk-utopistisch, dat zij zich over de verdeeling van het

produkt zoo geweldig druk maken.

Maar daarom bemerkt men dan ook van het doel en het wezen van den

eigenlijken proletarischen klassenstrijd bij Kropotkine nergens

iets. De georganiseerde klassenstrijd van het proletariaat met zijn

doelbewuste organisatie is de sleutel tot verovering van de leiding der

produktie, zonder welke een revolutie geen sociale revolutie is, maar

hoogstens een voorbijgaande revolte, een tijdelijke opstand, die niet

enkel mislukken kan, maar in het algemeen genomen, ook mislukken moet.

En nu zou, afgescheiden van de onderdeelen, de hoofdstrekking van een

boek als "De verovering van het brood" juist kunnen zijn, n.l. dat een

sociale revolutie van het proletariaat in de naaste toekomst niet een

enkel politiek, maar ook een economisch karakter zal moeten dragen,

d.w.z. niet om den staatsvorm maar om de verandering van de gansche

maatschappelijke produktie zal gaan. Maar dan blijft de gansche methode

van Kropotkine, die het in zijn boek bijna over niets anders dan over

de verdeeling heeft, toch nog in hooge mate verward en verwarrend.

Het boek, indertijd veel gelezen, is thans zoo goed als vergeten. Het

was in den grond slechts een minder vervelende opwarming van de oude

"systemen" van socialisme der Fourieristen en Saint-Simonisten van vóór

'48.

Ten opzichte van dat eene punt, de bezorgdheid over de toekomst,

vervallen alle anarchisten, en de "communistische" niet het minst,

in dezelfde onzinnige overdrijving: hun is de beweging niets, het

einddoel alles; omgekeerde Bernsteins dus.

De geloovigen worden voortdurend gespijzigd met de hoop en de troost

op het hiernamaals van den dag na de revolutie. Niet de staat, maar de

"vrije vereeniging" zal alles in orde brengen, gelijk ook Kropotkine

aan de vrije federatie alle regeling toevertrouwt. Het kan zijn dat

de geleerde Kropotkine, die nooit een greintje organisatiewerk heeft

verricht, die ten allen tijde niets dan een boekenman en kamergeleerde

is geweest, zulk een vast vertrouwen heeft in het samenwerken van

groepen menschen, niet in ééne plaats, op één dorp, maar overal in de

geheele beschaafde wereld, die elkander in den regel waarschijnlijk

niet eens kennen. Het is ook best mogelijk, dat men meenen kan, dat de

"vrije groepen" van voor de leiding der produktie totaal ongeschoolde

elementen uit het proletariaat, de produktie zoo kant en klaar

ter hand zullen kunnen nemen, beheeren, verzorgen, administreeren,

etc. Tusschen de vier muren van het studeerkamertje zal dit alles

best klaar te spelen zijn. Maar praktisch onuitvoerbaar zal het ieder

blijven voorkomen, die weet wat het in elkander zetten van een enkele

onnoozele vakvereeniging kost, ieder die ervaring er van heeft met

welk een ontzettende moeite de oprichting en instandhouding zelfs

maar van de allerkleinste coöperatie gepaard gaat; welk een geweldige

moeilijkheden men ondervindt, om zelfs maar voor den eersten keer een

goed stel bestuurders te krijgen en hoe arbeiders, die eenig praktisch

inzicht bezitten en geschikt zijn om de leiding van zelfs de kleinste

bakkerij of winkel op zich te nemen, met het bekende lantaarntje van

den ouden wijsgeer gezocht moeten worden, als zij te vinden zijn. Of

denken Kropotkine e.d. dat men bij het toekomstig produceeren, al

geschiedt dit dan ook in "vrije groepsvorming," géén verstand en geen

leiding zal noodig hebben?

Dat de voorziening in de behoeften, eenmaal, als het proletariaat de

bourgeoisie zal hebben overwonnen en meester zal wezen van het terrein,

een zeer moeielijke taak zal zijn, wie zal dit ontkennen? Men stelle

zich heusch de zaak niet zoo voor als Kropotkine het doet. Het volk

kan niet eensklaps alles, doet niet eensklaps maar alles, alsof het

nooit anders gedaan had dan regelen, controleeren, administreeren. Het

voorstellen alsof men dit alles maar zoo uit de mouw schudt, is

demagogie en niets anders. Ook na de overwinning van het proletariaat

zal het proletariaat niet vrij zijn in zijn doen en laten; het zal

toestanden en verhoudingen aanwezig vinden, waarop het voort te

bouwen heeft.

Wij zullen waarlijk de laatsten zijn om niet te erkennen dat er

duizende bij duizende krachten, ook onder arbeiders, schuilen, die

bruikbaar daartoe zijn. Maar men bedenke... zij sluimeren, zij moeten

gewekt en voor hun taak geschikt gemaakt worden. Trouwens, niet enkelen

onder de arbeiders, niet de bovenste duizend, maar zooveel mogelijk

de gansche klasse van arbeiders moet opgeleid worden voor die eene

groote taak: de leiding van de produktie in de toekomst. En ziet,

nu zijn daar enkele, bij uitstek geschikte middelen voor. Wij zullen

er hier een paar noemen.

Daar is het terrein van de vakvereeniging, alwaar de organisatiemannen

worden gekweekt, de arbeiders in het algemeen kunnen leeren een

overzicht over hun vak en dus vast het inzicht kunnen krijgen in

den tak van produktie, waarin zij zelf arbeiden en waarvan zij als

geïsoleerde arbeiders geen begrip kunnen hebben. Het terrein van

de vakvereeniging waar de menschen gekweekt worden, die zich met de

behartiging van de vakaangelegenheden meer in het bizonder belasten

kunnen en daardoor in steeds nauwer contact met de industrie en de

aangelegenheden van de industrie kunnen komen. De vakvereeniging is het

dus die organisatie kweekt, de arbeiders het oog doet richten op den

kleinen, dagelijkschen arbeid en die de verantwoordelijke leiders uit

den boezem van de arbeidersklasse zelve kweekt, schoolt en vermeerdert.

Maar juist dáárvan willen immers de anarchisten niets weten.

Daar is nòg een terrein, dat van de coöperatie, waar de onmiddellijke

leiders der produktie worden opgeleid, die voortbrenger en verbruiker

nader tot elkander brengt en de arbeiders langzamerhand de organisatie

van het maatschappelijke bestuur en regeling helderder en beter

leert begrijpen.

Maar ook hiervan willen immers de anarchisten in het algemeen niets

weten.

Daar is het derde terrein nog, waarop de arbeiders zich kunnen

scholen en voor de toekomstige leiding van maatschappelijke zaken

het noodige overzicht verschaffen, het terrein van de politieke en

parlementaire aktie.

Hiervan hebben de anarchisten immers den grootsten afschuw.

Kropotkine beroept er zich overal in zijn werken op, dat er reeds

zooveel in deze maatschappij door het particulier initiatief ontstaan

is en van organisatiegeest getuigt buiten den staat om. Een van zijn

jongste werken, "Wederkeerig dienstbetoon," is geheel gewijd aan de

opsomming van deze feiten, zoowel in het verleden als in het heden.

Kropotkine heeft zelfs de geestigheid zijn lezers ietwat daarmee beet

te nemen in "De verovering van het brood", waar hij de internationale

postunie, de spoorwegmaatschappijen en de geleerde genootschappen

als even zoovele voorbeelden aanhaalt van "een oplossing door vrije

overeenkomst in plaats van die door middel van de wetgeving" (hoofdstuk

"Le communisme anarchiste," p. 44. Uitg. van Stock, 1902). De geleerde

Kropotkine zal toch wel weten, dat geen internationale postunie buiten

de wetgevende lichamen der verschillende staten tot stand kan komen

en dat het toezicht van alle staten op de spoorwegen en de regeling

van al wat daartoe behoort, bij de wet geregeld is. Een grappenmaker,

die geleerde Kropotkine.

En die "geleerde genootschappen", ook de organisatie van het Roode

Kruis en van de Redding van schipbreukelingen, etc., die bij andere

gelegenheden voor Kropotkine dienst moesten doen, welk een onnoozele

vergelijking! Ten eerste zijn de meeste van dergelijke vereenigingen

niet buiten staatshulp tot stand gekomen, de meeste genieten zelfs

staatssubsidiën en zouden, ware dit niet het geval, reeds lang niet

meer bestaan. Ten tweede zijn zij op bepaalde gevallen berekend

en wat wel het sterkst is: in de meeste gevallen zijn zij direkte

uitvloeisels van opdrachten, die de regeeringen geven.

Ten derde worden zij gevormd uit en bestierd door mannen en vrouwen

uit de bourgeoisie, de klasse waaruit ook het intellect voortkomt

dat door een ervaring van minstens anderhalve eeuw het regeeren,

besturen, administreeren geléérd heeft. Naast den goeden wil tot vrije

overeenkomst behoort ook de macht aanwezig te zijn om ze behoorlijk

ten uitvoer te leggen, zoodat het resultaat der overeenkomst, de

vereeniging, behoorlijk funktioneert. En ons dunkt, hiermede slaat

Kropotkine, die den dag na de revolutie alle benoodigde mannen en

vrouwen, dadelijk geschikt om het allermoeielijkste werk te doen,

uit den grond stampt, zichzelf het meest in het gezicht.

Het is zeer waar, dat door particulieren oneindig veel wordt gedaan,

waarmede de wet zich niet bemoeit. Maar bewijst dat nu wat? Zoodra de

wet deze particuliere instellingen, overeenkomsten enz. schadelijk

voor het publiek belang achtte, heeft zij ze opgeheven of onder

contrôle gesteld.

Ook die wet zelf en de staat had Kropotkine in zijn onderzoekingen

wel mogen opnemen. Ook zij zijn in zekeren zin combinaties en

overeenkomsten van menschen, het zijn sociale vormingen even zoo goed

als het bijna oneindig getal middeneeuwsche en andere instellingen en

overeenkomsten, waarvan "Wederkeerig dienstbetoon" ons verhaalt. Ten

opzichte daarvan evenwel vervalt Kropotkine, anders in dat boek overal

zeer objektief, plotseling weer in de oude anarchistische denkwijze

terug. Al de opgesomde vrije overeenkomsten in de middeneeuwen waren

in het belang van den vooruitgang, alleen de staat was steeds een

hinderpaal daarvoor.

Dat is het idée fixe van den anarchist, zou men zeggen, een politieke

monomanie bij een overigens verstandig man.

Ten eerste heeft de staat, n.l. de organisatie van de klasse welke de

oppermacht had, den socialen vooruitgang niet enkel belemmerd,--dat is

zoo eenzijdig mogelijk gezien,--hij heeft haar ook zeer bevorderd. Op

een gegeven punt in de ontwikkeling van de produktie en consumptie

werd de vrije overeenkomst een onmogelijkheid, kon zij haar taak niet

meer volbrengen en er ontstond dus een organisatie die zich daarmede

belasten moest. De staat moest zich wel ontwikkelen, als orgaan van

de gemeenschap: 1o. omdat een samentrekking van machten op gegeven

momenten noodzakelijk werd; 2o. omdat deze centralisatie een machine

noodig had waardoor zij funktioneeren en hare taak volbrengen kon.

De aanleg van wegen en kanalen, de indijking van stroomen en rivieren,

de cultiveering van landstreken, het verkeer van menschen en goederen,

een behoorlijke, voor ieder bereikbare briefwisseling, het muntverkeer,

verlichting, bestrating, publieke hygiëne, onderwijs enz., dat

alles, het eigenlijke leven van een georganiseerde maatschappij,

het was er buiten het bestaan van den staat niet geweest. En het

is wel gemakkelijk, gelijk Kropotkine doet, zich heerlijke idylles

te maken van dien goeden ouden tijd, bijv. van de middeneeuwsche

markgenootschap. Maar deze heeft ons den vooruitgang, waardoor wij

juist nu in staat zijn, materieel en moreel, uit een oogpunt van

produktie en van beschaving een hoogeren vorm van samenleving te

veroveren, niet gebracht. Daaraan heeft de staat gearbeid.

Kropotkine, die zoo weet af te geven op de metaphysiek der

sociaal-demokraten, maakt niet de flauwste onderscheiding, tenminste

hij legt het nergens aan den dag, tusschen staat en staatsmacht;

overal haspelt hij deze dingen dooreen. Het verschil tusschen beide

is op een andere plaats reeds duidelijk uiteengezet.

Kropotkine's ideaal is overigens ten opzichte van staat en gemeenschap

reaktionair. Reaktionair in dien zin dat het de psychologische

uitdrukking van cultuur-moeheid genoemd kan worden.

Dit blijkt ook nog uit een ander werk van Kropotkine's laatste

periode, "Landbouw en Industrie," waarin hij hoofdzakelijk zijn

krachten inspant, om de levensvatbaarheid aan te toonen van de

klein-industrie op het land, over het algemeen den ergsten vorm van

sweating en overarbeid, vrouwen- en kinderexploitatie, die buiten

het bereik van de wet blijft, van loondrukking en concurrentie, en

dikwerf een steeds vloeiende bron van onderkruiperij in den strijd

van de arbeiders der groote industrie in de steden.

Er wordt bovendien op zeer tendentieuse wijze in geschermd met cijfers

die moeten aantoonen dat niet de groot-, maar de kleinindustrie

veld wint.

De beide tendenzen van de ideologische beschouwing zijn hier bij

Kropotkine weer duidelijk waarneembaar. Een "teruggang tot de natuur,"

een weemoedig verlangen naar verouderde "natuurlijke verhoudingen,"

zooals die reeds honderdvijftig jaren voor Kropotkine bij Jean

Jacques Rousseau te vinden zijn geweest,--en een teruggang naar de

kleinindustrie.

Deze cultuurmoeheid doet anarchisten als Kropotkine het

specifieke wezen van het gehéél onzer beschaving in haar

voortontwikkelingsvermogen uit het oog verliezen en miskennen.

De zeer metaphysische angst voor den staat, die den natuurphilosoof

Kropotkine bekruipt zoo dikwijls hij tot hem nadert, is evenzeer

psychologisch verklaarbaar uit de onmacht van den individu, en voor den

anarchist van welke schakeering ook is immers de samenleving een som

van individuen, die allen op zichzelven staan en noodgedrongen elkander

naderen en met elkander een "verdrag" sluiten, om dien staat, waarvan

ieder individueel den druk zooveel te sterker voelt, te overwinnen.

Daarom gaat hij liefst òm hem heen, daarom sputtert hij tegen hem en

keft er tegen als het hondje tegen de maan. Dit is nu wel gemakkelijk,

maar het is en blijft een bewijs van zwakheid. Die zwakte van standpunt

weerspiegelt zich in alle specifiek anarchistische gedeelten van

Kropotkine's werken. Ze is mede de oorzaak waarom hij zooveel genoegen

in het verleden schept, in de toekomst niet minder gaarne verwijlt,

maar het tegenwoordige, de onontbeerlijke schakel in den keten die

beide verbindt, maar liefst overslaat.

In een zijner laatste boekjes, "Moderne Wetenschap en Anarchisme,"

tracht Kropotkine op grond van de resultaten der natuurwetenschap

de juistheid van het anarchisme te bewijzen. Dit is weer zeer

eigenaardig voor Kropotkine's eenzijdigheid: zonder meer wetten, die

op natuurwetenschappelijk gebied gelden, op de samenleving over te

brengen. "Het anarchisme is het logische resultaat van de progressieve

beweging in de natuurwetenschappen, die met het einde van de 18e eeuw

begon"... "De wortels van het anarchisme liggen in de natuurphilosophie

van de 18e eeuw." Dat is juist. De natuurphilosophische beschouwing

van de 18e eeuw, die, naar Kropotkine betreurt, in haar konsekwente

ontwikkeling onderbroken is, was de wetenschappelijke grondslag van

hen die de rechten der burgerlijke, kapitalistische maatschappij

verdedigden. "In den strijd tusschen individu en staat is het

anarchisme, indien het 't werk van zijn voorgangers uit de 18e eeuw

voortzet, steeds aan de zijde van het individu en tegen den staat,

aan de zijde van de maatschappij en tegen de staats-autoriteit, die,

tengevolge van historische oorzaken, de eerste beheerscht."

Deze onderscheiding tusschen individu en staat is even burgerlijk

verward, als die, welke de maatschappij tegenover de staats-autoriteit

stelt, metaphysisch en ideologisch is. Dit zagen wij vroeger reeds.

De gemiddelde bourgeois, die niet graag "zijn belasting" betaalt, die

niet "belemmerd" wil zijn in de "vrije" uitbuiting van zijn kapitaal en

de arbeidskrachten die hij daarvoor koopen kan, ziet deze tegenstelling

van individu en staat, van maatschappij en staats-autoriteit eveneens,

omdat hij die scheiding voor zichzelven gaarne maakt. Maar wie nu

zich eenmaal meer "onbevooroordeeld" tegenover den staat stelt dan de

anarchist het met mogelijkheid kan doen, omdat de staat dezen steeds

als een nachtmerrie bij klaarlichten dag vervolgt, die ziet dat de

scheiding gansch ergens anders ligt dan tusschen "individu en staat,"

"maatschappij en staats-autoriteit." Zulke onderscheidingen maken is

niets dan het spelen met begrippen, geschikt om in klein-burgerlijke

vooroordeelen bevangen arbeiders van de wijs te brengen, maar

wetenschappelijke, d.i. logische waarde hebben zij niet.

De feitelijke onderscheiding ligt niet tusschen individu en staat,

maar tusschen de verschillende klassebelangen van de kapitalistische

en de niet-kapitalistische klasse.

Juist bij de voortdurende verscherping der klasse-tegenstellingen

in onzen tijd en de steeds sterker centralisatie der staatsmacht

in de moderne landen, blijkt het zoo vaak, hoe zeer, eenerzijds

onder den druk van de steeds toenemende politieke ontwikkeling der

arbeidersklasse, anderzijds in zijn eigen belang, het gemeenschappelijk

belang en het staatsbelang samengaan. De zorg voor de arbeiders en

hunne kinderen en vrouwen tegenover de anders matelooze uitbuiting

van het kapitalisme; de zorg voor ouden van dagen, voor zieken en

invalieden; de bescherming tegen onheilen uit het kapitalistisch

produktiestelsel voortspruitend, het tegengaan van uitbuiting door

middel van lange arbeidsdagen en de versterking van de arbeiders als

de economisch-zwakken in hunnen strijd tegen de patroons; kortom,

al datgene wat wij gewend zijn in den enkelen term: sociale wetgeving

samen de vatten, dat is gemeenschapszorg. En het kan nu wel zijn, dat

het Kropotkine e.d. verdriet dat daar een staatsluchtje aan is, dat hij

en de zijnen niet goed verdragen kunnen,--moge er nog zooveel aan de

inrichting en de mate van deze zorg ontbreken, fundamenteel beteekent

zij een veel grootere uitbreiding van de contrôle van de gemeenschap

over hare leden. En dat zij in onzen tijd, afgezien van hare meerdere

of mindere volkomenheid,--om welke de sociaal-demokraten zich nog

iets meer bekommeren dan de anarchisten, voor wie de arbeiders,

zoo lang de toekomststaat er nog niet is, zouden kunnen omkomen

van ellende,--juist zich moet bemoeien met de economisch zwakken,

m.a.w. dat een instrument dat het bezit der minderheid in deze

maatschappij is, moet worden dienstbaar gemaakt aan de belangen van

de verdrukte meerderheid, juist dat is een bewijs, dat in onzen tijd

de staat bezig is zich in zijn tegendeel te ontwikkelen.

Volgens Kropotkine, en allen die, "natuurwetenschappelijk" evenals hij,

volgens zekere logische "wetten" redeneeren, wordt de staat door de

veel grootere uitbreiding van zijn bemoeiingsveld sterker. Nu kan

een macht als die van den staat, die zich gedeeltelijk zelfs moet

keeren tegen de leden der klasse in wier bezit zij feitelijk nog

is, daardoor al reeds niet sterker worden. Integendeel wordt juist

daardoor de gesloten positie van de bourgeoisie zeer verzwakt, wat zich

afspiegelt in de steeds sterkere verdeeldheid van de burgerpartijen

tegenover ingrijpende sociale hervormingen.

De scherpziende conservatieven onzer dagen, Mr. Van Houten, Jhr. de

Savornin Lohman bijv. in ons land, gevoelen zeer goed dat een

sterker staatscontrôle, staatsingrijpen en staatsoptreden voor de

arbeiders, den staat in den grond niet sterker maakt. De staatsmacht

der bourgeoisie tegen de leden harer eigen klasse gekeerd, helpt de

macht dier klasse breken, in zooverre als zij, doordien zij steeds

algemeener wordt, als klasse-staat hoe langer hoe meer zichzelf gaat

verzwakken. En dus overwinnen.

Kropotkine, die alles ziet behalve datgene wat een nauwkeurig

opmerker van de beweging onzer maatschappij zien moet; die van

natuurwetenschappelijkheid den mond vol heeft, maar den groei

niet ziet; die den eenen keer met begrippen als "staat in zijn

specifiek-romeinschen vorm" werkt en als het in zijn kraam te pas komt

een volgend maal een anderen staatsvorm bedoelt, kan de ontwikkeling

van den staat in zijn huidigen vorm niet begrijpen.

Voor Kropotkine is de staatsvorm de afspiegeling van den

economischen organisatievorm der maatschappij, iets dat

niet bestaat, dat fiktief is, dat is zijn overdrijving van de

historisch-materialistische opvatting omtrent de beteekenis van den

staat in een burgerlijk-constitutioneel land. Dit komt waarschijnlijk

doordat Kropotkine nog immer de russische absolute staatsvorm voor

oogen zweeft en voorts doordat hij en zijns gelijken in de politieke

beweging van het proletariaat iets aparts zien, dat met de vervorming

van den economischen organisatievorm niet in verband staat.

Waar echter "staat en kapitalisme" gelijk Kropotkine zelf weder

toegeeft, al is het in tegenspraak met wat hij eenige bladzijden

vroeger gezegd heeft, zoo eng zijn samengegroeid, dat men ze niet

van elkander kan scheiden, daar spreekt het toch van zelf dat men

door het ingrijpen in den vorm van den staat ook het kapitalisme

zeer dicht te lijf moet kunnen gaan. Natuurlijk is "het afschaffen

van het kapitalisme" een absurditeit, die alleen in den mond van een

"wetenschappelijk" anarchist past. Als het kapitalisme als zoodanig

niet goeddeels zichzelf zou afschaffen, zou het met onzen wil om het

af te schaffen al heel dunnetjes geschapen staan.

De politieke aktie van het proletariaat drijft, in het algemeen,

den politieken bourgeois-staat--en hierover loopt het, en niet

over allerlei soorten "staat", waarmede Kropotkine gelieft te

werken,--tot zijn eigen zelfontbinding. De burgerklasse in haren

sterken tijd, d.w.z. in den tijd toen het proletariaat nog een hoop

verstrooide arbeiders was en nog niet als politiek zelfstandige

klasse optrad, wist veel beter dan de geleerde anarchisten, waarom

zij een zoo hoog mogelijken census stelde voor de deelname aan de

regeeringsverrichtingen. Het instinkt der massa's leerde daartegenover

al vrij spoedig, dat die census het middel was om het monopolie van

het bezit op politiek gebied te handhaven en dat niet voor niets,--om

een fiktie!--die bezittende klasse dat monopolie zoo lang mogelijk

handhaafde. Als de staat niet meer de representant van een enkele

klasse kan zijn, wordt de staatsvorm een andere, een algemeene, een

demokratische. Eigenaardig is het dat na al het fulmineeren tegen den

staat, Kropotkine zelf gevoelt dat beide veranderingen, die van den

politieken staatsvorm en van de economische organisatie, hand in hand

gaan. De anarchistische communisten zijn aan de eerste inkonsekwentie

niet gestorven, Kropotkine allerminst. "Een nieuwe economische

organisatievorm," zegt hij (p. 73), "moet noodzakelijkerwijze een

nieuwen politieken organisatievorm met zich medebrengen, en moge die

verandering onmiddellijk of geleidelijk langs den weg eener langzame

evolutie plaats vinden, beide veranderingen--op politiek zoowel als

op economisch gebied--moeten met gelijken tred, hand in hand, hunnen

gang gaan."

Dit is, hoewel eenigszins verward, den sociaal-demokraten

nagepraat. Kropotkine evenwel, die op natuurwetenschappelijk gebied

de kleinste verschijnselen niet over 't hoofd zal zien, verliest de

wisselwerking uit het oog van beide veranderingen. Een politieke

verandering, bijv. de uitbreiding van het kiesrecht, kan, onder

bepaalde omstandigheden, voor de economische organisatie van de

maatschappij op den duur van den meest vèrstrekkenden invloed zijn.

En als beide veranderingen, politieke en economische, hand in hand

moeten gaan, dan zou het proletariaat toch wel een historische

dwaasheid begaan door zich te onttrekken aan dat terrein waarop het

veranderingen tot stand kan brengen, n.l. op het politieke, en zich

te beperken tot het economische, waarop het uiteraard, krachtens

zijn eigenaardige positie als loonarbeidersklasse, zoo goed als geen

invloed hebben kan.

"Elke schrede tot economische bevrijding," zegt Kropotkine, "elke

zegepraal over het kapitaal zal ook een schrede op den weg der

politieke bevrijding zijn--een bevrijding der vrije overeenkomst,

in lokaal en bedrijfsopzicht, van het juk van den staat."

Hier stelt Kropotkine de dingen weer anarchistisch op hun kop. Elke

schrede "economische bevrijding" moet noodzakelijkerwijs een grooter

hoeveelheid politieke macht tot voorwaarde hebben. Die economische

bevrijding, welke Kropotkine bedoelt, kan eerst aanvangen als het

proletariaat de staatsmacht in handen heeft. Dan lost de staat zich

geheel op, omdat hij zijn dienst dan gedaan heeft. De noodzakelijkheid

van zijn bestaan ligt in de bescherming en de gewelddadige

verdediging later van klassevoorrechten. Vervallen deze, doordien

het proletariaat als de overwinnende klasse alle klasseprivilegies

zal hebben afgeschaft, dan vervalt ook het doel van den staat in den

burgerlijken zin van het woord; dan treedt, gelijk Friedrich Engels het

in den Anti-Dühring formuleerde: "in de plaats van een regeering over

personen het beheer van zaken en de leiding van produktie-processen".

Het Anarchisme in de Arbeidersbeweging · 第 14 / 50 题