2. PROUDHON; HET KLEIN-BURGERLIJK RADIKALISME.

"De demokratische kleinburgers, verre van voor de revolutionaire

proletariërs de gansche maatschappij te willen omwentelen, streven

naar een verandering der maatschappelijke toestanden, waardoor voor

hen de maatschappij zoo dragelijk en gemakkelijk mogelijk wordt."

(Karl Marx, "Kölner Communistenprocess," p. 77.)

Tot Pierre Joseph Proudhon's eerste periode, als philosoof en

maatschappelijk hervormer, behoort een anarchistische theorie. Men

vindt ze volstrekt niet als een geheel, maar verspreid in zijn bekend

geschrift: "Qu'est-ce que la propriété? 1ere Mémoire. Recherches

sur le principe du droit et du gouvernement" (1840). Daarin

ontwikkelde Proudhon op scherpzinnige wijze een analyse van de

eigendomsverhoudingen in de kapitalistische maatschappij, terwijl hij

daarbij reeds van de noodzakelijkheid van den privaten eigendom afziet,

om ten slotte weder tot de burgerlijke formule te komen, die trouwens

niet nieuw was, maar reeds door Brissot de Narville, omstreeks den

tijd van het Schrikbewind was uitgesproken: Eigendom is diefstal.

Een uitvoeriger uiteenzetting van de eigenaardige anarchistische

opvattingen door Proudhon in dit tijdperk voorgestaan, komt in de

beide werken: "Les Confessions d'un Révolutionaire" (1849) en in

"Idée générale de la révolution du XIXième siècle" (1851) voor.

Dan breekt voor Proudhon de tweede periode aan van zijn literair

leven, waarin hij "Du principe fédératif" (1852) geschreven heeft,

het boek waarin hij verklaarde dat het ideaal van het anarchisme

niet te verwezenlijken was, zoodat hij meer de idee van een

sociale federalisatie was toegedaan, waaronder hij verstond een

zoover mogelijk gaande decentralisatie en een organisatie van kleine

politieke groepen, die door juridische federale overeenkomst, onder

een louter bewakende en slechts met toestemming van alle gefedereerde

regeeringen gedecreteerde centraal-macht, vereenigd moesten worden.

De sympathie voor regeeringloosheid die Proudhon in de "Confessions" en

in de "Idée" was toegedaan, was wel is waar tot scepticisme overgegaan,

maar de klein-burgerlijke oppositie tegen een centrale staatsmacht

was nog overgebleven.

Heel gemakkelijk is het overigens niet een konsekwente lijn te

vinden in Proudhons werk; men moet in zijn werk overal de periodes

onderscheiden waaronder hij schreef. Of, gelijk de Duitsche profeet

van het "Proudhonisme"--Dr. A. Mülberger--het gelieft uit te leggen:

"Proudhon is steeds aktueel. Hij houdt steeds de levendigste voeling

met het tegenwoordige; hij wrijft zich daar gestadig aan; waar een

problema opduikt, dadelijk is hij ter plaatse; hij vat het terstond in

het licht waarin het tegenwoordige het plaatst, graaft dan van hieruit

in de diepte, werpt eenige goudklompen van gedachten naar buiten en

nagelt ten slotte het resultaat in een of andere formule vast, die

den lezer, die zijn manier van voorwaarts te schrijden niet kent,

meer verbluft dan overtuigt, meer verblindt dan verheldert."

De Proudhon met wien wij hier te maken hebben, die van het anarchisme,

is de kleinburgerlijke Proudhon, die in werkelijkheid veel meer

eigendomsfanatisme aan den dag legt, dan van een "revolutionair"

te verwachten is.

Marx heeft zich met Proudhon veel bezig gehouden, ja, zelfs heeft Marx,

zich aan zijn ouderen tijdgenoot wrijvende, in de kritiek op zijn

philosophisch-economisch werk: "Philosophie de la misère ou système

des contradictions économiques" ("Wijsbegeerte der ellende of systeem

der economische tegenspraken") van 1846, zijn nieuw wetenschappelijk

standpunt voor het eerst geformuleerd. Het antwoord van Karl Marx op

Proudhon's geschrift: "La misère de la philosophie" (1847) hield de

eerste systematische uiteenzetting in van het historisch-materialisme,

de konsekwente doorvoering van de hoofdtheorieën van Smith en Ricardo,

de rol van het proletariaat in de geschiedenis, kortom het was het

eerste streng logische en meesterlijk systematische betoog van Marx,

als voor zichzelf gereed zijnd theoreticus.

Marx zeide van den wetenschappelijken Proudhon: "Hij wil de synthese

zijn en hij is de samengestelde dwaling; hij wil als man van de

wetenschap boven bourgeois en proletariër zweven, hij is slechts de

kleinburger, die bestendig tusschen kapitaal en arbeid, tusschen de

politieke economie en het kommunisme heen en weder geworpen wordt."

De invloed die Proudhon's werk gehad heeft op de fransche

socialistische beweging omstreeks de jaren 1860, een invloed

die ook over de fransche grenzen reikte en de gansche belgische

beweging beheerschte, was de oorzaak dat bij de organisatie eener

anarchistische beweging, in de arbeidersbeweging, de arbeidersbeweging

gelijk ze door en uit de "Internationale" van 1864 onmiddellijk en

middellijk was ontstaan, bij Proudhon werd aangeknoopt. Men had een

tegenstelling noodig tegen de denkbeelden van Karl Marx, die als

secretaris van den Generalen Raad der Internationale, volstrekt

niet door zijn heerschersnatuur, gelijk de verzonnen legende der

Bakoenisten het wilde voorgesteld hebben, maar door de geweldige

kracht van zijn logika en zijn macht om anderen te overtuigen,

een grooten invloed had op den gang van zaken. En men vond die

tegenstelling in Proudhon en te meer daar het juist in Proudhon was,

dat Marx twintig jaren vroeger het kleinburgerlijk-revolutionair

socialisme met zijn "eenerzijds en anderzijds" zoo vinnig bekampt

had. Marx zag terecht daarin dat communisme dat een ontwikkeling van

de arbeidersbeweging, als het drijvende element bij uitnemendheid,

zoozeer zou bemoeielijken. Proudhon zat namelijk vol tegenspraken, zijn

stelsel is eigenlijk een stelsel van tegenspraken. Proudhon was evenals

Stirner, en evenals Marx zelf trouwens, Hegeliaan, maar kwam uit al

de tegenstellingen niet los; hij bleef er in steken. Proudhon stond

evenals Marx op een keerpunt in de ontwikkeling van het socialisme,

doch bleef zich bewegen in de specifiek-fransche verhoudingen van

zijn tijd, de klein-produktie en het klein-boerendom. Alle philosophie

hielp hem daar niet uit. Een socialisme, pasklaar gemaakt voor fransche

toestanden, gelijk Proudhon dat wilde, kon geen andere toekomst hebben

dan een vastlegging van de kleinburgerlijke bezitsverhoudingen,

een waarborg tegen het monopolie, tegen de ontwikkeling van de

groot-industrie, tegen de coalitie der arbeiders.

Proudhon was, evenals de meeste verlichte franschen van zijn tijd,

een tegenstander van den gecentraliseerden staat, omdat juist in

Frankrijk de bureaucratie reeds geweldige afmetingen had aangenomen

en deze, gelijk dat trouwens bij de ontwikkeling van den burgerlijken

staat in het algemeen het geval is, een rem werd tegen demokratische

ontwikkeling. Proudhon zag, al niet minder dan zijn latere ideologische

volgeling-anarchisten, den schijn voor het wezen aan.

Overigens stond Proudhon nog diep in de burgerlijke beschouwing

zooals die in de periode van de Revolutie van 1789 veld won en van

aparte, van de ontwikkeling der reëele verhoudingen afgezonderde

ideeën als de "Gerechtigheid" en het "Recht" uitging, als van iets

bovenmenschelijks dat eeuwig is en onveranderlijk. "De gerechtigheid

is de onschendbare maatstaf van elke menschelijke handelwijze." "De

gerechtigheid is de zon, die elke maatschappij beschijnt, de spil

waaromheen de politieke wereld draait, zij is het grondbeginsel en

de regel van elke overeenkomst. Niets onder de menschen is er, dat

niet geschiedt in naam van het Recht, niets zonder dat daarbij de

Gerechtigheid wordt aangeroepen," enz. enz.

Die idee der gerechtigheid, die boven de menschen troont, is een

variatie van de boven de menschen tronende en gerechtigheid oefende

godheid. Overigens hebben wij hier met al wat Proudhon als ideoloog

kenmerkt, niet veel te maken.

In zijn werk dat het onderzoek over den oorsprong van den eigendom ten

doel heeft, stoot Proudhon zich ook aan den staat en de wetten die hij

maakt. "Het hagelt wetten, dekreten, edikten en verordeningen op het

arme volk. De politieke grond zal spoedig met een laag papier bedekt

zijn, die de geologen als papyrusachtige formatie in de geschiedenis

der aarde zullen hebben op te teekenen." "Waartoe dienen wetten

dengene die zelf denkt en voor eigen daden verantwoordelijk is! Die

vrij wil zijn en zich in staat acht het te worden! Ik ben gereed om

te onderhandelen, maar ik ben tegen wetten, ik erken er geen enkele,

ik protesteer tegen ieder gebod dat een zoogenaamd noodzakelijk gezag

aan mijn vrijen wil oplegt."

"Wetten! wil men weten wat ze zijn en welke waarde ze hebben? Ze zijn

de spinnewebben voor de machtigen en de rijken, onverbreekbare ketenen

voor de armen en de kleinen, vischnetten in handen der regeering."

"Men vraagt weinige, maar eenvoudige en goede wetten. Maar dat is

onmogelijk. Moet de regeering niet met alle belangen rekening houden,

alle geschillen beslissen? De belangen zijn volgens het wezen der

samenleving talloos, de betrekkingen tot in het oneindige veranderlijk

en bewegelijk; hoe is het dan mogelijk, dat men slechts weinig wetten

make? hoe zouden deze eenvoudig kunnen zijn? hoe zou zoodoende dan

de beste wet niet dadelijk afschuwelijk worden?"

Deze bizondere meening, welke in geenen deele oorspronkelijk is,

maar reeds bij de burgerlijke geleerden voorkomt, komt voort uit

het algemeene standpunt van Proudhon, die in het te zamen leven

van de menschen een "natuurlijke ordening" ziet. Het menschelijk

verkeer, de economische produktie en alle handel en wandel, zij

zouden volgens uit hun eigen aard voortspruitende regelen hun gang

gaan en zoo men ze absoluut vrij en ongestoord hun gang liet gaan,

zich in een natuurlijke harmonie oplossen. Waar aldus reeds een

natuurlijke ordening van het menschelijk samenleven bestaat, zoo men

slechts de gemeenschappelijk levende menschen in vrije werkzaamheid

maatschappelijke goederen laat voortbrengen en ruilen, is een in

de bizonderheden ingrijpende wettelijke organisatie geheel en al

overbodig, ja is zij schadelijk. "Wanneer de uitbuiting van menschen

door menschen diefstal is," zegt Proudhon, "dan is de regeering van

menschen door menschen, slavernij. Doordien de werkzaamheidsspheer van

ieder burger door de natuurlijke verdeeling van den arbeid en door de

keus van den tak van voeding, die elk treft, bepaald wordt, doordien de

sociale funkties in zoodanige verhouding tot elkander staan, dat zij

een harmonische werking te voorschijn brengen, ontstaat de ordening

uit de vrije werkzaamheid van allen; er is geen regeering. Wie de

hand op mij legt om mij te regeeren, is een usurpator (overweldiger)

en een tyran; ik verklaar hem voor mijn vijand." Aldus Proudhon in de

"Confessions d'un Révolutionnaire."

De idee der Regeering, zegt Proudhon in de "Idée générale", stamt uit

de familie; zij ontstond uit de zeden der familie en de huiselijke

gewoonten; geen tegenspraken werden toenmaals gehoord; de regeering

scheen voor de samenleving een evenzoo natuurlijk iets te zijn, als

de verhouding van den vader tot zijn kinderen. De ervaring evenwel

heeft geleerd, dat steeds en overal de Regeering, hoe populair zij ook

in haren oorsprong geweest moge zijn, zich ten slotte gesteld heeft

op de zijde van de beschaafdste en rijkste en tegenover de armste en

talrijkste klasse; dat zij, na aanvankelijk zeer liberaal en vrijgevig

opgetreden te zijn, zich steeds exclusiever ging gedragen; eindelijk

dat zij, in plaats van de vrijheid en de gelijkheid voor allen hoog

te houden, hardnekkig er aan werkte, haar te vernietigen door hare

natuurlijke toeneiging tot privilegies.

Daarom, wijl deze erkentenis nu eenmaal was gewonnen, was deze

rechtsorde te verwijderen alleen doordien men haar overbodig maakt,

doordien men de natuurlijke harmonische orde van het vrije verkeer

weder instelt. Vastgehouden moet worden aan het principe dat de

arbeid niet georganiseerd moet worden, daar deze dat geheel uit

zichzelf wel doen zal. Noodig is het, dat elkeen zijn eigen heerscher

worde, dat in de plaats van de tot nu toe heerschende politieke

machten de oeconomische krachten komen. In plaats van wetten komen

de vrije verdragen, die voor de leden van op zich zelf staande,

niet-juridisch-vrij gevormde vereenigingen onderling gesloten worden

op den grondslag dat niemand tegen zijn wil onder de autoriteit van

een of andere gemeenschap sta en dat er economisch onbepaald vrije

schepping en ongehinderde ruil van produkten heerscht.

Tot dit doel zet Proudhon zijn positieve plannen uiteen: de

"Volksruil- en Credietbank," die de eerste groote stap op den weg van

de verwerkelijking van de "natuurlijke harmonie der maatschappelijke

orde" beteekenen zou. Het principe betitelde Proudhon als dat

van de "mutualiteit" (wederzijdschheid). Het voorbeeld, hoe zulk

een "Volksbank" zou moeten zijn ingericht, is neêrgelegd in de

"Confessions" en aan de principieele fundeering van het begrip der

"mutualiteit" heeft Proudhon al zijn vernuft besteed. Hij beproefde

daarbij ook, gelijk zoo velen vóór hem, bijv. de socialistische

Ricardianen in Engeland, tot een fixeering van de economische waarde

der goederen te komen, wijl hem dat de spil leek waarom zijn gansche

stelsel in de praktijk draaide en kwam dan ook tot de formuleering

van de "geconstitueerde waarde": een vastgestelde waarde der goederen

als norm voor de prijzen der goederen dien hij natuurlijk voor zijn

ruilbank noodig had.

De "idee der mutualiteit," die de "gerechtigheid" zelf is volgens

Proudhon, waarop berust zij? Op den "eerlijken ruil." Wat is eerlijke

ruil? Een ruil waarbij gelijkwaardigs tegen gelijkwaardigs wordt

gegeven, antwoordt Proudhon. En wat is gelijkwaardig: wat gelijke

hoeveelheden menschelijken arbeid gekost heeft.

Aan groote woorden geen gebrek. Niet alleen dat Proudhon's

"mutualiteit," die in den grond van de zaak niet verschilde van

de produktieve associaties van Lassalle, zonder de hulp van den

staat niet uitvoerbaar blijkt, eischt hij ook nog bovendien, dat

de arbeiders zich aan de hun "beloofde gerechtigheid" bij voorbaat

zullen onderwerpen. Men zou zeggen, of het ding nu Gerechtigheid of

Staat heet,--als ik mij bij voorbaat reeds aan iets onderwerpen moet,

dat ik niet kèn, is het een geen haar beter dan het ander. Van deze

tegenspraken is het gansche "anarchisme" van Proudhon vol.

Nauw met het algemeen radikaal-burgerlijke standpunt van Proudhon

hangt zijn standpunt tegenover de arbeidersbeweging samen, d.w.z. de

beweging gelijk hij die in zijn tijd gekend heeft, n.l. de engelsche

vakbeweging en die van de engelsche "chartisten." Hij is haar

onvoorwaardelijk vijandig gezind. In dat opzicht verloochende hij

geenszins den innerlijken aard van het wezen der fransche kleinburgers

van zijn tijd voor wie de georganiseerde arbeidersbeweging een

even radikale verschrikking was als zij zelf burgerlijk-radikaal

van aard waren. Proudhon weet niet veroordeelend genoeg te spreken

van arbeiderscoalities ten behoeve van loonsverhooging en verkorting

van arbeidstijd. De arbeider individueel moge in elk geval, volgens

Proudhon, zoo lang de "sociale gerechtigheid" hem het loon niet

toekent waarmede hij tevreden behoort te zijn, probeeren zooveel als

mogelijk is een goede betaling te verkrijgen of met andere arbeiders

zich associeeren, om tegen de kapitalistische ondernemers te kunnen

concurreeren, maar een associatie met medearbeiders om op de meesters

eenigerlei druk uit te oefenen om hooger loon of korter arbeidstijd,

dat verbiedt hem Proudhon, dewijl hij dat een zonde tegen de "sociale

moraal" acht. "De wet welke de coalities veroorlooft", roept hij

uit èn in zijn geschrift "Philosophie de la misère" en hij herhaalt

iets dergelijks in zijn later geschrift "De la capacité politique des

classes ouvrières," "is in den grond anti-juridisch, anti-economisch

en tegen elke samenleving en elke orde in." "De werkstaking der

arbeiders," zegt hij in "Philosophie de la misère", is onwettig en het

is niet alleen het Wetboek van Strafrecht, hetwelk dat zegt, maar ook

het economische systeem, de noodzakelijkheid van de bestaande orde."

Proudhon is hier ook al weder, gelijk in zijn gansche economische

systeem, in de lijn der burgerlijke gedachte, die zeker niet scherper

dan hij de werkstaking en de vakorganisatie veroordeelen kon. Hij

gevoelt alleen maar iets voor één soort organisatie, n.l. voor de

mutualistische en dat met het oog op het behoud van de middelklasse!

"Deze middelklasse," zegt hij, "in welker schoot de beter beradene

arbeidersdemokratie voor een jaar geleden verklaarde geheel te

willen opgaan, schijnt het niet dat men met een soort fanatisme er

aan arbeidt, haar te willen vernietigen, haar tot de positie van

loonarbeider te willen doen afdalen? Elken dag doet het bankroet

groote scheuren in de rijen van de kleine burgers ontstaan en wat nog

ondragelijker is, haar noodstand duurt voort, het leven van de hand

in den hand, de geheime ellende decimeert haar. De arbeiders hebben

slechts hun eigen lijden gezien, zij hebben in 't geheel geen begrip

van de kwellende zorgen der bourgeois." Zoo vermaant deze "apostel van

het anarchisme" volgens Kropotkine en John Henry Mackay de arbeiders

van zijn tijd.

Toen Proudhon candidaat gesteld was voor de provisoire regeering

van 1848, richtte hij tot zijn kiezers van het departement Doubs een

manifest waarin o.m. deze phrase voorkwam:

"De sociale kwestie is gesteld. Gij zult haar niet kunnen ontgaan. Om

haar op te lossen zijn mannen noodig, welke met den radikaalsten

tegelijk den conservatiefsten geest verbinden. Arbeiders, reikt uwen

principalen de hand, en gij arbeidgevers, stoot niet de tegemoetkoming

van diegenen terug, die uwe loonontvangers waren."

Hoe scherpzinnig ook dikwijls, hoe snijdend in zijn oordeel over

het monopolie van den eigendom, Proudhon kon nooit uit den cirkel

van de klein-burgerlijke redeneering komen. De arbeid die naar "de

volle opbrengst harer waarde" geruild zal moeten worden, is volgens

Carrard Auban in Mackay's "Anarchisten," de steen der wijzen in

de sociale hervorming van de toekomst, de spil waarom het gansche

individueele anarchisme van dezen literairen fantast draait. Het moge

zoo wezen. Maar de wederzijdsche garantie van den gelijken ruil, van de

"volle opbrengst van het arbeidsprodukt" is een economische phrase,

die wel radikaal klinkt, maar maatschappelijk nooit te verwerkelijken

was, noch in praktijk te brengen kan zijn. En voorzoover zij een

inhoud heeft, is zij zeer na verwant aan de samenleving van den vrijen

ruil, die den geheel zelfstandigen voortbrenger en den zelfstandigen

ruiler tot voorwaarde heeft, met den "vrijen individu," die daarvan

het middenpunt uitmaakt. Dit "ideaal" is geen nieuw, maar een zeer

ouderwetsch en lang overwonnen ideaal, al spookt het nog in onze

dagen in de hoofden van zoo menigeen rond.

Het Anarchisme in de Arbeidersbeweging · 第 12 / 50 题