"So ist denn Alles, was Ihr... Zerstörung... nennt,
Mein eigentliches Element!"
(Mephistopheles, Faust I.)
Toen de "Internationale" van 1864 gesticht was, traden tot haar
allerlei elementen toe, die dit door de arbeiders zelven geschapen
terrein gunstig voor zich achtten om er hunne eigen, persoonlijke
denkbeelden te propageeren en het voor hunne bijzondere bedoelingen
te exploiteeren.
Het is van genoegzame bekendheid dat de "Internationale" niet
als een sociaal-demokratische, maar allereerst als een algemeene
arbeidersbeweging bedoeld was, een terrein waar arbeiders van
uiteenloopende richting, mits op den algemeenen bodem van den
klassenstrijd staande, konden samenstrijden. Het is een niet minder
bekend feit, dat Karl Marx zelf, die door zijn groote geestesgaven,
maar niet minder door zijn enorme kennis van landen en nationale
eigenaardigheden, in zulk een beweging wel het overwicht moest
krijgen, desondanks geenszins de sociaal-demokratie in haar naar
den voorgrond bracht. Marx wist en begreep veel te goed, dat de
taak der "Internationale" was: leven te wekken onder de arbeiders
van vele landen, hen aan te zetten tot het eerste wat noodig was,
tot organisatie.
Maar het spreekt van zelf, dat een beweging als de "Internationale"
van 1864, die spoedig een wereldbeweging werd, ras personen tot zich
trok, die haar wenschten dienstbaar te maken aan eigen inzichten en
ook tal van onklare, verwarde elementen in zich moest opnemen, die
eerder tot hare ontbinding dan tot hare versterking konden medewerken.
De uitdrukking van het laatste element is gedurende eenige jaren
Michaël Bakoenine geweest. En het is niet om zijn persoon, maar om de
rol die hij enkele jaren achtereen in de zich nauwelijks ontwikkelende,
jonge internationale arbeidersbeweging vervuld heeft, dat wij hem
karakteriseeren kunnen als de vertegenwoordiger van het vernielend
element daarin te zijn geweest.
Bakoenine was een Rus, die uit zijn land verbannen, gelijk zoovelen
zijner landgenooten, daar een hevigen strijd had moeten voeren tegen
het absolutisme. De russische toestanden en verhoudingen van vóór het
midden der 19e eeuw te schetsen is hier niet doenlijk, maar men zou
zich eerst een goed denkbeeld daarvan moeten vormen, om het sociaal
en politiek milieu te kennen waaruit een figuur als die van Bakoenine
is voortgekomen.
Het spreekt van zelf, dat iemand die geboren en getogen is in een
land als Rusland, het Rusland van voor een driekwart eeuw terug;
toen daar nog de lijfeigenschap in vollen bloei was; toen daar nog
de paleis-revoluties heerschten en zoo goed als het gansche volk,
op een handvol intellectueelen na, neerlag in volle demoralisatie,
in doodslaap, en de gansche toestand politiek en economisch volkomen
aziatisch was,--dat zoo iemand, in het west-europeesch milieu
verplaatst, vreemd moest zijn aan het eigenlijk karakter van die
omgeving.
De europeesche arbeidersbeweging, vooral de internationale,
moest dit russische element al dadelijk in zich opnemen, omdat zij
natuurlijkerwijs alle oppositioneele elementen tot zich trok. Maar
zij heeft daar, over het algemeen genomen, niet veel genoegen van
gehad. En het feit, dat in dien tijd toen alles zoo geheel onklaar,
zoo geheel verward was, doel en middelen slechts weinigen duidelijk
voor oogen stonden, voornamelijk het russische element voor een
overwegend deel niet opbouwend maar afbrekend werkte, is daaruit te
verklaren, dat dit in den west-europeeschen strijd van zelf moest
overbrengen een deel van zijn eigen opvattingen omtrent strijdwijze,
methode en inzichten in de economische en politieke verhoudingen,
gelijk die zich aan hen opgedrongen hadden in en door den strijd
in het eigen land. In Rusland--en hier is nog steeds sprake van het
Rusland van toenmaals--was geen sprake van een strijdwijze die begon
met den opbouw van een klasse die door hare doel-bewuste organisatie
de wig moest worden, die eenmaal in het organisme van de burgerlijke
samenleving gedrongen, daarin de politieke ontbinding zou bespoedigen,
welke de economische zelf-ontbinding en zelf-ontwrichting van het
kapitalistische produktiesysteem, als het ware ondergronds, bezig
waren te volvoeren.
In Rusland moest verstoord, vernield en afgebroken worden; daar--en bij
de toenmalige afwezigheid van een moderne kapitalistische ontwikkeling
was dit zeker zoo--moesten door het geheel afbreken van het bestaande
(zoo geleek het althans) de voorwaarden voor een moderne ontwikkeling
in economisch en politiek opzicht worden geschapen.
Een figuur als die van Michaël Bakoenine was te zeer een specifiek
russische, gedreven door de felle haat tegen de toestanden en
verhoudingen in het land zijner geboorte en zijner jeugd, om
niet de volle maat daarvan over te brengen op de west-europeesche
verhoudingen waarin hij zich daarna is gaan bewegen. Het vernielen
was bij hem de karaktertrek van zijn agitatie en propaganda geworden;
niet het vernielen nu juist in materiëelen zin, maar het vernielen
als philosophisch grondprinciep, de absolute beschouwing dat het
sociaal-nieuwe er niet kon komen zonder dat het sociaal-oude tot den
grond toe afgebroken was.
Die zucht naar het absolute was Bakoenine, gelijk reeds hiervoren
is opgemerkt een scholier van Hegel, door middel van het absolute
idealisme der Hegelsche school in het philosophisch bloed gevaren,
zooals het bij Stirner tot de absolute persoonlijkheid en bij Proudhon
tot de absolute noodzakelijkheid van den persoonlijken eigendom
geleid heeft. Eerst moest alles afgebroken wezen: privaat-bezit,
eigendom, staat, familie, godsdienst enz. en dàn eerst zou op de
puinhoopen van dat alles de nieuwe toestand van zelf verrijzen. Deze
mechanische wereldbeschouwing ziet in elke historische periode van
de samenleving louter in zichzelf afgesloten en absolute, krachtens
zijn eigen idee zich verwerkelijkende phasen, die evenzoo los van
de aan haar voorafgaande zijn, als de menschen aan de werkingen dier
idee geheel onderworpen, de menschen die niet anders dan de levende
werktuigen zijn, welke die idee tot hare verwezenlijking gebruikt.
Dat elke maatschappij haar eigen wetten van produktie en verdeeling
en diensvolgens ook van politieke en juridische constellatie kent,
leert ook de historisch-materialistische geschiedenis-opvatting. Maar
zij leert niet minder dat die phasen in de geschiedenis niet absoluut
zijn, zij leert dat er een zekere organische ontwikkeling is, dat
produktievormen zich uit elkander ontwikkelen, historisch in elkander
overgaan en dat juist de door allerlei immanente faktoren veroorzaakte
ontwikkeling van den voorafgaanden produktievorm, de voorwaarde wordt
voor het ontstaan van den opkomenden produktievorm. Deze beschouwing
is dus ook revolutionair, zoo goed als die welke de vernieling alleen
tot haar uitgangspunt maakt, maar zij is het in den eenig-wezenlijken
en niet-utopischen zin van het woord. Zij vat steeds de beide kanten
van de werkelijkheid in het oog, het afbreken door opbouwen. Zij is,
gelijk men het philosophisch noemt: de dialektische beschouwing.
Zoo had de beschouwing van Bakoenine, die zich reeds uitte in
een zinsnede van een artikel dat hij lang voor zijn werkzaamheid
als "revolutionair" al-vernieler onder den naam van Jules Elizard
schreef, getiteld "Die Reaktion in Deutschland" en in 1842 opgenomen
in de Deutsche Jahrbücher van Ruge,--de zin luidde: "de lust tot
verstoring is een scheppende lust,"--niets dan het sophistische,
het valsch-philosophische uitgangspunt, dat uit niets iets geboren
kan worden. In dat opzicht was hij, die Stirner gekend heeft en zijn
boek weder aan de vergetelheid had ontrukt, diens zielsverwant.
Bakoenine had evenwel in de "Internationale" niet die rol vervullen
kunnen, die hij vervuld heeft, als daar niet een belangrijk
element te vinden ware geweest waarop hij steunen kon. En dat vond
hij in het romaansche element, namelijk in die organisaties welke
grootendeels door landen als Italië en Spanje werden geleverd. Landen
die nog geenszins door de moderne kapitalistische ontwikkeling waren
aangeroerd, maar waarin tal van revolutionaire krachten leefden, die
door de verschillende, hier reeds vroeger opgesomde, achterlijke
omstandigheden en verhoudingen van economischen, politieken,
religieuzen aard werden gevoed. Dezen vatten de "Internationale"
niet anders op dan als een geschikte gelegenheid om alles in Europa
onderste boven te gooien, omdat zij alleen in een omkeering van alle
verhoudingen in Europa en niet in de evolutie van de toestanden in
hun eigen land, het middel zagen om aan de ellenden van hun eigen
nationale achterlijkheid en algemeene verstomping te ontkomen.
Bakoenine heeft voor zijn agitatie en propaganda in de eerste
internationale arbeidersbeweging die elementen handig voor zijn
doeleinden weten te exploiteeren: hij zette het romaansche tegen het
germaansche element op. Hij wist de toentertijd nog scherp in het oog
vallende verschillen tusschen den germaanschen geest van organisatie
en geleidelijken groei en den romaanschen geest, waarbij alles op de
spontaneïteit van de daad en het oogenblikkelijk initiatief berustte,
persoonlijk aan te blazen. De strijd die tusschen Marx en hem om de
leiding in de "Internationale" uitbrak, drie jaren geduurd heeft en in
1872 op het Congres van den Haag met zijn nederlaag, maar tevens ook
met de feitelijke verdwijning van de "Internationale" zelve eindigde,
was door Marx volstrekt niet gewild. Marx moest ten slotte wel de
"Internationale" verdedigen tegen de vernielende pogingen van een
philosophischen sophist en een agitatorisch-politieken woesteling
als Bakoenine bleek te zijn, wilde hij haar niet prijs geven aan de
proefnemingen van den man die in zijn politiek programma van die dagen
zeide: "Wij vatten de revolutie op in den zin van de ontketening van
al datgene, wat men tegenwoordig de booze hartstochten noemt."
Bakoenine was eigenlijk ook geen anarchistisch theoreticus, evenmin als
de voorafgaanden; een systeem is in zijn werk moeielijk te ontdekken,
hij was de gelegenheidsopposant, die in tijdschriftartikelen,
manifesten etc. zijn gedachten uitte. Het eenige geschrift van hem
waarin min of meer eenheid te bespeuren valt, is het kleine boekje
over "God en de staat", dat wezenlijk door niets uitmunt, noch door
oorspronkelijkheid van gedachte, noch door diepte van inzicht, noch
door eenig historisch begrip van de stof zelve. Bakoenine heeft
een tijd lang zichzelven een scholier van Marx genoemd en door
hem is het "Communistisch Manifest" in het russisch vertaald. In
"God en de staat" zegt Bakoenine o.m.: "Ja, de geheele geestelijke
en zedekundige, staatkundige en maatschappelijke geschiedenis
der menschheid is een spiegelbeeld van hare staathuishoudkundige
geschiedenis," waaruit blijkt, dat hij onder den invloed van het
historisch-materialisme stond. Wie evenwel het geschrift met het
noodige critische onderscheidingsvermogen weet te lezen, hetgeen
bij de lectuur van de anarchistische schrijvers meer dan ergens
broodnoodig is, bespeurt dadelijk hoe dun er dat op zit: de godsdienst
en de staat beiden worden er tot de uitgangspunten eener woedende
oppositie gemaakt, waardoor Bakoenine zich terstond als de ideoloog
bij uitnemendheid ontpopt, ofschoon hij tegen ideologieën als geloof
en gezag op geweldige wijze te velde trekt.
Bakoenine was de eerste anarchistische agitator in den zoogenaamd
grooten stijl. Zijn woelen in de arbeidersbeweging ging van tweeërlei
standpunt uit: het ondergraven van èlk gezag, hoe ook genaamd,
en het proklameeren van de absolute persoonlijke vrijheid en de
absolute negatie van den staat. Dit bracht natuurlijk met zich mede
het voortdurend aansporen tot den ononderbroken opstand tegen het
bestaande, niet in den organisatorischen, maar in den omverwerpenden
zin; voorts bracht het de verwerping van elke politieke aktie met
zich. Bakoenine was daarmede de eerste theoreticus geworden van het
anarchisme, dat de arbeidersbeweging in haar geheel zoo veel en zoo
groote schade gedaan heeft, de theoreticus van de destructie, van het
omverwerpen als stelsel, om de omverwerping zelve. Zoodat eenmaal
terecht van Bakoenine gezegd werd: "hij zou zijn eigen stelsel,
ingeval het zegevieren kon, zelf het eerst omverwerpen!"
Noch het bloote verzet tegen den staat, zonder meer, het aanzetten
om hem zoogenaamd te verstoren, noch het donderen tegen God en het
Godsgeloof, abstract gedreven als het door Bakoenine geschiedde,
doen beide "fundamenten" van de burgerlijke maatschappij beduidend
wankelen. Elk verzet tegen beide moet een inhoud hebben, anders is het
een leege santekraam van phrasen, waaraan men zich bij gelegenheid wel
bedrinken kan, maar die de grondvesten van de burgerlijke samenleving
onaangetast laten.
Als ik tegen den godsdienst ageer, dan ageer ik tegen een ideaal
dat historische brieven bezit, omdat het de menschheid eeuwenlang
een opheffing en een troost was; en eerst van het oogenblik dat de
godsdienst het middel eener klasse werd, die hem ging gebruiken
tot onderdrukking eener andere klasse, is hij een ongeluk voor
den vooruitgang geworden. Ik moet dus dit ideaal zeer wezenlijk
weten te vervangen en vooral hen, die de meeste behoeften daaraan
hebben: de groote massa, die zich niet door dichtkunst of wetenschap
aesthetisch kan opheffen, daarmee weten te doordringen. Ik moet dus
allereerst hun blikken van de hoop op het hiernamaals afwenden naar
het werkelijk-aardsche en de hoop die zij koesteren op verlossing
uit hun lijden in een onzienlijke wereld, leiden naar de werkelijke
verlossing in de praktische wereld. Voor het schijn-idealisme moet
ik het werkelijk idealisme in de plaats stellen. Ik bereik daar
echter niets van als ik, den godsdienst opvattende als een spook,
gelijk Bakoenine, tegen spoken vecht, en al onttroon ik dan God,
gelijk Bakoenine dat eenige malen op een bladzij doet, dan zal deze
niet zeer in zijn autoriteit daardoor geschaad worden.
Niet veel anders staat het met de agitatie tegen den burgerlijken
staat. Bakoenine was als leerling van Hegel te zeer gehecht geraakt
aan absolute formules om de historische wording en de ontwikkeling
van den burgerlijken staat te kunnen onderscheiden. Voor Hegel zelf
was die staat trouwens het eindpunt van idealistische ontwikkeling in
politiek-socialen zin. En het was begrijpelijk dat de staat, aldus
abstrakt opgevat, gelijk de scholieren van Hegel alles plachten
te abstraheeren van zijn eigenlijken, werkelijken voedingsbodem,
voor Bakoenine een even groot spook werd als God en het Godsgeloof
dat waren.
Zooals Bakoenine in het leven elk gezag dat hem "opgedrongen"
werd, zeide te verwerpen, de wetenschap alleen dan erkende
wanneer zij zichzelve maar voortdurend bleef negeeren, kwam hij
er als anarchist toe, evenals een gansche burgerlijke generatie van
staathuishoudkundigen, staatslieden en filosofen dat gedaan hadden--en
dat konsekwenter dan hij--elk ingrijpen van den staat in de sociale
verhoudingen absoluut en ten eenenmale te veroordeelen en te verdoemen.
Men heeft reeds gezien waaruit de burgerlijke oppositie tegen den staat
eigenlijk voorkwam. Bij anarchisten als Bakoenine worden deze motieven
karikaturaal overdreven en, als zij aldus de arbeidersbeweging
binnengebracht worden, vinden zij daar nog genoegzame resten
van de burgerlijke beschouwingen, die nog onder het proletariaat
heerschende zijn, om, vermengd met allerlei gevoelens van zwakheid
en van eigen geestelijke onmacht, tot een arbeiderseditie te worden
van de burgerlijke, z.g.n. oud-liberale "manchester-politiek."
Men ontbindt den staat niet door er holle redevoeringen tegen te
houden en hem in den politieken ban te doen. De staat bemoeit zich
met ons leven, met ons doen en laten op ieder gebied. De staat,
abstrakt genomen, is een leeg begrip, het is een juridische fiktie,
niets anders. Wat er wezenlijk aan is, dat is de staatsmacht van de
heerschende klasse, die in parlementair geregeerde landen schijnbaar
de uitdrukking van den volkswil is, maar inderdaad door middel
van de grondwet, het parlement, het kiesrecht, de bureaukratie,
de justitie, het strafrecht en burgerlijk recht, het leger en de
instandhouding van de bestaande orde, den wil van de bezittende klasse
aan de niet-bezittende met geweld opdringt. En dat te drukkender,
naarmate de sociale verhoudingen een gansch anderen vorm van
maatschappij-inrichting reeds lang en dringend hebben aangetoond.
Wie dus den burgerlijken staat vernietigen wil, die moet hem eerst
zien te veroveren. Wie gelijk Bakoenine in den staat een zuivere
afspiegeling ziet van de economische verhoudingen, voor dien zal
het genoeg wezen hem eerst economisch te revolutioneeren, d.w.z. de
eigendomsvormen waarop hij berust eerst weg te vegen en die heeft,
aldus redeneerende, gemakkelijk zeggen, dat elke deelname aan politieke
aktie, "hetzij met of zonder algemeen kiesrecht", verwerpelijk en
uit den booze is.
Evenwel, de zaak ligt toch eenigszins anders dan Bakoenine met zijn
sofismen en zijn gebrekkig historisch inzicht het heeft doen voorkomen,
en alle anarchisten, tot op den geleerden Kropotkine toe, het zich
maar voortdurend blijven verbeelden. De staatsmacht van de bezittende
klasse is een economische macht, die gansch niet in de lucht hangt,
die zeer wezenlijk is en op de hierboven aangegeven faktoren berust,
die tevens de elementen van haren inhoud vormen. En nu heeft in het
ontwikkelingsproces der ontwrichting van de burgerlijk-kapitalistische
samenleving de arbeidersdemokratie, d.i. de sociaal-demokratie, eene
zeer belangrijke, historische, dus onafwijsbare taak, n.l. die macht
aan de bezittende klasse te ontwringen om haren inhoud te veranderen
overeenkomstig de nieuw-geworden behoeften van de zich inmiddels
wijzigende produktiewijze.
Bovendien, ook hierop is reeds gewezen, op een gegeven moment
in het bestaan van den burgerlijken staat is deze zich reeds gaan
bemoeien, moest zich gaan bemoeien met de economische verhoudingen der
burgers. Doch onder het absolutisme, waaronder de bourgeoisie vóór het
tijdstip harer onbeperkte macht evenzeer als het proletariaat leed,
was dit haar niet zoo merkbaar. Toen zij zelve evenwel de macht in den
staat kreeg, was--ondanks hare theorie dat de staat een "contract"
is, een vrije overeenkomst tusschen burgers van hetzelfde land,
en uit het verlaten van "den natuurlijken toestand" voortkwam,
gelijk bij de christenen uit den zondeval van het menschelijk
geslacht--haar eigen staat van het zich bemoeien met economische
verhoudingen evenmin af te houden. En dat juist te meer naarmate
door hare, door niets meer gebreidelde, volle ontplooiing van de
maatschappelijke concurrentiekrachten, er een toestand van sociale
anarchie geschapen werd, die juist in het belang van een instandhouding
der burgerlijk-kapitalistische samenleving zelve, voornamelijk wel
in het belang van de voorwaarde van haar bestaan, een produktieve
arbeidersklasse, een bemoeiend, d.w.z. een regelend optreden van
den kant van den staat noodzakelijk maakte. Hierdoor werd dus aan
de arbeidersklasse als van zelf het zich op hare beurt bemoeien met
de wijze waarop men zich met haar meest direkte levensbelangen,
de gezondheid en het voortbestaan van hare kinderen, vrouwen en
mannen bemoeide, historisch en categorisch opgedrongen. Als men zich
toch met onze gezondheid, ons leven, de verhoudingen waaronder wij
arbeiden, wonen, eten en voortplanten moeten, etc. gaat bezighouden,
welke gegronde reden kan er dan zijn, om dit te laten doen buiten
ons om en buiten onze medewerking. Liefst zouden wij het zelf doen;
maar omdat wij dat nu niet kunnen, zou het daarom beter zijn het maar
geheel aan anderen over te laten?
De kwestie is inderdaad van een bizondere eenvoudigheid, doch in den
ideologischen kop van een Hegeliaan als Bakoenine weerspiegelden zich
de staat en de wetgeving als twee abstrakte en van de economische en
politieke werkelijkheid afgezonderde begrippen, een fata morgana,
die de menschen zichzelven schiepen. De theorie dat de staat
altijd aan die klassen ten goede moet komen, welker werktuig hij
vroeger eenmaal geweest is, dat de wetgeving altijd slechts voor
de uitbuitende minderheid tegenover de belangen van de overgroote
meerderheid der "geknechten" van nut kan wezen, gelijk het bij
Bakoenine in de verhandeling over den staat heet, valt dan ook geheel
ineen als men niet, gelijk Bakoenine en met hem zijn volgers, aan de
idee vasthoudt dat, hoe de maatschappij ook moge zijn samengesteld,
hare natuurwetten toch altijd dezelfde zijn en met dezelfde absolute
macht heerschen. Daardoor komt men dan van zelf tot de inbeelding,
dat de mensch zich van die op hem drukkende idee, welke hem in zijn
vrije doen en laten, in zijn "persoonlijke vrijheid" belemmert, te
ontdoen heeft, zich van de idée staat, of van het "étatisme", gelijk
Bakoenine zich eenmaal heel leelijk uitdrukte, heeft te emancipeeren om
een waarlijk vrij mensch te worden. Deze opvatting is trouwens niets
dan de burgerlijke, maar met een kronkelgangetje er in, dat dienen
moet om den argeloozen den indruk van een geweldig radikalisme te
geven. Wie den staat de macht toekent om met zijn wetten als orgaan
der minderheid een overgroote meerderheid te onderdrukken, maakt zich
aan de meest belachelijke sophisterij schuldig als hij in denzelfden
adem die meerderheid bezweert of haar verdoemt, als zij hare handen
naar dit erkende machtsmiddel wil uitstrekken.
Vraagt men Bakoenine naar de verwerkelijking van zijn idee van
communisme, dan heeft hij een zeer gemakkelijk antwoord daarop. "Door
de macht der omstandigheden," zegt hij ergens in zijn "Program de
la section slave à Zürich," "zal de onbegrensde privaat-eigendom
verdwijnen."
Gemakkelijker kan het niet, en, het is wel eigenaardig, Bakoenine
staat hiermede nog verre beneden de vooruitstrevende burgerlijke
staathuishoudkundigen, die de verdwijning van dien onbegrensden
privaat-eigendom niet van de omstandigheden, maar van een ingrijpen
van de organen der gemeenschap: staat, gemeente etc. willen laten
afhangen. Dat is tenminste een verwachting die te realiseeren is, maar
Bakoenine doet als de aarts-conservatieven, die ook alle hervormingen
maar liever van een verandering der "omstandigheden" dan van een
werkelijk ingrijpen van den staat etc. zouden doen afhangen.
Na de vernietiging van den staat, die dan plaats moet hebben zonder de
staatsmacht te veroveren, maar gelijk Bakoenine het zich voorstelt,
"door het veroorzaken van het staatsbankroet, het ophouden met
het betalen van belastingen, de ontbinding van het leger, van
de gerechtshoven, van de bureaukratie, de politie en de kerk,
de afschaffing der officieele justitie, het verbranden van alle
eigendoms... papieren" (Bakoenine is niet zóó gewelddadig als hij er
uitziet!)" akten van erfenis, van verkoop, van schenking en van alle
processen, van alle juridische en civiele paperassen" (Bakoenine had in
zijn leven misschien nog al het land aan archieven e.d. gekregen!), na
heel deze vernietiging van ouden papierenrommel dus, moest er toch iets
gebeuren! Welnu, zegt Bakoenine, na al dat bloedigs en branderigs zal
de "natuurlijke solidariteit" de nieuwe toestanden in het leven roepen.
Dit is óók een deun, die alle op Bakoenine volgende anarchisten,
voornamelijk de communistische anarchisten, hem tot op den huidigen
dag nabauwen, zelfs de geleerde Kropotkine. Trap eerst maar den heelen
boel in mekaar, en dan zult ge zien, dan knapt het volk alles zelf wel
op; het "solidariteitsgevoel van de massa" is ons de vaste waarborg,
dat het zelf dan de nieuwe, nota bene communistische samenleving--als
Jupiter, die kant en klaar ontsproten is aan het Minerva-hoofd--even
kant en klaar zal weten in het leven te roepen. Behalve nu dat
het een ontzettende dwaasheid is hier alweer uit het vernietigde,
d.w.z. uit niets, iets te willen doen voortkomen, berust deze meening
op een enorme overschatting van het solidariteitsgevoel, waaraan
trouwens de anarchisten in 't algemeen ziekelijk laboreeren, en op
den utopischen waan dat het solidariteitsgevoel van zelf ontstaat en
niet onder den druk van bepaalde omstandigheden en verhoudingen. Dat
dit solidariteitsgevoel, hetwelk inderdaad in zekeren zin de basis
van een andere en beter ingerichte samenleving belooft te zullen
worden, evenwel op zichzelf een inhoud moet hebben, solied genoeg om
er een gansche nieuwe, op gemeenschappelijke produktie en consumptie
berustende samenleving op te kunnen grondvesten, spreekt van zelf. Maar
voor Bakoenine en de anarchisten na hem hoeft dat niet. Dezen
stampen op het moment dat alles als een puinhoop in elkander ligt,
deze "natuurlijke solidariteit" uit den bodem. Zij overtroeven met
dit utopisme nog verreweg dat van de oude socialistische utopisten,
die tenminste begrepen dat een beter ingerichte samenleving uit
economische noodzakelijkheid moest geboren worden.
Is het naïveteit of fantazie, onbewustheid of volksbedrog? Men weet het
niet. Maar hoe ook, één ding is zeker: dat een maatschappij-inrichting
waarin persoonlijk belang en algemeen belang te zamen vallen, en zoo te
zamen vallen dat haar voortbestaan verzekerd is, niet maar op papier
is te formeeren, noch den dag nà de revolutie, par ordre de mufti,
te decreteeren is. Zij moet organisch groeien. En de mogelijkheid tot
dien organischen groei is het juist die de anarchisten, met Bakoenine
aan de spits, verworpen hebben en nog verwerpen: de klassebewuste
organisatie met demokratische zelf-discipline, die de ondergeschiktheid
van het deel onder het geheel, de zelfverloochening van den persoon
onder de gemeenschap, tot allereerste voorwaarde heeft.
Zoo absoluut nietszeggend Bakoenine is waar het er op aankomt zich
uit te spreken over den weg die gevolgd moet worden om de nieuwe
maatschappij te bereiken, zoo burgerlijk-ideologisch is hij in alles
wat den aard der door hem gefantazeerde nieuwe samenleving aangaat.
Vraag hem bijv. naar den grondslag zijner communistische maatschappij
en hij zal niet u trachten te overtuigen van hare economische
noodzakelijkheid, die uit het wordingsproces van de zich ontbindende
kapitalistische maatschappij met dwingende noodzakelijkheid zich aan
de menschen zal moeten opdringen èn in het belang van de menschheid
zelve (ethisch) èn in dat van de produktie (technisch-economisch),
maar hij zal u zeggen dat de "gerechtigheid der nieuwe wereld ten
grondslag moet dienen." De "eenvoudige, menschelijke gerechtigheid,"
gelijk het dan met den noodigen omhaal heet, alsof er een ingewikkelde
en een niet-menschelijke gerechtigheid ware!
Vraag hem ook hoe en waardoor de "natuurlijke solidariteit," dat
wondermiddel, zich zal moeten manifesteeren en Bakoenine zal u, gelijk
het in de statuten van zijn "Alliance internationale de la démocratie
socialiste", een bond tegenover de Internationale door hem opgericht,
luidt, zeggen, dat "wij" (d.w.z. de permanente revolutie) "een soort
van revolutionairen generalen staf" organiseeren moeten. Deze moet
bestaan uit "mannen van toewijding, energie, intelligentie" en vooral
"oprechte vrienden" moeten het zijn, geen "eerzuchtigen of ijdelen"
en zij moeten in staat wezen "tusschen de revolutionaire gedachte en
de volksinstinkten als bemiddelaars op te treden." Bakoenine zelf had
ze natuurlijk eerst wel willen keuren of ze zuiver op de graat zijn.
Doch men ziet, wat er terecht komt van de radikaal schijnende
phrase, dat men zich geen enkel gezag, ook niet dat van het algemeen
kiesrecht, ook niet het meest demokratische ter wereld, moet laten
welgevallen. Als het er op aan komt, vindt men, om zich uit de penurie
te helpen, een aantal mannen uit die, zonder dat iemand weet waar
ze gods ter wereld vandaan moeten komen, den boel wel voor het volk
zullen opknappen. Het is eigenlijk niets anders dan het gewone praatje
van het cesarisme, dat ons hier als de radikaalste revolutieleer
wordt opgedischt.
In de statuten van de "Internationale" luidde het dat "de onderwerping
van den arbeider onder het kapitaal de oorzaak van alle politieke,
moreele en materieele knechtschap is," en dat derhalve "de economische
emancipatie van den arbeider het groote einddoel is, waaraan elke
politieke beweging als middel ondergeschikt moet worden gemaakt."
Dit is zoo klaar als de dag en mits men het woord "economisch" niet
geheel opzettelijk verdraait en den zin demagogisch vervalscht, is
het de grondtoon van elk sociaal-demokratisch program. Niet aldus voor
Bakoenine. De economische is de onmiddellijke, definitieve en volkomene
emancipatie der arbeiders; zij beteekent economische gelijkheid, wat
zeggen wil de volkomen teruggave van het kapitaal aan den arbeid,
met andere woorden de sociale likwidatie van de kapitalistische
maatschappij. En elke politieke beweging, die dat niet als het meest
onmiddellijke doel beoogt, is een bourgeoisbeweging. Ergo: in de
statuten van de Internationale werd de politieke aktie, dus het eischen
van algemeen kiesrecht, het ijveren voor sociale hervormingen, het
gebruik maken van het kiesrecht voor proletarische klasse-doeleinden
veroordeeld. Niet alleen Bakoenine heeft dit politieke boerenbedrog
uit die statuten gedistilleerd, maar de papegaaien van allerlei
anarchistische pluimage hebben het nagezegd.
Ten eerste nu is in de statuten van de Internationale sprake van "elke
politieke beweging als middel"; er wordt dus in erkend dat politieke
bewegingen der arbeidersklasse wel degelijk middelen zijn, waarvan
alleen, en dit zeer terecht, geëischt wordt dat zij aan het groote
doel, de economische bevrijding enz., ondergeschikt zullen worden
gemaakt. Gelijk dan ook alle sociaal-demokraten de politieke aktie
etc. als een middel tot het doel en niet als het doel zelf opvatten,
propageeren, beschouwen en in praktijk brengen.
Ten tweede is hier van economische bevrijding sprake als van een
historisch bepaald proces in de ontwikkeling en geenszins van de bijna
idiote opvatting, als zou de "volkomen teruggave van het kapitaal
aan den arbeid, de economische gelijkheid" bedoeld zijn. Beide
begrippen stammen uit de klein-burgerlijke levensbeschouwing en als
zij doorgevoerd zouden kunnen worden, zouden zij de produktie tot
het peil van het oude handwerk terugdringen.
Deze versimpeling van het begrip economische emancipatie leidde dan
ook bij Bakoenine ten slotte tot het aanbevelen van een "wezenlijk
economische" taktiek, daar hij genoopt was de massa's iets te geven,
maar zich nu eenmaal te diep in de begripsverwarring had gewerkt om
er met fatsoen uit te komen. Zoo begon hij dan ook de taktiek der
engelsche trade-unions aan te bevelen; voor economische, lees hier:
industrieele en agrarische verbeteringen moesten de arbeiders enkel
pressie uitoefenen op de parlementen en afwachten of de heeren
bourgeois daarbinnen wel zoo goed zouden willen zijn te doen wat
de arbeiders verlangen. De politiek van zich op sleeptouw te laten
nemen, die in Engeland sedert een halve eeuw de arbeidersklasse
juist van elke revolutionaire aktie totaal vervreemd en haar voor
klassebewuste aktie ten eenenmale verstompt had, was het laatste
taktische redmiddel van den zeer radikaal-revolutionairen, alles
vernietigenden Bakoenine. Sancta simplicitas! mag men uitroepen,
ware het niet dat achter dien eenvoud zich het grijnzend gelaat
van den demagoog verborg wiens doel het scheen in de pas opkomende
arbeidersbeweging de rol te spelen van vernieler en verwarringstichter.
Bakoenine verwierp het individualisme in de beweging; hij
kon het echter nimmer geheel kwijt raken; hij zwenkte steeds
tusschen het individualisme dat den waren anarchist kenmerkt en
het socialisme. Zoo vaag als zijn gansche stelsel, zoo half was
zijn persoonlijkheid op den duur geworden. Hij was de uitvinder
van het "libertaire socialisme" en noemde zich ten slotte zelf
"anarchistisch collectivist." Dit tusschending, een tegenspraak
in zichzelf, te hebben geschapen is de verdienste van Bakoenine
geweest; maar het bewijst ook hoezeer de oorspronkelijke bodem van
Stirner en Proudhon was verlaten. Met Bakoenine trad dan ook een zeer
tweeslachtig anarchisme de arbeidersbeweging binnen; een monster met
een Januskop, een dat organisatie op de lippen, maar desorganisatie
in het hart had; een ding dat visch noch vleesch was, maar dat daarom
zooveel te gevaarlijker werd voor de arbeidersbeweging, omdat het
van nu af de parasiet op die beweging werd, die als een vampier
haar het levende bloed uitzoog. Sinds Bakoenine was de weg gebaand
voor den tusschenvorm van communistisch anarchisme, de vorm waarin
het anarchisme de arbeidersbeweging binnen kon dringen. Het is een
zonderling mengelmoes. Het heeft den individualistischen afkeer tegen
de socialistische opvatting van den klassenstrijd, ja tegen dien
klassenstrijd in het algemeen behouden, maar het heeft er zooveel
van om met het einddoel te kunnen sympathiseeren. Het heeft, doordien
het in de arbeidersbeweging vasten voet kon krijgen, daar veel meer
verwarring aangericht dan welk anarchistisch beginsel ook. Het is lauw
en laks voor den eigenlijken strijd, hoopt en verwacht nog altijd alles
van de revolutie, philosopheert steeds druk over "den dag daarna" en
leidt inmiddels dáárdoor de arbeiders van den strijd in het heden af,
om ze met een twijfelachtigen wissel op "de" revolutie af te schepen.