"Onze hoop op verlossing is niet op een religieus ideaal, maar
op een massieven, materieelen grondsteen gebouwd."
(Josef Dietzgen, "Het evangelie der sociaal-demokratie.")
In den algemeenen anarchistischen gedachtengang behoort, meer zelfs
dan enkele personen, die in 't voorbijgaan over het anarchisme hebben
gerept, maar tot de conceptie der gedachte geen bouwsteenen geleverd
hebben, Leo Tolstoï thuis. Vooral omdat deze christen, die naar
"de ware leer van Jezus" het leven wenschte hervormd te zien, een
element tot uitdrukking heeft doen komen, dat daarin wel verborgen
lag, maar vóór hem niet zoo sterk aan het daglicht kon komen,--wij
meenen hier het specifiek-christelijke element.
Tolstoï is zelf geen agressieve figuur als anarchist, zijn anarchisme
is er meer een van passiviteit dan van aktiviteit, maar ook hierom
is het voor de arbeidersbeweging niet onschadelijk. Het is de
uitdrukking van den stilstand, die het gevolg is van het ontbreken
der faktoren om de beweging hetzij in gang te kunnen zetten, hetzij
bewust verder te brengen, in ieder geval dus de uitdrukking van
machteloosheid. Terugwerkend op een deel van de beweging dat, alhoewel
niet sterk, toch iets kan beginnen te doen, is het bepaald een remmende
kracht, ook al wijl het, gelijk het anarchisme over het algemeen,
op den subjectieven wil en de persoonlijke aktie van den individu
den meest overdreven nadruk en het meest onlogisch gewicht legt.
Tolstoï's leer bevat de tendenz der cultuurmoeheid, reeds te voren
aangewezen bij de anarchisten, een zekere oververzadiging, sterker
nog in zich dan de andere. En dat zij bij het christendom aanknoopt,
in den meest direkten zin een voortzetting wil zijn van die essence
van de christelijke leer die in de Bergrede tot uiting komt, is wel
het sterkste bewijs daarvoor.
Tolstoï gaat inderdaad nergens in zijn leer van de maatschappij en hare
behoeften uit, maar overal van "de behoefte aan geen behoeften." Dat
beheerscht zijn gansche sociale levens- en wereldbeschouwing, dat
is het uitgangspunt van zijn kritiek op de huidige maatschappij. De
oververzadiging zijner klasse, tenminste van een deel daarvan, die geen
behagen meer heeft in het tot dusver geleide leven, die is het welke
Tolstoï in den grond eigenlijk overbrengt op de gansche maatschappij,
die hij een onthouding van behoeften predikt, omdat zij voor de breede
massa zelfs de allerprimitiefste mogelijkheid om in hare behoeften
redelijk te voorzien, niet geven kan.
In het algemeen zit in het anarchisme een zekere nawerking van den
christelijken geest, die het met de praktijk van het leven nooit
bizonder heeft kunnen vinden. De afkeer om de theorie in het leven te
laten doorwerken, zooals wij die bij de anarchisten waarnemen; de angst
voor uitbreiding en machtsinvloed; de voorliefde voor sektairisme,
zij zijn nog in zeker opzicht aan den christelijken geest, waarin de
menschen door de theologie eeuwenlang zijn opgevoed, te danken.
Daar komt nog de askese bij, d.w.z. het zich terugtrekken zonder veel
behoeften, liefst met in het geheel geen behoeften; deze is in ieder
geval gebouwd op de individueele beschouwing, dat het doen en laten
van den mensch de physionomie eener gegeven maatschappij zou bepalen.
De individueele liefde tot den naaste, die slechts de liefde om de
liefde zelf tot uitgangspunt nam, is ook de basis van Tolstoï's leer,
zooals het die van de christelijke ethiek was. Die liefde is evenwel
geen menschenliefde, niet het begrip van de algemeen-menschelijke
solidariteit, maar zij is liefde voor zichzelf, en eerst dáárdoor
wordt zij algemeene menschenliefde. Zoowel in deze christelijke liefde,
als in de askese, ligt het egoïsme op den bodem.
Niet minder dan deze eigenaardigheden van Tolstoï's leer, die aan de
specifiek christelijke traditie herinneren, is de eigenschap er van om
elken vorm van staatsmacht te ontgaan, aan elken dwang een passieven
weerstand te bieden, in overeenstemming met den christelijken geest,
zooals die onder de eerste christenen, die broederlijk in gemeenten
samenleefden, de heerschende was. Deze tendenz was zoo sterk,
dat zij in de eerste eeuw de vorming eener regeering, zelfs in de
christelijke gemeenten zelve, verhinderde. En bizonder heftig uitte
zij zich natuurlijk tegen den staat. Hierop duidt reeds de vermaning
der Apostelen, twistpunten onder christenen niet voor het gerecht van
de overheid te brengen, zooals over het algemeen de gansche, zich van
den staat verre houdende levenswijze der eerste christengemeenten,
gelijk de Apostelgeschiedenis ze schildert, dikwijls nog terugkeert
in de geschiedenis van de dweeperssekten.
Deze asketisch-anarchistische en anti-autoritaire tendenzen in het
christendom komen later, o.m. bij de "doopersche" sekten, sterk weder
naar voren, en vooral zijn zij sterk bij eene onder deze, de sekte
van de "wederdoopers."
In de geschriften van de kerkvaders wordt in den grond der zaak
de zedelijke waarde van den staat even sterk aangetast, als men
dat bij de huidige anarchisten vinden kan. Zij noemen den staat een
werktuig van de zonde, van de zelfverheffing, van het geweld, van de
macht des duivels, wat, in gewone redeneering overgezet, zeggen wil:
een middel tot uitbuiting en tot uitoefening van het recht van den
sterkste. Geheel op deze idee berustte ook het boek van Augustinus:
"De civitate Dei" ("Over den staat Gods"), dat geheel dien geest van
christelijk-ethisch anarchisme ademt.
Van de wet der liefde leidt de leer van Christus volgens Tolstoï
het gebod af om het kwaad niet met geweld te weerstaan. "Wedersta
den booze niet, beteekent: weersta nooit aan het booze, dat wil
zeggen: doe nooit een ander geweld aan, dat wil zeggen: bega nooit
een handeling, die tegen de liefde indruischt," zegt Tolstoï in
"Waarin bestaat mijn geloof?" (pag. 17). In het booze is natuurlijk
de staat ook inbegrepen. Maar, zegt Tolstoï, dit moet niet worden
opgevat als verbood het "elken strijd tegen het kwaad", alleen "de
gewelddadige strijd tegen het kwaad" is het die volgens Tolstoï niet
mag worden gevoerd. "Wie het zwaard neemt, die zal door het zwaard
vergaan," dit voorschrift zegt niet, volgens Tolstoï, dat slechts een
gedeelte der menschen verplicht is "zonder strijd zich te schikken
in hetgeen hun door een bepaalde overheid wordt voorgeschreven,"
maar het verbiedt iedereen, dus ook dengenen die de macht bezitten,
en dezen zelfs in 't bizonder, in welk geval ook tegen, iemand geweld
te gebruiken. ("Het koninkrijk gods" enz., pag. 268-269.)
Men ziet dat Tolstoï er een eigene uitlegkunde op na houdt, weshalve
hij dan ook bij de conceptie van zijn eigenlijke leer meer theoloog
dan hervormer is.
Dat Tolstoï's beschouwing overigens zuiver individueel is, blijkt
bijv. reeds hieruit dat hij zelf zegt: "Ik kan evenmin de algemeene
noodzakelijkheid als de algemeene schadelijkheid van den staat
bewijzen." "Ik weet slechts dat eenerzijds de staat niet meer
noodig is voor mij en dat ik anderzijds niet meer doen kan hetgeen
noodzakelijk is voor het bestaan van den staat." ("Het koninkrijk"
enz., p. 335-336.)
Volgens Tolstoï is de staat de belichaming van het slechte en bederft
het bezit van macht de menschen. "De menschen, die de macht bezitten,
kunnen niet anders dan haar misbruiken, ze moeten beslist door
een zoo vreeselijk geweld worden in de war gebracht", zegt hij in
"Christendom en Vaderlandsliefde" (pag. 71).
Meerdere aanhalingen zullen wel overbodig zijn, om aan te toonen dat
Tolstoï de zuiver-christelijke ethiek tot in het overdrevene toe tot
richtsnoer zijner leer neemt. En zooals hij over den staat, over de
macht tot regeeren etc. oordeelt, zoo over het leger, de justitie enz.;
zij zijn alle instrumenten eener zelfde macht, de macht van het Booze,
die hoe eerder hoe beter moet worden afgezworen. Desgelijks oordeelt
Tolstoï over den persoonlijken eigendom, over het geld enz.
Zooals Tolstoï het "kwaad" in den persoon ziet, zoekt hij ook
konsekwent de verbetering in den persoon. Op welke wijze, zagen
wij reeds: de propaganda voor en de doorwerking van de liefde, die
natuurlijk zijn uitgangspunt in de bekeering van een ieder moet vinden.
Tot zoover hier genoeg over de leer van Tolstoï zelven, die
voor het overige zich geheel en al dekt met de beschouwingen van
niet-christelijke anarchisten.
Tolstoï als sociaal-philosoof, denker en hervormer uit zijn milieu te
verklaren waarin hij leeft en werkt, is hier niet op zijn plaats. In
zooverre als zijn denkbeelden, overgeplant naar andere landen,
inwerken op de algemeene arbeidersbeweging, in zooverre dus als zij
zich meester maken van groepen arbeiders, was het noodig, Tolstoï's
leer hier, zij het slechts kortelings, aan te stippen. Zij is een
completeering slechts van de anarchistische denkwijze, en zij tiert
bepaaldelijk in streken waar de arbeidersbeweging te zwak is om zich
te kunnen ontwikkelen.
Het anarchisme is de onder phrases en machtspreuken verhulde
zwakte. Waar de beweging geen genoegzame elementen vindt om zich
te ontwikkelen, hetzij omdat haar de materieele krachten ontbreken,
hetzij de intellectueele, hetzij beiden tezamen, daar ontstaat als
uitdrukking van die machteloosheid het gevoel van ontkenning, van
negatie van elk positief werken, dat op anarchisme uitloopt.
Zoo is het Tolstoïsme, dat den dienst aan den staat weigert om
daardoor het militairisme te bekampen, dat de belastingen weigert om
den staat geen verdere middelen te verschaffen, dat kortom zijn eenige
steunpunt in de persoon zoekt, de tegenhanger van een ander soort
anarchisme, dat eveneens allen nadruk legt op de persoonlijke daad,
op het aktieve ingrijpen van den individu: het anarchisme van de daad.
Het een als het ander is voor de beweging van het proletariaat van
groote schade, omdat het tegen den loop der beweging principieel
ingaat.